Dylan en DWDD

Lieve lezeressen en lezers, come gather ‘round people, wherever you roam, en doe mee aan dit gedachte-experiment: hoe is het om als vrouw fan van Bob Dylan te zijn? De Lezeres is large, she contains multitudes. Ik heb vele verschijningsvormen en vandaag verschijn ik voor u in de hoedanigheid van bona fide Dylan-fan.

Ik kwam op het idee van dit gedachte-experiment door de uitzending van DWDD. Nu had ik me voorgenomen om afgelopen donderdag, de Nobelprijs-dag, niet (niet!) naar DWDD over Dylan te kijken. Een vriendin vermaande mij echter dat de eretitel ‘Lezeres des Vaderlands’ niet alleen lusten maar ook lasten met zich meebrengt. En of we het leuk vinden of niet: het programma is het meest bekeken en daarmee kwantitatief gezien het meest invloedrijke culturele programma van Nederland. Kortom, I took one for the team, en zo heb ik Uitzending Gemist aangeslingerd.

Dat sloeg op mij!

Een korte (-ish) impressie van de uitzending. Tafeldame is Hanneke Groenteman. In de rol van aangeefster introduceert zij meteen in de eerste minuut de invalshoek van waaruit deze bekroning besproken zal worden:

V. Nieuwkerk: ‘Om 13.00 uur, precies om 13.00 uur, klokke 13.00…’

    Groenteman: ‘kreeg jij de Nobelprijs voor de literatuur!’

Het item dat volgt is inderdaad grotendeels gewijd aan de sterke identificatie van Van Nieuwkerk met Dylan. Ook de andere mannen aan tafel (Freek de Jonge en Henk Hofstede, zanger en gitarist bij De Nits) hebben het niet over Dylan zelf, maar over hun band met Dylan. Van Nieuwkerk wisselt gelijk bij het begin van het item maar even van stoel met De Jonge, aangezien hij zo veel kwijt wil (nee, móet) over Dylan dat hij feitelijk gewoon te gast is in zijn eigen programma.

    V. Nieuwkerk: ‘Bob Dylan was mijn leidsman, dat was de Bijbel, daar pleegde ik bijna exegese op. Dat sloeg op mij.’

    [Freek de Jonge mompelt iets over The catcher in the rye van JD Salinger.]

V. Nieuwkerk: ‘Dat was een boek dat ook daarbij aansloot.’

    De Jonge: ‘Hij is op het juiste moment in ons leven gekomen.’

Nota Bene: ons leven. Wiens leven? De Jonge benoemt hier wat in dit hele item gaande is: de ervaringen van De Jonge, Van Nieuwkerk en Hofstede waren wel individueel in die zin dat ze door individuen werden beleefd, maar in wezen hetzelfde. Een groepservaring.

dwdddylan_vruchtwater
Een groepservaring

Van Nieuwkerk vervolgt; over zijn grote ontroering toen hij Dylan in 1978 voor het eerst in concert zag:

 ‘En ik dacht, daar loopt ie, nee, daar loopt Hij, bijna. Nu zeg je, is overdrijven, maar het was Echt Zo. (…) [De schrijver van] die nummers die zoveel voor mij betekenden, of het nou ging over de verhouding tot mijn ouders, de wereld, weet ik veel, meisjes, ik weet het niet.’

Van Nieuwkerk plaatst Dylan dus duidelijk boven zichzelf. Dylan is iemand die op hem lijkt maar die verder is dan hij in zijn ontwikkeling, Dylan is iemand die beter is dan hij, en dus Leidsman kan zijn.

(Terzijde: Van Nieuwkerk zegt op zeker moment over dit concert: ‘Het was niet lang na Woodstock.’ HET WAS NEGEN JAAR NA WOODSTOCK, MATTHIJS!)

Freek de Jonge gooit hier nog een schepje bovenop, en benadrukt op ‘subtiele’ wijze zijn gelijkenis met Dylan. Na een fragment uit ‘The Hurricane’, waarin Dylan zingt met een violiste op de achtergrond: ‘bent u daarmee bekend, het fenomeen zang met viool?’ Wink, wink. Achter De Jonge zit Hella in het publiek stil te glimlachen.

Kortom, Van Nieuwkerk en De Jonge maken hier van hun Dylan-ervaring de Dylan-ervaring. In deze broederschappelijke sfeer wordt aan vrouwen een specifieke, dienstbare rol toegekend. Hanneke Groenteman neemt de rol op zich van de vrouw die met moederlijk genoegen en vertedering zit te kijken naar hoe ‘de jongens’ opgaan in hun Dylan-bewondering.

Er is hier geen sprake van evident, flagrant seksisme, maar iets veel en veel subtielers. Dat blijkt pas goed bij een fragment over Joan Baez, waar het echt lelijk wordt.

    Van Nieuwkerk: ‘Joan Baez, toen zijn muze, zijn vrouw, zijn minnares – toch, zoiets?’

    Henk Hofstede: ‘Bwah, ze was eigenlijk een beetje gedumpt…’

    Van Nieuwkerk: ‘Ja, uiteindelijk is ze gedumpt’

    Hofstede: ‘…tijdens de film, uiteindelijk komt ze wel tevoorschijn, maar…’

    Van Nieuwkerk: ‘Maar dan zie je hém… schrijven! Op die hotelkamer.’

    Hofstede: ‘Die hotelkamer, ja prachtig.’

    Van Nieuwkerk: ‘Laten we even kijken.’

Na afloop van het bekende fragment uit Don’t Look Back, waarin de gespannen verhouding tussen Dylan en Baez inderdaad voelbaar is, zegt De Jonge: ‘Maar zij heeft hem wel als het ware gelanceerd. Ze is wel zijn muze geweest enige tijd, maar als je dan ziet… als je dan zit te werken, en iemand op de achtergrond zit [gitaar te spelen en te zingen, LdV], dan begrijp je wel waarom ze wat minder in elkaar opgaan.’

Iedereen gniffelen. Merk ook hier weer op: de identificatie van De Jonge met Dylan. ‘Als je zit te werken.’ Alsof Dylan niet net zo hard door háár gitaarspel heen zit te tikken en haar daarmee ergert. En daarbij, Baez als zijn ‘muze’, zijn minnares? Pardon? Blijkbaar is het erg moeilijk om een muzikale samenwerking te begrijpen als dat: een muzikale samenwerking. En om in meer dan een bijzinnetje recht te doen aan de verhouding Baez-Dylan: toen Baez en Dylan samen begonnen op te treden was zij een grote ster en hij een volstrekt onbekend figuur. Om haar rol in zijn muzikale loopbaan toch vooral te beschrijven als een situatie waarin zij de muze-minnares was, is een geval van geniepige geschiedvervalsing.

Hierna zingt Freek de Jonge ‘Forever Young’. En dan zeggen ze dat ironie dood is.

If you don’t underestimate me, I won’t underestimate you

Terug naar de vraag van ons gedachte-experiment: hoe is het om als vrouw fan te zijn van Bob Dylan?

Als je DWDD bekijkt en geen zin hebt in de moederlijke rol à la Groenteman; geen zin om jezelf als muzikant te presenteren en jezelf daarmee open te stellen voor geschiedvervalsing en laatdunkende opmerkingen zoals Baez die hier heeft mogen ontvangen; geen zin om alleen naar Dylans liefdesliedjes te luisteren en jezelf in de rol van de bezongen vrouw voor te stellen (en dat jouw betrokkenheid bij zijn muziek dan daar zou beginnen en eindigen); geen zin in dit alles, wat dan? Je komt al snel uit op de gedachte dat Dylan gewoonweg niets voor jou is. Preciezer gezegd, volgens DWDD zou Dylan niets voor jou moeten zijn.

Ik heb als Lezeres vaak betoogd dat de eenzijdige aandacht voor het Grote Mannelijk Genie onze cultuur armer maakt (zie ook: Grote Drie-alarm). Dat is echter slechts één kant van het probleem. De andere kant is dat de relatie die je kunt aangaan tot die grote cultuur vaak  ‘beladen’ gebied is, omdat mannen bezig zijn zichzelf te projecteren in dat Genie, die dan tot Leidsman wordt gebombardeerd. Terwijl, pijnlijk genoeg, Dylan als geëngageerde zanger juist laat zien dat engagement niets te maken heeft met Alle Antwoorden Hebben en die dan vervolgens uitventen. En wat dat LeidsMAN betreft, Dylans werk kent vele momenten die juist uitnodigen tot nadenken over genderidentiteit en uitnodigen om die identiteit als meer fluïde te zien (bijvoorbeeld in ‘Dink’s song’ en zijn versie van ‘House of the Rising Sun’).

Er gebeurt hier iets ingewikkelds. Het is niet alsof mannen Dylan helemaal voor zichzelf opeisen. Er is, zoals ik al schreef, ruimte om als vrouw fan te zijn, hetgeen simpelweg blijkt uit het feit dát er vrouwen fan zijn. Maar wie als vrouw fan van Dylan is, of meer in het algemeen veel met muziek bezig is, kent vast het compliment ‘ik ken weinig vrouwen die zoveel van muziek weten als jij’. Het is een variant op het ‘compliment’: ik ken weinig vrouwen die zo goed kunnen schrijven, weinig vrouwen die zo’n gevoel voor humor hebben etc. Het is vast aardig bedoeld, maar het heeft toch een zure bijsmaak.

Wie tot man gesocialiseerd wordt, ontdekt dat er een culturele ruimte is die heel erg sterk met ‘mannelijkheid’ geassocieerd is. Op een bepaalde manier met popmuziek bezig zijn, goed schrijven, gevoel voor humor hebben: het ‘hoort’ bij mannen – dat is althans de sociale constructie die wordt overgedragen. Het is voor mannen dus een comfortabele ruimte: als man kun je je daar, zo lang je je aan bepaalde codes houdt, vanzelfsprekend in bewegen. Als daar bij uitzondering een keer een vrouw in opduikt is dat niet vervelend of bedreigend, doorgaans, maar zelfs wel aardig. Kijk, wat leuk,  daar heb je die ene uitzondering.

Ondertussen vragen we ons als cultuur niet af hoeveel vrouwen die ruimte maar helemaal niet betreden omdat ze het signaal ‘jongensclubhuis’ heus wel begrepen hebben. En het is precies dit signaal dat DWDD in knipperde kapitalen boven nagenoeg al hun items over cultuur aanzet.

Ferrante en de economie van het pseudoniem

Italiaanse journalist Claudio Gatti meent onthuld te hebben wie er achter het pseudoniem Elena Ferrante schuilgaat. Hij ging op zoek naar haar identiteit door vastgoedtransacties te onderzoeken , volgens het principe Follow The Money – alsof Ferrante een belastingfraudeur is. Het artikel verscheen tegelijkertijd in de NYR daily, de Frankfurter Allgemeine Zeitung, in de Italiaanse Il Sole 24 Ore, en op de Franse site voor onderzoeksjournalistiek Mediapart. Dat Gatti ondertussen nul komma nul belangstelling heeft voor de literatuur zelf, valt hier na te lezen.

Op deze agressieve vorm van onderzoeksjournalistiek is inmiddels door velen kritisch gereageerd, en terecht. Ik zelf dacht behalve aan alle ethische vragen die het najagen van iemands ‘ware identiteit’ oproept, in eerste instantie vooral aan de economische kant van de zaak. Want van wie kwam dat geld waar de vermeende Ferrante in Rome vastgoed van kon kopen? Als Lezeres des Vaderlands weet ik het antwoord wel: van hoofdzakelijk (alhoewel zeker niet uitsluitend) vrouwelijke lezers die trouw haar boeken kopen. En dat geld is niet gaan stromen dankzij een georkestreerd media-circus, waarin de beroemde auteur van interview naar media-event rolt. Ferrante onttrekt zich nadrukkelijk aan de overspannen aandachtseconomie waar Gatti wél op inspeelt: hij immers haakt in op een cultuur die zit te wachten op de ontmaskering van Ferrante, omdat die cultuur totaal geobsedeerd is door celebreties.

Laten we evenmin vergeten dat niet alleen het reële, maar ook het symbolische kapitaal voor Ferrante grotendeels via vrouwen tot haar kwam. Het zijn toch hoofdzakelijk (alhoewel zeker niet uitsluitend) de vrouwelijke critici, vertalers, boekhandelaren en uitgeverij-medewerkers die haar boeken roemen en blijvend onder de aandacht brengen. Wat zowel het artistieke als commerciële succes van Ferrante duidelijk maakt, is dat vrouwen een serieuze economische en politieke macht vertegenwoordigen in de literaire wereld.

 Economische inventiviteit en het pseudoniem

Er is naar aanleiding van de onthullingen over Ferrante al veel geschreven over de publieke positie van de vrouwelijke succesauteur, en waarom er anno 2016 nog steeds voor een vrouw goede redenen kunnen zijn om ondanks succes (of juist vanwege dat succes) niet met de eigen naam bij het publiek bekend te willen zijn. Maar om tot de kern van haar pseudonimiteit te komen, kan het ook helpen om haar literatuur nog eens ter hand te nemen, en te kijken wat daarin wordt gezegd over de relatie tussen vrouwelijke (on)zichtbaarheid en economie.

In Ferrantes Napolitaanse romanserie is het verlangen om als autobiografisch persoon voorgoed te verdwijnen tot onderwerp van haar literatuur verheven. Dat verlangen komt in de roman direct voort uit de afhankelijke positie waarin vrouwen gedwongen worden. Een gewelddadige kennis van Lila, één van de hoofdpersonen, eist van haar dat ze toestaat dat haar trouwfoto om commerciële doeleinden in zijn schoenenwinkel wordt opgehangen. Zij gaat overstag, maar ze bewerkt vervolgens de uitvergrote foto tot een avantgardistisch kunstwerk. Zij, mooie jonge vrouw, wordt geacht klanten te trekken met haar uitzonderlijke schoonheid, veilig ingekaderd in het wit van de trouwjurk en het kader van de fotolijst. Zij breekt echter uit het kader en verknipt en vertekent de foto zo radicaal dat ze zichzelf compleet onzichtbaar heeft gemaakt.

 

Dat wil zeggen: haar ‘conventionele’ zelf is onzichtbaar geworden. Het nieuwe portret onthult wél ongefilterd de scheppingskracht van haar gevoelige intelligentie. De autobiografische persoon verdwijnt, maar de individualiteit van Lila die in de conventionele trouwfoto (en bij uitbreiding, in haar huwelijk) nergens een plaats kon krijgen, komt nu in zijn volle kracht tevoorschijn. Het verdwijnen is dus niet alleen een passieve manier om jezelf te beschermen tegen al te brutale ogen. Het gaat veel dieper dan dat, de daad van het verdwijnen maakt een unieke creatieve energie vrij. Vrouwelijke energie, die in de patriarchale samenleving nu net ingekapseld moest blijven tot een enkel voor de echtgenoot (en zijn zakenvrienden) te benutten bron.

Toch stapt Lila hiermee niet buiten een economisch verdienmodel. Haar scheppende daad blijkt er eentje te zijn die een geheel nieuw economisch succes oplevert voor de schoenenwinkel, want de Napolitaanse haute bourgeoisie voelt zich aangetrokken tot het avant-garde kunstwerk van autodidact Lila en komt daarom graag in de schoenenzaak. Dankzij Lila komt er nu een zeer kapitaalkrachtig publiek naar de winkel. Het hoeft natuurlijk geen betoog dat Ferrante hiermee impliciet ook iets zegt over de aantrekkingskracht van haar eigen romans.

Zo beschouwd lijkt het onzichtbaar-worden dus hoofdzakelijk een constructieve strategie voor een vrouw in een complexe situatie. Toch wordt het verknippen van de foto in de roman wel degelijk beschreven als een manier van Lila om zichzelf te beschadigen, om agressie ten opzichte van zichzelf uit te leven. Kunst, lijkt Ferrante ons voor te houden, is niet uitsluitend gericht op ‘zelfexpressie’ en ‘individuele bevrijding’, maar komt tegelijkertijd uit duistere bronnen voort. Het is althans voor Lila een manier om het geweld waaraan zij als vrouw bloot staat ter hand te nemen en op de eigen persoon te richten. En dat is een verontrustende gedachte, zeker als we Lila’s artistieke streven naar onzichtbaarheid interpreteren als een spiegel voor de onzichtbaarheid van Ferrante.

Daarmee stelt de roman overigens ook indringende vragen over het esthetisch genot van de bourgeoisie. En tot die bourgeoisie reken ik mijzelf, en u, lezer, voor het gemak ook maar even. De brute onderdrukking van de vrouw in de arme Zuid-Italiaanse gezinnen, waar het slaan van vrouw en kinderen de norm is, daar vinden wij geen schoonheid in. Het leugenachtige beeld van de conventionele trouwjurk en de conventionele trouwfoto ontmaskeren we gemakkelijk. Een onconventioneel versneden ‘avantgardistisch’ zelfportret echter vinden we fascinerend, terwijl toch ook daar evident geweld uitspreekt. Verhuld geweld, in een ander esthetisch register uitgedrukt, maar toch: geweld.

Het is typerend voor Ferrantes werk, waar ik geen ander woord voor kan bedenken dan ‘radicaal’. Niet radicaal in de zin van politiek extreem, maar radicaal in de betekenis van de wortel der dingen onderzoekend, tot de naakte essentie komend. Wij lezers krijgen een fundamentele vraag gesteld: als we Ferrante bewonderen om haar superieure vermogens het verhaal steeds opnieuw te schikken en te herschikken (precies zoals Lila deed met haar portret), zijn we dan niet ook al bezig geweld te bewonderen, gesublimeerd geweld weliswaar, maar nog steeds: geweld?

Eerlijk is eerlijk: niet alleen Gatti wil haar “ware identiteit” weten. Het is ook te kort door de bocht om het verlangen de auteur te kennen uitsluitend toe te schrijven aan de wetmatigheden van een celebrity-cultuur. Ik vermoed dat heel veel trouwe lezers wel eens speculeren over de persoon achter de boeken. Niet omdat het ertoe doet, maar omdat het ons op de een of andere manier afleiding geeft. Omdat we zo verlost worden van de opdracht die moeilijke relatie tussen pseudonimiteit, creativiteit en naar binnen gericht geweld direct onder ogen te komen, plús onze medeplichtigheid als lezers hierbij. Terwijl  Ferrante ons wel dwingt deze ingewikkelde kluwen van nabij te beschouwen, precies omdat ze zelf van het toneel is gestapt. Ergens is het een opluchting het gesprek te kunnen verleggen naar de nogal infantiele kwestie: “wie is de auteur”? Wisten we maar wie dit alles had geschreven, want dan konden we die kennis gebruiken om de schok die haar literatuur teweegbrengt enigszins te temperen.

Gatti heeft zonder enige belangstelling voor het literaire werk zelf de auteur tot openbaarheid gedwongen. Daarmee heeft hij grote schade toegebracht aan de literaire kunst van Ferrante, omdat de radicaliteit van haar werk (en daarmee ook alle moeilijke vragen die het werk aan ons stelt) teniet wordt gedaan. Het is een vorm van agressie tegen kunst die schokkend is, en geen enkele steun of vergoelijking verdient. Ook niet van lezers die misschien zelf wel eens speculeren over wie mogelijk toch dat bijzonder werk geschreven heeft.

Feminisering: het debat voorbij de pijngrens

Joehoe, lieve lezeressen en lezers,

Weet u het nog, dat artikel van sportjournalist Vissers over de toenemende ‘feminisering’ van afgelopen zaterdag in de Volkskrant? Iemand, we noemen haar x, schreef een inhoudelijke, kritische respons op het artikel; ze wijst daarin op allerlei genderclichés bij Vissers. de Volkskrant wees het stuk echter af. Blijkbaar vonden ze de repliek op Vissers van Sytze van der Zee belangrijker voor het debat. He ja, liever nóg eens iemand uit de eigen journalistenkring aan het woord! Zo babbelt de Volkskrant maar door over de veronderstelde ‘feminisering’, niet gehinderd door enig inzicht in de werking van stereotypen.gatekeeping (2)

Gelukkig kende x mijn blog en stuurde ze haar stuk naar mij door, zodat deze zinnige kritiek u alsnog kan bereiken! Grappig weetje: de auteur (vrouwelijk), kreeg een Volkskrant-afwijzing met als aanhef, geachte heer  x.

(Naam auteur is bij Lezeres bekend.)

Vrouwelijk leiderschap: geen gezeur

Regelmatig verschijnen in de Nederlandse kranten bezorgde artikelen over de toenemende ‘feminisering’ van onze cultuur, steevast door mannen geschreven. Dat vrouwen de macht overnemen is empirisch makkelijk weerlegbaar, maar het mannelijk onbehagen over een oprukkende vrouwelijke dominantie is blijkbaar zeer hardnekkig.

In Willem Vissers’ stuk ‘De vrouw heerst’ (de Volkskrant, 20 augustus) lijkt sprake van een  tegenovergesteld sentiment. Naar aanleiding van het succes van vrouwelijke sporters op de Olympische Spelen schreef hij een ‘ode aan de feminisering’. Hij presenteert de sportsters als nieuwe leiders en brengt hen in verband met vrouwen die volgens hem steeds meer de dienst uitmaken in andere domeinen van de samenleving (politiek, literatuur, economie). Het twee pagina’s lange stuk wordt opgesierd door een fotocollage vol juichende en stralende vrouwen, gegoten in de vorm van het vrouwelijke Venusteken.

Toch spat ook van Vissers’ stuk het ongemak over de toenemende feminisering af. Vrouwen worden consequent op één hoop gegooid, alsof zij een homogene groep vormen die allerlei eigenschappen delen. Die gedeelde eigenschappen zijn niet toevallig de bekende clichés waarmee vrouwen klein worden gemaakt.

Voor Vissers is de leidende vrouw gelijk aan de winnende vrouw, die hij drie kerneigenschappen toedicht (corresponderend met zijn drie tussenkoppen): ‘lef’, ‘pijngrens’ en ‘oergevoel’. Lef tonen sportvrouwen volgens Vissers in hun trainingsaanpak: ‘Sharon van Rouwendaal, kampioene op de 10 kilometer in open water, legde haar lot in handen van een Franse trainer.’ Een dappere vrouw is dus een vrouw die de leiding uit handen durft te geven aan de man (want de trainers, dat realiseert Vissers zich ook, zijn vrijwel altijd mannen). Het lef van de vrouw schuilt zodoende in haar overgave – en daarin is zij beter dan de man. Zij is geen Yuri van Gelder die het gezag ter discussie stelt door te drinken of trainingen te missen, maar is altijd ‘geconcentreerd en serieus’. Kijk maar naar de volleybalvrouwen: ‘Ze zeurden niet om meer vrijheid. Ze trainden gewoon. Ze luisterden. Ze verdroegen pijn.’ Die onderworpenheid duidt Vissers als het teken van vrijheid: ‘In Iran mogen vrouwen niet eens naar het stadion’, maar ‘de westerse vrouw is ontbolsterd en vrij’. Vrijheid is blijkbaar hetzelfde als niet zeuren.

Behalve van het lef tot overgave is het succes van vrouwen het gevolg van een hoge pijngrens, Vissers’ tweede kerneigenschap: ‘Vrijwel alle trainers…roemden de volharding van de vrouwen, hun hoge pijngrens’. De vrouw die fysieke signalen negeert, en dus haar lichamelijkheid durft te onderwerpen aan het mannelijke gezag, kan deel uitmaken van de ‘harem’ (zijn term) van succesvolle vrouwen. Het is een oeroud cliché: lichamelijke en mentale zelfopoffering vormt de weg naar vrouwelijk succes.

Maar de gemeenplaatsen zijn nog niet op. Op economisch gebied, betoogt Vissers, krijgen vrouwen – ‘de kasbeheerders van het huishouden’ – ook steeds meer voet aan de grond in de wereld van banken en bedrijven. Dat ze toch vaak minder verdienen dan mannen komt vooral doordat ze vaak parttime werken, omdat ze ‘voor de kinderen willen zorgen’. Dat hangt samen met het ‘oergevoel’, Vissers’ derde kerneigenschap. Het oergevoel staat dus op gespannen voet met het lef tot overgave en daarmee het leiderschap. Maar ook hier blijkt de zwakte van de vrouw haar kracht: het uitdragen van ‘typisch vrouwelijk omschreven eigenschappen’ zoals kwetsbaarheid en zorgzaamheid is voor Vissers een vorm van durf.

Dat wij nog moeten wennen aan deze ‘nieuwe wereld’ van ‘winnende, leidende vrouwen’ blijkt volgens Vissers uit de commotie rondom Dafne Schippers die haar schoenen wegsmeet. Maar Schippers was geen winnaar: zij was een verliezer die zich niet beheerste. Precies daarom was er ophef. Want de samenleving vraagt beheerste, conformistische vrouwen. Is dat oprukkend vrouwelijk leiderschap? Eerder een hardnekkig genderstereotype.

Nog een noot van De Lezeres: zie de volgende linkjes voor meer voorbeelden van de wijze waarop de Volkskrant het debat over feminisering voert:

Max Pam: http://www.volkskrant.nl/opinie/man-is-als-ijsbeer-in-krimpend-territorium~a4246015/

Dirk-Jan van Baar: http://www.volkskrant.nl/opinie/vrouwen-rukken-overal-op-ook-richting-top~a4236447/

Jort Kelder: http://www.volkskrant.nl/opinie/tip-voor-kelder-probeer-de-vrouwtjes-wat-serieuzer-te-nemen~a4350033/

 

 

 

Anatomische les van De Lezeres: Vaderlands seksistisch sportcommentaar

De Olympische Spelen zijn aan de gang en dus kunnen we ‘s nachts opblijven voor kleiduifschieten, BMX’en, zwemmen en rennen. En voor seksistisch sportcommentaar. Dat blijft niet beperkt tot Huffington Post-lijstjes, met beschamende Amerikaanse voorvallen van sportvrouwen die als de-vrouw-van met een medaille worden gefeliciteerd of wiens sportsucces aan hun mannelijke coach wordt toegeschreven. Die buitenlandse incidenten zijn inmiddels in Nederland al eindeloos gerecycled, van Opzij tot NRC (en bij Belgische collega’s). Mooi dat er aanstoot aan wordt genomen, maar nu we het gesprek dan tóch geopend hebben over seksisme in sportverslaggeving, is het tijd om eens nader te onderzoeken hoe ook Nederlandse gerespecteerde journalisten over vrouwelijke atleten schrijven en spreken. Een goed moment kortom om mijn leesbril van mijn nachtkastje te pakken en de zaken in onze Vaderlandse media eens wat nader te analyseren. Een paar voorbeelden.

Vrouwelijke commentatoren – ‘ladies night’
Sportstudio’s zitten vaak vol met mannen en als er eens vrouwen aanschuiven dan gaat dat niet onopgemerkt voorbij. Han Lips wijdde zijn column in Het Parool aan de NOS Rio Live van 8 augustus: er kwamen niet alleen veel vrouwen in actie, ze zaten ook nog eens in de studio en ‘dus’ moest Lips wel kijken naar deze ‘ladies night’:

‘Antoinnette Scheulderman juichte op Twitter: ‘Vier lekkere wijven die op NPO1 zinnig over sport praten!’ Lips ging er dus eens goed voor zitten en keek naar sporten waar hij normaal niet voor thuis zou blijven. [nog steeds Lips aan het woord, die over zichzelf in de derde persoon praat – LdV]’

Hartstikke slim van Lips om zich in te dekken met een ja-maar-hullie-doen-het-zelf-ook, maar hij slaat daarmee natuurlijk de plank mis (zie ook ‘geciteerd racisme’). Het is duidelijk dat Lips bij voorbaat niet van plan is om de vrouwen serieus te nemen en van het zinnige commentaar, waar het Scheulderman om te doen was, krijgen we dan ook niks te lezen. Wat hij wél het vermelden waard vindt: dat Lobke Berkhout haar vriend op de tribune zag zitten en dat Fatima Moreira de Melo zich afvroeg ‘waarom de Koreaanse tegenstanders van Nederland allemaal dezelfde rode lippenstift op hadden’ – door Lips laatdunkend ‘een typische vrouwenopmerking’ genoemd. Dat Berkhout, vijfvoudig wereldkampioen zeilen, en Olympisch kampioen Moreira de Melo niets zinnigs over hun sport te zeggen hadden, dat nemen we natuurlijk voetstoots aan. Het zijn tenslotte vrouwen. Chapeau, Han we hangen niet aan je Lips, voor het reduceren van een avond inhoudelijk sportcommentaar tot je eigen emancipatiekramp bij het zien van louter vrouwen op televisie.

De publieke dissectie van Dafne Schippers
Het lichaam is voor sporters een belangrijk instrument en het is dan ook niet vreemd dat het bij sportevenementen onder een vergrootglas komt te liggen: is het in vorm, waar zit de kracht, waar de zwakke punten? Maar sport is meer dan alleen fysiek en spreken over een lichaam is niet waardevrij: zo toont onderzoek aan dat bij zwarte sporters er veel vaker over hun fysieke kracht wordt gesproken terwijl succes van witte sporters significant vaker wordt toegeschreven aan spelinzicht. En ook over vrouwelijke sportlichamen wordt er allesbehalve waardeneutraal geschreven. Waarom is het mannelijke lichaam een instrument dat getraind kan worden en kan slijten (zie bijvoorbeeld dit stuk over Epke Zonderland en zijn ‘lijf’) en worden vrouwelijke lichamen beoordeeld op hun schoonheid en vrouwelijkheid (zie bijvoorbeeld dit stuk over ‘buurmeisje’ Dafne Schippers en haar ‘kont’)?

Schippers lijkt één groot projectievlak voor mannelijke sportjournalisten, maar de grootste stroom commentaar over Schippers komt van één man: Wilfried de Jong. Naar eigen zeggen is De Jong ‘gefascineerd’ door Dafne Schippers. Herstel, door het lichaam van Dafne Schippers. Hij kan er maar niet over ophouden. Hij zou ‘wel een keer op haar rug willen zitten. Zij op topsnelheid, ik met mijn benen geklemd om haar middel’, schreef hij al eens. Krijgt u van deze fantasie ook lichte stalker-vibes?  Het wordt nog fraaier: De Jong heeft er zelfs een radioserie op radio 1 aan gewijd ‘De Anatomische Les van Dafne Schippers’, waarin hij Schippers elke dag (!) publiekelijk dissecteert. Luister maar even mee (klik op het hoofd van Wilfried de Jong):

Is je reactie nu ook ‘what the fuck did I just listen to’? Dat kan kloppen. Vrouwen en anatomische lessen zijn geen grappige combinatie. Het is waar, ‘anatomie’ kan gebruikt worden als metafoor van een diepgravende analyse, waarbij verschillende facetten van een fenomeen zorgvuldig worden geduid. In dit specifieke geval echter is het onderwerp letterlijk het lichaam van een levende persoon en is de anatomische les geen metafoor meer, maar precies dat wat De Jong in taal doet. Het lichaam wordt in losse delen opgedeeld, nog niet eens met de technische blik van een medicus overigens, maar met die van de erotisch geobsedeerde ‘sportjournalist’ Wilfried het Jongetje.

Geen erotisch cliché wordt geschuwd. Thema van bovenstaande uitzending is: ik-heb-er-geen-woorden-voor-maar-goh-wat-ben-je-een-lekker-ding, en daarmee sprint deze man van middelbare leeftijd uit het domein van de sportjournalistiek rechtstreeks naar dat van de puberpoëzie, mij achterlatend met oprispend maagzuur. Als De Jong had proberen te beschrijven waarom Dafne Schippers zo goed kan sprinten, had de taal hem allicht prima uitkomst geboden.

Andere uitzending: De Jong beschrijft de billen van Schippers, waarin hij zich uitput in het verzinnen van  synoniemen voor dit lichaamsdeel, waaronder ‘het is een volmaakte erotische halve cirkel’ (luister hier)

In weer een andere episode beschrijf De Jong beschrijft het kapsel van Schippers (‘heel veel model zit er misschien niet in’). De sliertjes haar worden getemd, om vervolgens uit het gareel te springen tijdens de sprint: ‘de blonde sliertjes schieten alle kanten op’.

Ook in deze beschrijvingen bedient De Jong zich dus van een (quasi-)poëtisch discours. Zelf benadrukt dat hij zo “lyrisch” wordt van Schippers. Eerst een vrouwelijke sporter reduceren tot een ‘lekker ding’, en dan een literaire saus van zogenaamde ‘gevoelslyriek’ eroverheen gieten, maakt het allemaal niet minder kwalijk. Mistig in de verte turen is géén excuus voor seksisme.

Als De Jong bewondering heeft voor het lichaam van Schippers, dan kan dat, als hij er een beetje opgewonden wordt, dan kan dat ook. Maar als sportjournalist heb je de verantwoordelijkheid om die gevoelens niet leidend te laten zijn. Of zoals Lindy West zegt in een column met adviezen voor niet-vieze sportjournalistiek over vrouwen: ‘It is OK to have sex feelings. Just watch where you’re spraying them.’ Ongewenst sex feelings over je heen gesprayd krijgen aan de bar is al erg genoeg, maar dan kun je naar de wc gaan en niet meer terugkomen. In deze situatie is dat onmogelijk. Met andere woorden: de relatie tussen Dafne Schippers en Wilfried de Jong is in de ‘anatomische les’ niet gelijk. Vergelijk dat ook eens met de oudere televisieserie van De Jong waarin hij met sporters op de massagetafel (m/v) over hun lichaam sprak. Een mooie serie was dat, precies omdat dáár de sporter zelf aan het woord kwam en het lijf dus net niet machteloos aan commentaar van anderen werd uitgeleverd.

(Overigens: als je het zo graag over sportlichamen wil hebben, kijk dan eens naar deze selectie.)

Mannen en meisjes, bobbels en broekjes
Dat ook mannen slachtoffer zijn van een blik die zich meer op hun lichaam dan op hun prestaties richt, is dit jaar ook opgemerkt. Getuige strakker wordende sprintbroekjes en een artikel in Cosmopolitan met een fotoserie van de ‘beste bobbels’ van de Olympische Spelen.

Dat (sport)mannen moeten voldoen aan schoonheidsidealen en dat die zich vertalen in de manier waarop er naar hen gekeken wordt, is zeker waar. Maar dat doet weinig af aan grotere patronen van ongelijkheid. Een schoonspringer kan door een tijdelijke omkering van de gaze dan wel met zijn bobbel in de Cosmopolitan staan, de kans dat zijn succes aan zijn echtgenote wordt toegeschreven is gering. Onderzoek toont aan dat gebruikte genderstereotypen, die zowel voorschrijven hoe er over mannen als hoe er over vrouwen wordt gesproken, gunstig uitvallen voor mannen. Ze zijn sterk, dapper en slim, terwijl vrouwen worden aangekeken op hun schoonheid en hun huwelijkse status. Vrouwen zullen vaker in traditionele termen als ‘meisje’ en ‘lady’ worden aangesproken (zie boven), terwijl mannen met neutrale termen worden aangeduid. Eén artikel in de Cosmo gaat daar niets aan veranderen en zal het niveau van de sportjournalistiek over mannen niet omlaag halen. En belangrijker nog: zo’n incidentele omkering van de patronen maakt de sportjournalistiek over vrouwen niet inhoudelijker.

Lippenstift, beachvolleybal bikini’s en de geseksualiseerde blik
Tot slot nog even terug naar de ‘typische vrouwenopmerking’ van Moreira de Melo, die heus niet zo dom is als Lips hem voorstelt. Want inderdaad, waarom dragen vrouwen lippenstift als ze hockeyen? Of dragen ze gekapt turnhaar en bijpassende lipgloss of beachvolleybalbikini’s? Seksisme is ook in de presentatie van sporten verankerd en Moreira de Melo kaartte dat aan. En al helemaal in de manier waarop dat vervolgens in beeld wordt wordt gebracht. Zo liet onderzoek zien dat de televisiebeelden van het vrouwen beachvolleybal op de Spelen van 2004 aanmerkelijk veel shots van billen en borsten bevatte, wat, zo stellen de auteurs, ‘leaves viewers with lasting memories of players’ bodies rather than of memories of athleticism’.

The revolution will not be televised, or radiolized, zo veel is duidelijk.

Geciteerd racisme

‘Ze maken nog een paar negergrappen op die speciale toon van hoogopgeleide mensen die heel goed weten dat die niet door de beugel kunnen.’

Franca Treur, De woongroep (2014)

‘Waarom houden Nederlandse journalisten zo vast aan dat woord’, zo vroeg ik me in mijn kritiek op Sander van Walsum af. Ja, waarom? Zoals altijd begon ik bij het kraken van zo’n harde noot met #lekkertellen. Daarom heb ik het woord ‘neger’, ‘negerin’ en (o tempora) ‘dobberneger’ ingevoerd in de digitale krantenbank LexisNexis bij vier kranten (en omdat LexisNexis niet compleet is, nog eens gezocht op de krantensites zelf), gemeten vanaf januari 2016 tot heden (6 maanden dus).* Hier de uitslag:

  • De Telegraaf: 5 artikelen
  • Algemeen Dagblad: 5 artikelen
  • NRC Handelsblad: 20 artikelen
  • de Volkskrant: 33 artikelen

Dat is een opmerkelijk verschil – wie zo min mogelijk met deze terminologie geconfronteerd wil worden kan dus op basis van de cijfers beter een abonnement nemen op De Telegraaf dan de Volkskrant. Getallen zeggen echter niet alles. Want vooropgesteld: een flink aantal hits komen voort uit het feit dat de Volkskrant en NRC veel uitgebreider dan de andere twee kranten schrijven over het antiracismedebat in Nederland (zo was in de onderzochte periode het veranderde onderschrift-beleid in het Rijksmuseum een veelbesproken onderwerp).

Dat het onderwerp leeft blijkt ook al uit het feit dat de Volkskrant een verstandig redactioneel commentaar schreef met bruikbare inzichten over schadelijk taalgebruik; daarin verkondigde de redactie het woord ‘allochtoon’ voortaan te zullen gaan vermijden. En ook: ‘Andere besmette woorden (homofiel, neger) zijn tevens uit het vocabulaire van de redactie verdwenen.’ Tegelijkertijd verdedigde hoofdredacteur Philippe Remarque onlangs te vuur en te zwaard zijn NRC-collega’s die onder vuur waren kwamen liggen omdat ze een romancitaat waarin het woord ‘nigger’ voorkwam tot kop hadden verheven.

Via Remarque komen we tot de kern: veel – maar overigens niet al! – het racistische taalgebruik in de artikelen is geciteerd racisme. Is echter dankzij de aanhalingstekens het probleem van tafel?

Dat ligt complexer. Ik ben daarom eens voorbij de getallen gegaan en heb in de hits gezocht naar de manieren waarop in NRC en de Volkskrant dit woord gebezigd wordt. Voor het overzicht ga ik eerst in op de opiniërende stukken (er komen 4 patronen aan bod), daarna zeg ik kort nog iets over de journalistieke berichtgeving. In wat volgt, zal ik zelf ook de citaten opnemen. Het is geen vreugdevolle lectuur, maar ik heb besloten dat wel te doen, omdat juist de veelheid van het materiaal kan laten zien hoe wijdverbreid dit is en van welke patronen er dus sprake is.

Geciteerd racisme in opiniërende artikelen

De grote verschillen tussen de Volkskrant en NRC enerzijds en De Telegraaf en Algemeen Dagblad anderzijds vallen voor een substantieel toe te schrijven aan de columnistiek. Hier zij overigens opgemerkt dat er in de hits zeker columnisten waren die zich op consciëntieuze wijze van problematische termen bedienden, bijvoorbeeld omdat ze werkelijk inhoudelijk iets wilden zeggen over racistisch taalgebruik (Jutta Chorus bijvoorbeeld, in de column ‘Racisme is altijd maar een grapje’).

Vaak echter lijkt er eerder van een ‘poging tot humor’ of juist tot een claim op onschuld sprake te zijn. Ik heb getracht 4 patronen te identificeren in de manier waarop opiniemakers in NRC en de Volkskrant dit woord inzetten.

Patroon 1: Vroeger kon je het nog zeggen

 Ooit was het een veel gebezigd woord, nu is het woord niet langer geaccepteerd (zie het al eerder genoemde redactionele commentaar van de Volkskrant of deze column van woord-deskundige Ewoud Sanders in NRC). Het vergt tijd voordat die verschoven norm ook bij iedereen tot praktijk is geworden, maar het is 2016 en de vraag is hoe vaak het columnisten-leger nog gaat opmerken dat vroeger de zaken anders lagen dan nu. Met andere woorden: dat het verschil tussen vroeger en nu onophoudelijk herontdekt lijkt te kunnen worden, lijkt behalve een teken van ideeën-armoede toch vooral een manier om het woord in circulatie te houden. Enkele voorbeelden:

  • ‘Bob (was) erg donker, ja, hij zag er zelfs uit als wat toen een “neger” heette.’ [1]
  • ‘Seedorf is een mooi mens. Een eindredacteur van de krant en ik hebben het sinds we samenwerken over “de grootste neger ooit”. Dat is hij natuurlijk niet en we weten dat het woord neger, hoewel het gewoon in Van Dale staat, tegenwoordig een negatieve connotatie heeft, onder meer door verwijzingen naar de slavernij.’ [2]
  • ‘Als politieke correctheid zich met ons taalgebruik bemoeit, ondervinden we daar hinder van. Vooral voor publicisten is het er niet makkelijker op geworden. Wanneer je vroeger een neger beschreef, mocht je volstaan met “neger” en wist iedereen wat je bedoelde. Nu moet hij met “zwart(e)” worden aangeduid, wat onduidelijker is omdat het ook “zwartharig: kan betekenen.’ [3]
  • ‘Een goed geschapen zwarte vrouw – zo’n vrouw die vroeger nog ongestraft negerin werd genoemd – zit naakt met geloken ogen op een verhoging’ [4]
  • ‘Zet een negerin op een reclameposter en half Nederland is ziedend. Zet er géén negerin op en ze zijn ook ziedend. Schrijf negerin en ze zijn ziedend’ [5]

In het laatste citaat zit geen directe verwijzing naar vroeger, maar in de context van de column past dit citaat heel goed binnen het patroon, want die column draait om een veronderstelde verregaande vertrutting van Nederland ten opzichte van ‘vroeger’, toen we ons nog niet zo druk maakten. 

Patroon 2: Nostalgisch racisme citeren

In het verlengde van voorgaande patroon ‘vroeger kon je het nog zeggen’: nostalgisch oude boeken doorbladeren.

  • Naar aanleiding van een racistische reclame in China begon een brievenschrijver in een brief getiteld ‘Negertje Flop’ totaal ongerelateerd heerlijk te mijmeren over Pa Pinkelman, waar de briefschrijver nog steeds ‘fan’ van is. [6] Met genoegen werd de inhoud van een racistisch stripje uit de jaren vijftig nog eens naverteld, zonder dat er enige conclusie werd getrokken of sprake was van voortschrijdend inzicht.
  • Op een soortgelijke manier als deze brievenschrijver was columnist Sylvia Witteman heerlijk aan het bladeren in een oude Kijk en zie eens wat er daar stond: ‘De tekst bleek hier en daar wat… ouderwets (“Negers blijken geen hoger IQ te hebben naarmate ze méér blank bloed in hun aderen hebben”) maar toch nog steeds goed leesbaar.’ [7]

Patroon 3: Weet je wie pas racistisch zijn? Mensen die De Telegraaf lezen!

Een vaste columnvorm onder Nederlandse columnisten is het opvoeren van een fictief gesprekje. Het zijn deze fictieve figuren die dan vervolgens racistische taal uitslaan. Dat zijn, als het om racisme gaat, opvallend vaak lager opgeleiden.

  • Een column waarin politieagenten werden opgevoerd die zogenaamd, vanwege het Typhoon-debacle, haastig geleerd kregen om niet raciaal te profileren. Een nogal wezenlijk onderwerp, maar de columnist Kuitenbrouwer vond het blijkbaar vooral een goed moment eens flink raillerend tekeer te gaan en eindigde met het volgende humoristisch bedoeld dialoogje tussen instructeur en politie-agent: ‘Wat zien wij hier?’ ‘Een skiënde neger?’ ‘Precies. Ik dank u wel.’[8]
  • In een recente column voert Youp van ’t Hek een evident fictieve ‘goede Turkse vriend’ op, iemand die op een politiek incorrecte manier spreekt maar een hartje van goud heeft. In de column gaat dat als volgt: ‘Erol zei meteen dat hij weet dat het woord neger ook niet meer mag, maar dat elke mongool een neger gewoon een neger noemt. Vandaar. Hij wilde voortaan best zeggen dat mensen met een verstandelijke beperking nooit oerwoudgeluiden maken naar mensen met een donkere huidskleur. Dat is politiek volkomen correct, maar het is een nogal brede zin die niet lekker je mond verlaat en het klopt niet. Mensen met een verstandelijke beperking doen dat namelijk wel in een voetbalstadion. Mongooltjes doen dat niet.’ [9]

Patroon 4: Als je de denkfout van racisten typeert, kun je het woord zelfs zonder aanhalingstekens gebruiken

  • In een column over islamfobie van Jonathan van het Reve werd de denkfout van racisten als volgt samengevat: ‘precies zoals racisten eraan voorbij gaan dat niet elke neger of jood hetzelfde karakter heeft.’ [10]
  • Nog een column over de aanhouding van Typhoon en de racistische reacties die dit weer opriep. Eerst gebruikt Arnon Grunberg het woord ‘neger’ nog met aanhalingstekens, maar ten slotte doet hij een voorstel waarin de term gebruikt wordt in de Swiftiaanse satirische trant van a modest proposal: ‘Laten we om te beginnen de A2 neger-, moslim- en Jodenvrij maken. Daarna volgen de andere snelwegen.’ [11]

Geciteerd racisme in journalistieke berichtgeving

Ten slotte: ingewikkeld vind ik journalistieke berichtgevingen over racistische incidenten, waar door de journalist zelf omstandig racistische uitspraken van derden geciteerd worden. Dat wordt vaak gedaan om te laten zien hoe ‘schokkend’ en ‘erg’ de uitspraken zijn, en ik zie wel in dat het soms van belang is écht het talige geweld te laten zien. Wel lijkt het me goed om bij ieder geval opnieuw de vraag te stellen wat citeren toevoegt – je zou op de redactie ook kunnen afspreken dat het bijvoorbeeld volstaat te melden dat Sylvana Simons vele racistische opmerkingen te verduren kreeg op social media zonder die opmerkingen zelf ook nog eens uitgebreid te citeren. Via het citaat blijven die uitspraken immers circuleren, wordt Simons nóg eens onderworpen aan gewelddadig taalgebruik.

Enfin, deze kwestie lijkt enigszins op de vraag hoe je omgaat met gewelddadige foto’s, en een eenduidige richtlijn is hier misschien niet te geven, of zal van geval tot geval verschillen. Persoonlijk zou ik het van een goede journalistieke ethiek vinden getuigen als de kranten in gesprek zijn met de personen die de afgelopen jaren slachtoffer zijn geweest van massale racistische scheldpartijen en hún positie (het gescheld wel of niet citeren) hierin leidend laten zijn.

Te gemakkelijk wordt vergeten dat ook degene die citeert een verantwoordelijkheid draagt. Het feit dat iemand anders ‘begon’, om het in schoolpleintaal uit te drukken, is niet altijd een excuus. De aanhalingstekens maken het uiteraard anders dan als je zelf heel direct de term in de mond neemt, maar daarmee ligt er nog steeds de verantwoordelijkheid heel zorgvuldig af te wegen of het citaat werkelijk nodig is.

 

* deze getallen zijn indicatief maar niet heel hard. LexisNexis mist ook artikelen als je op zoekwoord zoekt, evenals de krantensites zelf.

[1] Sylvia Witteman, ‘Bob en Daphne’, de Volkskrant, 28 mei 2016

[2] Willem Vissers, de Volkskrant, 25 januari 2016

[3] Frits Abrahams, ‘Juffrouw’, NRC Handelsblad, 15 maart 2016

[4] Frits Abrahams, ‘Zwarte, blote borsten’, NRC Handelsblad, 21 juni 2016

[5] Christiaan Weijts, ‘De Islam, de paashaas en tietjes’, NRC Handelsblad, 17 maart 2015

[6] Geachte redactie, de Volkskrant, 4 juni 2016

[7] Sylvia Witteman, ‘OQ een IQ’, de Volkskrant, 21 mei 2016

[8] Jan Kuitenbrouwer, ‘Huurmoordenaar in Canta’, NRC Handelsblad, 25 juni 2016

[9] Youp van ’t Hek, ‘Verstandelijk beperkt’, NRC Handelsblad, 30 april 2016

[10] Jonathan van ’t Reve, ‘Islamofobie: onzinnig begrip’, de Volkskrant, 14 mei 2016

[11] Arnon Grunberg, ‘Voetnoot’, de Volkskrant, 2 juni 2016

De carrousel van de goede bedoelingen: Sander van Walsum

Sander van Walsum schreef dit weekend in de Volkskrant een veelbesproken stuk over de vertwijfeling waaraan hij als witte man van midden vijftig ten prooi is gevallen, nu het racisme-debat zo hoog oplaait. Van Walsum gaat onder meer in op White Innocence van Gloria Wekker, die betoogt dat Nederland in de koloniale tijd een feliciterend zelfbeeld heeft ontwikkeld dat we ook na de koloniale periode nooit echt hebben losgelaten.

Het stuk van Van Walsum verscheen niet toevallig rond 1 juli, de dag waarop we als Nederland de afschaffing van de slavernij gedenken. Hij stelt in zijn stuk twee herdenkingen tegenover elkaar: 4 mei en 1 juli, en beweert dat de groepen die deelnemen aan deze herdenkingen weinig tot niets met elkaar te maken hebben:

Zo maakt het feit dat bij de Nationale Dodenherdenking per se kinderen van ‘zwarte scholen’ moeten opdraven op mij een nogal geforceerde indruk. Omgekeerd heb ik tot dusverre nooit de behoefte gevoeld om een bijeenkomst bij het Nationaal Monument Slavernijverleden bij te wonen. Dat zou een betrokkenheid – of schuldgevoel – vereisen waaraan het mij simpelweg ontbreekt.

Hier knipt Van Walsum op een dubieuze manier de samenleving op in twee groepen. Zoals de naam al zegt, is de Nationale Dodenherdenking een nationale aangelegenheid. Dat betekent dat eenieder die onderdeel is van onze natie bij die herdenking betrokken kan worden, ongeacht huidskleur of herkomst van de ouders. Ik kwam zelf uit een (overigens witte) klas waar helemaal niemand direct geraakt was door de oorlog: geen kinderen van oorlogsslachtoffers en geen kinderen van collaborateurs. Tóch leerden wij dat het belangrijk was om deel te nemen aan 4 mei. Als het goed is kweek je immers bij iedere nieuwe generatie de bereidheid om zich verantwoordelijk te voelen voor de collectieve daad van het herinneren. Daar is omgekeerd een samenleving voor nodig die állen gelijkelijk op die verantwoordelijkheid aanspreekt.

Misschien heb ik het destijds allemaal verkeerd begrepen, maar gedenken op 4 mei heeft volgens mij alleen zin als je moeilijke kwesties niet uit de weg gaat, zoals de nogal beschamende rol van Nederland in de Jodenvervolging. Waartoe dient stilstaan als je niet bereid bent na te denken over welke Nederlandse structuren en mentaliteiten deze tragedie toen mede mogelijk maakten? En hoe kwalijk zou het zijn om die zelfkritische reflex alleen aan witte kinderen over te dragen, omdat het “geforceerd” zou zijn er “zwarte scholen” (wat dat overigens ook moge wezen) bij te betrekken!

Ook in het Nationaal Monument Slavernijverleden zit het woordje “Nationaal” verborgen. Ik zie niet in wat hier het verschil is met 4 mei: het zijn toch beide beladen hoofdstukken uit de Nederlandse geschiedenis? Of het nu de Tweede Wereldoorlog of het koloniale verleden is, de bereidheid te aanvaarden dat er een collectief gedeelde verantwoordelijkheid is om ons een pijnlijk verleden te blijven herinneren is identiek.

Maar daar zit bij Van Walsum nu net de crux. Omdat hij weigert die collectieve verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het één, maakt hij van de weeromstuit van 4 mei ook een herdenking die alleen “bepaalde” groepen aangaat. Alsof het onmogelijk zou zijn een nationale collectieve herinneringscultuur te creëren waar voor beide geschiedenissen ruimte zou zijn.

Een retorische tweedeling

Dit creëren van een tweedeling gebeurt ook in het begin van het stuk, waarin Van Walsum kwistig het woord “neger” rondstrooit. Daarmee sluit hij retorisch precies die mensen buiten die – overigens al decennialang – in niet mis te staan bewoordingen hebben laten weten van dat woord absoluut niet gediend te zijn. Zij worden geacht dit woord tóch maar weer te slikken en door te lezen, en zo niet dan staan ze als lezers buiten de deur. Waarom houden Nederlandse journalisten als Van Walsum (maar ook Sylvia Witteman, Frits Abrahams en Youp van ’t Hek, en ongetwijfeld nog vele anderen) zo vast aan dat woord? Omdat ze zo blind overtuigd zijn van hun eigen goede bedoelingen, beschouwen ze het doen van fundamenteel racistische uitspraken juist als bewijs van het ontbreken van racisme? Ik had dit niet kunnen zeggen als ik het niet, uiteindelijk, goed bedoel. Ondertussen laat je als schrijver aan een segment van je lezers direct weten dat je ze compleet negeert, omdat je hun bezwaren tegen het woord (dat inhoudelijk niets toevoegt aan je stuk) terzijde schuift.

Dat Van Walsum niet wenst te onderkennen dat zonder fel activisme het racisme van Zwarte Piet nog altijd in de blinde vlek was blijven zitten, is eveneens symptomatisch. Feitelijk troost hij zichzelf met de gedachte dat witte Nederlanders heus niet ziende blind waren, en heus niet al te arrogant dachten: ik zie het probleem niet, dus is er geen probleem. Zo wordt dus ontkend dat het heel lang genegeerde ándere perspectief cruciaal is geweest om Nederland te doen inzien dat deze figuur moet veranderen.

Hij maakt bovendien zijn eigen “onschuldige” jeugdherinnering tot hét nationale verhaal – alsof er niet allerlei mannen van zijn leeftijd zijn die tegenovergestelde herinneringen hebben aan het Sinterklaasfeest en vooral aan de racistische grappen die ze dankzij Zwarte Piet hebben moeten verduren. Waarom vertegenwoordigt zijn herinnering een “nationale” en “collectieve” herinnering en is daarin geen enkele ruimte voor de kindertijd-herinnering van die mensen die toen al voor Zwarte Piet werden uitgescholden?

Van Walsum slaat daarnaast het antiracistisch activisme uit de jaren tachtig en negentig volledig over, activisme dat toch van mede-Nederlanders kwam en net zo goed onderdeel is van ons collectieve verleden als Van Walsums herinneringen. Als er dan toch aan journalistieke zelfkritiek gedaan moet worden, dan ben ik eerlijk gezegd nieuwsgieriger naar hoe hij nu terugkijkt op zijn handelen als journalist in de jaren tachtig en negentig, dan zijn sentimentele verslag van een kindertijd waar hij nog over het kroeshaar van de ‘goedlachse’ George uit Tanzania mocht aaien.

Goede bedoelingen?

Ten slotte dit. Er zit een grote tegenstrijdigheid in het hele stuk. Ja, zegt Van Walsum, nu ik Wekker gelezen heb, zie ik wel dat het goede-bedoelingen-denken waarmee ik ben opgegroeid door en door paternalistisch en dus racistisch was. Echter: door de worsteling  van zijn generatie, van “de samenleving waarin ik ben opgegroeid” (alsof die samenleving toen een homogeen geheel was…) zo centraal te stellen wordt wederom het goede-bedoelingen-denken nieuw leven in geblazen, van de vijftiger Van Walsum in het heden dit keer. Immers: wie bezwaar aantekent tegen zijn woordgebruik en retoriek is af, omdat die lezer niet bereid zou zijn om de auteur een beetje krediet te geven. Zien we dan niet dat hij het goed bedoelt? En zo wordt er dus lippendienst bewezen aan de analyse van Wekker, om vervolgens de relatie tussen tekst en lezer precies te baseren op de “goede intenties van de witte man” waar Wekker haar kritische analyse op heeft gericht. Noem me een party pooper, ik vind niet dat we in het anti-racisme debat zo bijzonder veel progressie boeken.

 

Drie nog niet geschreven essays over Astrid Roemer

roemerAstrid Roemer ontvangt vandaag de PC Hooftprijs en mijn leesbril krult van genoegen. IJverig als ik ben, ging ik eens op zoek naar een academische studie (in boekvorm) geheel gewijd aan haar werk.* Die blijkt er niet te zijn, ook geen kleine collectie van meer toegankelijke essays. Wel losse artikelen, en daarbij valt op dat ze door academici vaak in Engelstalige onderzoeken naar Caraïbische literatuur genoemd. Dat is mooi, maar een cultuur die zichzelf serieus neemt zou ook in de eigen taal volop over een auteur van het kaliber Roemer moeten publiceren.

Ondertussen zijn er natuurlijk wel al decennialang dagblad- en tijdschriftkritieken (en essays) over haar werk geschreven. Al grasduinend las ik hier dingen die scherp en goed waren, daar wat meer obligate recensies – misschien niet heel anders dan bij andere auteurs. Toch bleef ik peinzen over de vraag waar de grotere overzichten van haar oeuvre blijven. Het lijkt alsof er in de ontvangst van Roemer drie complexe thema’s samenkomen. Ieder apart zijn  het al ingewikkelde kwesties, en bij de kritische receptie van Roemer spelen ze allemaal tegelijkertijd. Ik vermoed dat dat een  diepgaander gesprek over haar werk bemoeilijkt. Laat ik proberen deze drie thema’s aan te stippen. Als een opening voor drie nog niet geschreven essays.

[1] Geestelijke pijn en hoe deze te begrijpen

De eerste kwestie is die van geestelijke pijn en hoe deze te begrijpen. Roemer draagt haar prijs op aan Bea Vianen, Edgar Cairo en Anil Ramdas. Drie Surinaamse schrijvers die ten onder gegaan zijn aan geestelijk lijden. Het punt dat Roemer hiermee maakt is, zoals ze het beschreef in een interview in NRC op 16 mei jl.: “Wat er met die mensen is gebeurd, dat kan niet alleen met hun karakters te maken hebben. Dat moet ook hun habitat zijn geweest.”

Geestelijk lijden, al dan niet in een te diagnosticeren vorm, wordt over het algemeen niet begrepen als ook een zaak van de habitat – buiten de habitat van het directe gezin, meer bepaald: de vader en de moeder. Het wordt gezien als een apolitieke, puur persoonlijke zaak. Dit is in ieder geval in Nederland het algemene beeld. In de VS heb je een substantiële traditie van psychiaters en psychologen die zich hebben beziggehouden met de invloed van racisme op geestelijk welbevinden (nou ja, het gebrek eraan), zie hier voor een kleine introductie.

Geestelijk lijden wordt zo een gemakkelijke bliksemafleider. De lezer hoeft zich niet te verhouden tot die habitat en de omstandigheden die het geestelijk lijden mede veroorzaakt hebben, maar kan zeggen: deze vrouw heeft hulp nodig, ik hoef haar verder niet serieus te nemen en haar werk niet als betekenisvolle literatuur tot me te nemen. Vergelijk hoe zoiets gaat bij witte mannelijke schrijvers: W.F. Hermans’ neurosen werden eerder bewonderd en  gevreesd dan dat ze afbreuk deden aan zijn reputatie. Over de wanen van J.J. Rousseau zijn bibliotheken volgeschreven. Maarten Biesheuvel schreef regelmatig over zijn psychosen, en kon daarbij altijd op empathie rekenen. Men leek het vooral enorm te waarderen dat hij zich zo kwetsbaar durfde opstellen. Geheel terecht, die empathische reactie, dat wil ik graag benadrukken als het over dit onderwerp gaat.

Bij auteurs als Rousseau, Hermans en Biesheuvel wordt onmiddellijk erkend dat de relatie tussen literair schrijven en geestelijk lijden buitengewoon complex is, en dat de complexiteit van deze relatie tegelijkertijd inherent onderdeel is van het schrijverschap zelf. Er wordt veel moeite gedaan deze kwesties niet te reduceren tot een eenvoudig te diagnosticeren ‘ziektebeeld’, een diagnose die vervolgens tot de sleutel van de tekst kan dienen. (Vergelijk: we zullen ‘Hermans leed aan achtervolgingswaan en dus schreef hij zoals hij schreef’ verwerpen als een banaliteit, en terecht). Het zou goed zijn als precies zo’n aandachtig besef van complexiteit de norm wordt bij schrijvende vrouwen en auteurs van niet-westerse afkomst.

[2] Postkoloniale auteurs en hoe zij de neutraliteitsillusie verstoren

Dan een andere kwestie. Nederland is notoir slecht in het onderkennen van verschillen in machtsposities. We opereren het liefst vanuit de illusie dat er geen structurele verschillen zouden zijn tussen sociale milieus, of tussen voormalige koloniale machthebbers en voormalige kolonies; tussen het cultureel kapitaal dat de een meekrijgt of de ander. Het koloniale verleden herinnert er ons echter onvermijdelijk aan dat áls ‘wij Nederlanders’ al egalitair waren, we in ieder geval óók nog iets heel anders waren.

Nederland heeft het koloniale verleden nog altijd als een graat in de keel zitten – we denken er aan ‘voorbij’ te zijn maar dieper inzicht in de doorwerking van dat verleden ontbreekt vaak. Ik noem hier slechts één voorbeeld dat meespeelt in de ontvangst van auteurs uit Suriname en de Caraïben (zonder te willen suggereren dat dit het enige probleem zou zijn): de omgang met de taal. Wie in het in centrum van een monotalige cultuur opgroeit denkt wellicht dat de moedertaal een ‘neutraal’ en ‘vanzelfsprekend’ instrument is, een onbeslagen vensterruit om door te kijken. Maar in het koloniale systeem was het Nederlands een cruciaal machtsinstrument, en tegelijkertijd ontstonden er juist in die koloniale samenlevingen meertalige culturen. Alleen al daarom is in postkoloniale landen zoals Suriname de taal (of beter gezegd, zijn de talen) altijd zichtbaar geassocieerd met meervoudige identiteiten, en is taal iets dat zich nooit ‘vanzelfsprekend’ in een neutrale ruimte bevindt.

Bekroningen van auteurs als Roemer en eerder ook Antoine de Kom worden vanuit Nederlands perspectief vaak ervaren als politieke en ideologische keuzes. Alsof iemand wasemt op ons mooie heldere vensterruitje. Dat roept soms regelrechte woede en rancune op (zie hier en hier). Maar je moet wel in het centrum van de culturele macht zitten om in een neutraliteitsillusie te kunnen leven. Het is een luxe niet te hoeven zien hoe die neutraliteitsillusie rust op in het verleden gecreëerde politieke machtsverhoudingen. Een bekroning voor iemand uit ‘de marge’ verstoort de mythe van het egalitaire Nederland waar we taal gebruiken om lekker ‘direct’ en ‘helder’ met elkaar te spreken.

Het gesprek gaat dan al snel over ónze wrevel, ónze weerstand, óns gevoel dat hier wellicht ‘politiek-correcte’ motieven meespelen. Wat de auteur zelf geschreven heeft over leven in tijden van postkoloniale bodemverschuivingen verdwijnt achter de horizon.

[3] Engagement voorbij het universalisme-dogma

En dan is er nog een derde kwestie: Roemer wordt een geëngageerde auteur genoemd en ik ben het daar niet mee oneens, maar het etiket ‘literair engagement’ lijkt meestal meer misverstanden op te roepen dan helderheid te scheppen. Vaak loopt in Nederland de redenering als volgt: politieke stellingname staat haaks op literaire kwaliteit want engagement verzandt al snel in drammerig pamflettisme. Engagement is pas te prijzen als de auteur een dergelijk pamflettisme weet te overstijgen, bijvoorbeeld door de thematiek op een universeel niveau te tillen.

Het universele wordt dus hoger aangeslagen dan het particuliere, en literaire vorm staat tegenover inhoudelijk engagement. Maar waarom? Dat wordt eigenlijk nooit uitgelegd, hier stuiten we op een literatuurkritisch dogma. Deze week vond ik in de boekenbijlage een interessante case in point: Rob van Essen was in NRC negatief over Harry Parker omdat in diens autobiografische oorlogsroman de oorlogservaring niet ‘universeel’ wordt gemaakt en de auteur nalaat iets te zeggen over de ‘condition humaine’. Ik kon de recensent hier volstrekt niet volgen: ik lees zo’n roman juist om dichter te komen tot die ene oorlog in Afghanistan. Die universele condition humaine kan ik missen, die heb ik thuis al in overschot.

Zo ook Roemer, bij wie critici altijd haastig vermelden dat het weliswaar over Suriname gaat, maar dat het dat ‘overstijgt’ omdat het ook iets ‘universeels’ aan de orde stelt. Altijd kromme tenen als ik zoiets lees. Alsof er twee mogelijkheden zijn: ofwel een boek is geëngageerd, en dan wordt er een politieke theorie uitgedragen en/of op een particuliere situatie geplakt; ofwel een boek is niet geëngageerd, en dan is de toon lyrisch, komen er sprookjes en mythen in voor, en ligt de nadruk op universele emoties (liefde, spijt, onmacht) – en het geniepige gebeurt wanneer dit wordt omgedraaid: dit is een lyrisch boek en dus is het niet geëngageerd. Gorter schrijft liedjes en dat is niet zijn geëngageerde kant. Roemers landschap is ‘mythisch’ (zoals Arjen Peters in de Gids schreef (25-6-2015/2015, nr 3) en dat behoort niet tot de geëngageerde kant van haar boeken.

Kortom, lieve recensenten, essayisten, Neerlandici en lezeressen (M/V) van Nederland, het werk van Astrid Roemer vraagt  om goede beschouwingen, maar misschien ook om reflectie met welke aannames er doorgaans gelezen en geduid wordt.

Maar nu eerst: vlag uit! Taart! Hoera voor Roemer, en hoera voor de jury, die net als ik vast hoopt dat het denken en schrijven over haar werk met deze bekroning een vlucht zal gaan nemen.

 

* Een twitteraar herinnerde me aan dit boeiende artikel van Isabel Hoving. Leestip!

 

Toverstaf en Tijdmachine: hoe ons literatuuronderwijs vrouwen buitensluit

Op de website van De Groene Amsterdammer is een stuk van mijn hand gepubliceerd over de canon op de middelbare school en de gebrekkige positie die vrouwen daarin innemen.

 

Toverstaf en Tijdmachine: hoe ons literatuuronderwijs vrouwen buitensluit

Onlangs keek ik met Alice, mijn nichtje van zeventien, naar The Time Machine, een verfilming uit 1960 van het gelijknamige boek van H.G. Wells. Op zeker moment geeft de tijdreizende mannelijke wetenschapper een lange uiteenzetting aan een hoogblonde en hoogst onnozele jonge vrouw. Met knipperende ogen kijkt ze naar hem op en verzucht: ‘I do not understand you, but I believe you! Een bulderend gelach steeg op uit de keel van Alice. Het vrouwbeeld uit de sciencefictionfilm bleek allesbehalve futuristisch, maar ’t product van jaren-zestigseksisme waar zelfs een zeventienjarige tegenwoordig onmiddellijk doorheen prikt.

Gek toch, dacht ik later, dat in het specifieke geval van The Time Machine het seksisme zo zichtbaar was. Meestal vliegen stereotypen gemakkelijk onder de radar. Met literaire klassiekers ligt het helemaal ingewikkeld: daarbij wordt het vaak als een aantasting van het grote werk en de grote kunstenaar gevoeld als je vaststelt dat er tijdgebonden vooroordelen in voorkomen.

Lees verder op de website van De Groene Amsterdammer