Young Boys Network: #lekkertellen week 42

Lieve Lezers & Lezeressen,

Nog één (twee?) nachtje(s) slapen en dan weten we of de nieuwe wereldleider een vrouw zal zijn, dan wel een sadistische kleuter who would love to watch the world burn. Maar voor het zover is, eerst iets over politiek in het klein: aanstellingspolitiek bij krantenredacties.

Via de social media bereikte mij het bericht dat de NRC-boekenbijlage een nieuwe boekenredacteur heeft aangesteld. Het is de vierde jonge witte man op rij die daar een plek krijgt. Kijken we naar bijvoorbeeld de Groene Amsterdammer, dan zien we dat ook daar veelal mannelijke critici schrijven. En bij de Volkskrant? Een vrouw staat er aan het roer, maar de vaste redacteuren zijn mannen (Erik van den Berg, Arjan Peters), net als veel freelancers (bijvoorbeeld Olaf Tempelman). Vrij Nederland, Parool: we kennen de patronen.

Het is, kortom, niet alsof er een tekort is aan mannelijke boekenredacteuren in ons Vaderlandje. En het behoeft geen uitleg dat degenen met een vaste aanstelling meer invloed hebben dan de freelancers, meer zullen schrijven en zo ook het ‘gezicht’ van het boekenkatern bepalen. Daar komt nog bij dat voor sommigen de boekenredactie een instap is om door te groeien naar allround essayist die ook politieke onderwerpen onder de loep neemt.

Het gaat mij niet om de individuele kwaliteiten van de personen in kwestie. Die zullen meer dan in orde zijn. Het gaat mij ook niet om de eenvoudige aanname dat een vrouw, of een persoon met een biculturele achtergrond, direct ook inhoudelijke diversiteit meebrengt, terwijl deze jonge mannen dat niet zouden kunnen doen. Maar het is natuurlijk wel een verschil of diversiteit een van de onderwerpen is waar je over schrijft, of iets waar je niet omheen kunt. De afgelopen tijd heeft de NRC-boekenredactie veel aandacht besteed aan het diversiteitsdebat. Samen met andere deskundigen werd ik geïnterviewd over de vraag hoe de kritiek er uit zou zijn als er meer vrouwen criticus zouden zijn. Amatmoekrim kwam aan het woord over ‘cultural appropriation’. Arjen Fortuin schreef een gewetensvolle column over de neiging van critici om in jury’s te gaan zitten en er geen been in te zien aan zeer nabije collega-critici prijzen uit te reiken.

De repliek van Jamal Ouariachi op deze jureringskwestie was: de literaire wereld is nu eenmaal klein. Alsof die kleinheid een natuurgegeven is! Neen, de literaire wereld maakt zichzelf klein. Want was er met een openbare advertentie geworven voor een nieuwe literaire redacteur? Heeft NRC gepoogd in zo breed mogelijk kring kenbaar te maken dat ze een plaats vrij hadden en wílden ze ook werkelijk iets doen aan de interne diversiteit? Misschien wel en  is mij dat volledig ontgaan. Toch vrees ik soms dat  de ‘kleinheid’ van het eigen netwerk nog altijd niet als voldoende urgent gevoeld om het net breder uit te werpen, ondanks alle stukken die er tegelijkertijd aan het onderwerp diversiteit gewijd worden. If you talk the talk, walk the walk!

Het betekent wel dat de Nederlandse literaire wereld bereid moet zijn om uit de eigen comfort zone te stappen. Toen Sylvana Simons in mei 2016 bij DENK ging, twitterde een gezaghebbend criticus guitig dat hij jaren geleden Simons had geïnterviewd toen ze haar boekenprogramma Kaft had. Ze kon van ‘de Grote Drie niet 1 favoriet boek noemen’. (Overigens is het interview op LexisNexis na te lezen. Simons roemt daarin Nescio, en zegt alleen van W.F. Hermans niets gelezen te hebben. Dat het werk van Reve bol staat van het expliciete racisme en daarom allicht niet direct voor ‘favoriet boek’ in aanmerking kwam, was helaas geen onderwerp in het interview). De criticus zag de Grote Drie als ultieme maatstaf voor belezenheid, zodat de vraag niet eens gesteld werd of Simons er toevallig een andere canon op nahoudt, waarin, ik noem maar iets geks, Bea Vianen, Edgar Cairo of Toni Morrison de absolute must reads zijn. Waarmee ik maar wil zeggen: als je één stap buiten Nederland zet weet niemand meer wie de Grote Drie zijn – misschien ook goed om te beseffen en de criteria voor belezenheid net ietsjes ruimer te nemen. Een diversere staf betekent niet automatisch, maar wel zeer waarschijnlijk, ook dat je een redactie krijgt met een ander cultureel referentiekader. Dan gaan ook de lacunes en al te gemakkelijke aannames in het éigen referentiekader meer opvallen.

grote3fruitmachine

Zo’n aanstelling heeft bovendien een nog breder effect. Alle jonge vrouwen die nu een letterenstudie volgen hebben geen jonge vrouwelijke boekenredacteur (mét vaste aanstelling) tot voorbeeld. You can’t be what you can’t see, (#UcantBwhatUcantC, zoals Janneke van Heugten twittert). De jongens die zo’n studie volgen hebben voorbeelden te over. En wat schetst onze verbazing? Jonge mannelijke studenten voelen zelden enige belemmering om te gaan recenseren – je hoeft de literaire tijdschriften maar open te slaan en te zien wie daar in schrijven. Voor jonge vrouwelijke studenten is het vermoedelijk vaak wel een grote stap, want al zijn ze in de meerderheid in de collegebanken, als jonge scribenten zie je ze veel minder. Wellicht ligt hier een taak voor het onderwijs, maar óók voor de redacties, anders kan dit patroon zich iedere generatie opnieuw herhalen.

Ondertussen twitterde de kersverse nieuwe mannelijke redacteur een foto van de NRC-redactie, alwaar een meer dan levensgroot portret van Reve hing. Die ongetwijfeld zag dat het goed was. Ik schonk mezelf nog wat rode port in en zakte ondertussen diep weg in mijn chesterfield.

Lieve lezers, ik geloof dat ik soms mijzelf stiekem op de gedachte betrap: schrijf dan maar liever niet over diversiteit. Is het gewoon een onderwerp waarmee je kunt bewijzen dat je ‘bij de tijd’ bent? Dat je heus weet hoe de wind waait? Maar ondertussen draait de wereld gewoon door en blijft het jongensclubhuis nog altijd intact. Zonder structurele veranderingen nu, zijn we over een paar jaar weer terug bij af, wanneer het onderwerp diversiteit niet meer hip & happening is en weer als marginaal p-c geneuzel wordt weggezet. Al deze argumenten zijn namelijk in de jaren tachtig en negentig ook al over tafel gegaan, en er is sindsdien een hoop veranderd, maar toch ook nog een hoop niet of te weinig.

Grote Drie-alarm-jackpot. Dacht u dat met de Reve-poster op de NRC-burelen het Grote Drie nieuws van deze week #lekkertellen wel op zou zijn? Dan gaat u niet door voor de koelkast. De Grote Drie-fruitmachine geeft namelijk de mega-super-jackpot deze week: in de van mannen vergeven boekenbijlage van de NRC heb ik Hermans, Reve en Mulisch allemaal op een rij. De bijlage opent met Arjen Fortuins column die, ondanks dat een zombiebewerking van Max Havelaar de aanleiding is, de dubbelgangers Osewoudt en Dorbeck in de titel, die overigens ook al door mannelijkheid zijn geobsedeerd (ziet u, ook ik veronderstel hier enige kennis van het oeuvre van de machtige [vul hier naam in]). Nog op dezelfde openingsspread neemt Frank Westerman het Genie Reve als aanleiding voor zijn betoog over feit en fictie in zijn Verweylezing, die in ingekorte versie is afgedrukt. Helemaal achterin treffen we dan eindelijk Mulisch: zijn voormalige uitgever Robbert Ammerlaan publiceerde een voorproef van zijn biografie over Mulisch, die weinig meer lijkt te doen dan de Mulisch-mythe te omarmen. Ik zin om op middelen om mijn jackpot prijzengeld nuttig te besteden en de drie zuilen waarop de Nederlandse republiek der letteren gebouwd is omver te werpen.

In Het Parool zelfs een zwijmelende opening over het boekje van Ammerlaan, dat enkel bedoeld is om de fans warm te houden voor de geplande Grote Biografie. Interessantste detail: ‘Nee hij was geen groot lezer, en geen groot brievenschrijver.’ Waarom verbaast me dat nou niet? Maar het wordt erger, Maarten Moll dist ook nog een ‘smakelijke’ anekdote op in zijn eigen column over het voorstel per brief aan Bomans door Mulisch voor een duel ‘op de vrouw’ (bij voorkeur een tweeling); om de door Mulisch verspreide geruchten over impotentie bij de gepikeerde Bomans te ontzenuwen en er meteen een wedstrijd van te maken. Was natuurlijk niet in ernst van Mulisch. Grappig hè?

Opmerkelijk: witte vrouw met zwart perspectief. Christine Otten mengt zich in de discussie over culturele toe-eigening naar aanleiding van de lezing van Lionel Shriver (die stelt dat de schrijver alle personages mag opvoeren die ze maar kan gebruiken – een ander perspectief aannemen is als het wisselen van hoedje) en Karin Amatmoekrim (die van mening is dat het niet zonder meer mogelijk is voor witte schrijvers om zich in een zwart perspectief te verplaatsen). Zelf heeft Otten namelijk net (opnieuw) een boek gepubliceerd waarin ze schrijft vanuit een zwart perspectief, We hadden liefde we hadden wapens en ze voelt de noodzaak uit te leggen waarom. Nu vind ik de kop van het stuk niet tactvol – het n-woord komt erin voor terwijl er ook ‘zwart perspectief’ o.i.d. had kunnen staan – maar Ottens stuk zelf is een stuk genuanceerder. Hoewel Otten wat snel terugvalt op identificatie met haar zwarte personage (in de moeilijke zwarte vader herkent ze haar eigen problemen met haar psychotische vader) en een wel erg groot vertrouwen in de literatuur stelt (de schrijver kan zich volgens haar eigenlijk overal in verplaatsen), stelt ze zichzelf de nodige voorwaarden voordat ze een ander hoedje opzet. Een respectvolle omgang met het personage en zijn of haar geschiedenis staat daarbij centraal: Otten sprak met haar hoofdpersonages (gebaseerd op echte mensen) en verdiepte zich in hun culturele bronnen. Dat dit voor haar essentieel is, illustreert het verschil met Shriver, die in haar voorbeelden van gekleurde personages vooral benadrukt dat ze zo handig zijn als instrumentele plotelementen. Daarbij lijkt het me ook niet onbelangrijk dat Otten ook buiten de grenzen van de fictie practices what she preaches: tijdens haar literaire avonden (Bijlmer Boekt) is ze zelf weliswaar de showmaster, ze geeft het podium aan gekleurde auteurs met verschillende achtergronden waarbij ze ook nieuwe stemmen een kans geeft.

Gekkigheid: reversed sexism. Elfie Tromp schrijft in Vrij Nederland een reportage over de Frankfurter Buchmesse en Mano Bouzamour (wiens achternaam ze foutief spelt als Benzakour): ‘Mano is een schrijver waar andere schrijvers graag op afgeven; met zijn parelwitte glimlach, sixpack en suède schoenen lijkt hij het succes aan zijn gespierde kontje te hebben hangen.’ Uhm, een schrijver reduceren tot een geseksualiseerd lichaam? Ik zie hier niet onmiddellijk de feministische winst van in.

Dieptepunt: heel weinig vrouwen in NRC. Het is een slechte week voor NRC. In de bijlage blijft het percentage besproken auteurs en het percentage recensenten ver onder de 25% bungelen.

Dieptepunt verdiept zich: fashionshoot in vermomming als interview. Ik ga nog even door over NRC, want de maandelijkse bijlage Het Blad van stond in het teken van schrijvers (en van dingen die je kunt kopen en eten, zoals altijd). De besproken auteurs: 7 mannen, 2 vrouwen. Er staan dus wel wát vrouwelijke auteurs in, maar op de covers staan 3 mannen, de grote stukken zijn gewoon aan mannen gewijd of door mannen geschreven (er is een groot interview met Ian McEwan, een reisverhaal van Auke Hulst over Ernest Hemingway en een voorpublicatie van Christiaan Weijts).  

Het aantal vrouwelijke recensenten is daarin aanzienlijk hoger dan in de reguliere bijlage: 2 mannen, 7 vrouwen (Hulst en Weijts zijn daarbij als ‘recensent’ geteld, omdat zij de schrijvers van de stukken zijn en niet het onderwerp, Ernest Hemingway is als gerecenseerde auteur geteld). Het hoge aantal vrouwelijke recensenten komt vooral vooral doordat moderedacteur Milou van Rossum haar hart mocht ophalen door ‘s lands schrijvers aan te kleden en leuk neer te zetten in hun natuurlijke werkomgeving. Een klein interviewtje ernaast over wat ze graag dragen als ze schrijven en hop, de reclame voor Uniqlo zou bijna ongemerkt voorbij gaan (maar toch niet helemaal, want zelfs ik begon me af te vragen of ik mijn Peter Hahn-gids in kan leveren omdat het Japanse Uniqlo binnenkort een winkel in Amsterdam zal openen). Ik stel voor om Het Blad om te dopen tot De Lifestyle, net zo obligaat, maar veel toepasselijker.

Op de bodem van het putje. Géén (nul, 0%) vrouwelijke recensenten in Het Parool. En een hele duidelijke oorzaak: A) de besproken poëziebundel is mede samengestelde door Dieuwertje Mertens, die meestal de poëzie bespreekt, B) de laatste kolom die normaal voor jeugdliteratuur is gereserveerd werd nu gevuld met bovenstaande anekdotes van Maarten Moll over Mulisch. Tjsa.

schermafbeelding-2016-11-07-om-23-02-30