#lekkertellen 45: Ironie als troostdekentje

Lieve lezers en lezeressen, voordat ik in de boekenbijlages duik (ik waarschuw nu alvast: als u niet tegen het geluid van het G3-alarm kunt, plaats dan vanaf de vierde alinea uw handen over uw oren) sta ik kort stil bij twee #lekkertellen-dieptepunten buiten de kranten en tijdschriften om.

Dieptepunt #1: de Tsjechische EU-commissaris Vera Jourova maakte deze week bekend dat een kwart van de Europeanen vindt dat seks zonder toestemming (lees: verkrachting) geoorloofd is als de vrouw dronken is, provocerend gekleed is, niet heel duidelijk nee zegt of zich niet verzet.

Dieptepunt #2: Radio 2 maakte deze week de complete lijst DJ’s bekend die dit jaar de Top 2000 zullen presenteren. Voor het eerst in 18 jaar wordt het populaire radioprogramma mede door vrouwen gepresenteerd. Hoera? Nou… Evelien de Bruijn en Marisa Heutink zijn de enige twee vrouwen (tegenover 9 mannelijke DJ’s) and guess what, ze hebben de geweldige, levendige, goed beluisterde timeslots toebedeeld gekregen van 00:00 tot 02:00 uur en van 02:00 tot 04:00. Uit solidariteit zal ik mijn best doen mijn ogen op te houden wanneer ik van onder mijn fleecedekentje de middelbare wittemannenmuziek door probeer te komen.

En dan nu, een volledig G3-alarm!

De biografie van Boudewijn Büch is all over de boekenbijlagen en daarmee ook de ‘Reve-tapes’, de opnamen van een interview met Gerard Reve uit 1983 die Büch-biograaf Eva Rovers mocht beluisteren. En wat blijkt: Büch had de racistische opmerkingen van Reve niet verzonnen (goh).

 

lekkertellen 45 - reve rebus
Figuur 1. De ReveRebus

Reve was aanhanger van de negentiende-eeuwse koloniale mythe van het ‘lege land’. Europese kolonisten beweerden dat vóór hun kolonisatie Zuid-Afrika grotendeels onbewoond was en dat er van gestolen land door dus geen sprake kon zijn. Het latere Apartheidsbewind maakte gretig gebruik van deze mythe (Reve: “De legende is dat er blanke overheersers naar Zuid-Afrika kwamen om de bruine en de zwarte mensen te onderdrukken. Dat is helemaal niet waar. De blanken vonden een totaal leeg land!”).Ook onderschreef Reve het standpunt van het Zuid-Afrikaanse Apartheidsbewind dat de zwarte bevolking democratie niet ‘aankon’. Stemrecht aan ze geven zou het einde van de democratie betekenen “Als je die zwarten en kleurlingen laat meestemmen, heb je direct de laatste verkiezingen.”

Ik ben Zuid-Afrika-kenner noch Revoloog, maar mij lijkt het dus evident dat Reve hier ideologische standpunten van het Apartheidsregime overnam. Misschien iets om eens een eerlijk debat over te hebben, als literaire wereld? Ik vrees echter nu al dat het debat (mocht er al een debat van komen…) blijft steken in de vraag of Reve het nu wel of niet ironisch bedoelde. Bert Wagendorp geeft er in zijn Volkskrant-column alvast een creatieve draai aan: ook als Reve in ernst al die dingen beweerd heeft, dan valt het de Nederlandse intelligentsia te prijzen dat ze zijn uitspraken altijd ironisch hebben opgevat, want daarmee zou Reves racisme onschadelijk zijn gemaakt. Racisme ironisch opvatten zou volgens de columnist een veel verstandiger strategie zijn dan die van hedendaagse anti-racisme activisten, die altijd alles ernstig nemen en mensen vervolgens ‘op de strontkar door het land rijden’. Hij stelt voor om ook alles wat Wilders zegt ironisch op te vatten. Ironie als een soort magisch schild tegen racisme: volgens mij zijn we hier eerder in het domein van het wensdenken dan in dat van de concrete analyse.

mm-week-47-meme
Figuur 2. Alanis Morissette en Grumpy Cat leggen het nog één keer uit.

Ten overvloede: een eerlijk debat over ideologische pijnpunten bij een literaire auteur is niet hetzelfde als de strontkar. In de nieuwe biografie van Piet Mondriaan wordt zijn antisemitisme ook onomwonden behandeld – het doet niets af aan de vernieuwing die Mondriaan in de schilderkunst bracht.

Dan, doorrrr naar W.F. Hermans. Criticus Edwin Krijgsman beweert in de Volkskrant over het vierde deel van Elena Ferrante’s Napolitaanse romancyclus dat ze op “Hermansiaanse wijze met het motief van het contrast” speelt. Fijn dat Krijgsman het contrastrijke olijke duo Dorbeck/Osewoudt ongetwijfeld vers in het geheugen heeft, maar helaas valt de manier waarop Ferrante nauwkeurig blootlegt hoe diep seksisme en patriarchale systemen ingrijpen in twee vrouwenlevens in de recensie vrijwel geheel weg.

Maria Vlaar schrijft in De Standaard over de rondleiding die ze van Robbert Ammerlaan kreeg door de werkkamers van Harry Mulisch, in het kader van Zijn eigen land, een tussenboekje van Ammerlaan voor de echte biografie, over vondsten uit de parafernalia uit Mulisch’ nalatenschap. Vlaar zit duidelijk in een spagaat, enerzijds die van de bewondering (of in ieder geval een vorm van eerbied), anderzijds zit ze — als vrouwelijke critica? — in haar maag met des schrijvers aperte vrouwonvriendelijkheid:

Wat ook opvalt in de boekenkast: op het eerste oog geen enkele vrouwelijke schrijver. De rol van de vrouw in Mulisch’ leven is een ander thema dat de biograaf nog wel wat hoofdbrekens zal kosten. De man die in zijn sporadisch bijgehouden dagboeken opschept dat hij met drie vrouwen per dag naar bed gaat (19 mei 1958: ‘Namiddag T. wederom en dadelijk weggewerkt.’) en halverwege de jaren 70 een feest geeft om zijn tweeduizendste verovering te vieren, liet geen vrouwen toe tot de discussies in de ‘herenclub’ waarmee hij eens per week dineerde, en heeft verder ook geen hoge dunk van de intellectuele vermogens van vrouwen.

Het zal mij benieuwen hoe deze kant van Mulisch er in de biografie van af zal komen. Kleine voorspelling: frivole literaire playboy met pijp.

Laat ik eindigen met een hoogtepunt: Mineke Bosch maakt in De Groene Amsterdammer met deskundige voortvarendheid gehakt van Ewald Engelens De mythe van de gemaakte vrouw. Engelen dacht in zijn boekje ‘het’ feminisme kritisch onder de loep te nemen, maar Bosch wijst feilloos op zijn blinde vlekken. Een paar malse brokjes uit de bespreking:

[W]at hij hap-snap over De Beauvoir te berde brengt oppervlakkig is en tegenstrijdig. […] Dat [verwijt van machtsbeluste mantelpakjesfeminisme – LdV] is er zo helemaal naast, en het is een zo ongelooflijk neerbuigend oordeel over al die pogingen om overal de genderverhoudingen te veranderen dat het mij direct deed denken aan de verbeten aanvallen van onze grote socialistische voorman Troelstra op de burgerlijke feministen rond 1900.

Burn, zoals we in de 21e eeuw zeggen.

Ten slotte de cijfers van deze week:

mm-week-47-tabel

 

 

#lekkertellen week 44: Arnon, je haar waait

Lieve Lezeressen en Lezers,

Terwijl een stormdepressie door het land trok met windstoten van soms wel 100 km/uur, was in het literaire landschap zoals gewoonlijk geen zuchtje wind te bekennen. De Jan Campert-Stichting bekroonde naar oud gebruik vier mannelijke schrijvers van middelbare leeftijd (of ouder), geprezen om de ironie en troosteloosheid in hun werk. Dit ter aanvulling op de lijst van laureaten die toch al overwegend uit mannen bestond.* In de meeste boekenbijlagen, zoals iedere week, vooral veel mannen over mannen, weliswaar met hier en daar het verfrissende geluid van een vrouwelijke stem (maar niet koel genoeg om de halfnaakt poserende Grunberg zijn kleren terug in te jagen, zie onder).

Wat de cijfers betreft wilde ik u deze week toch enige verandering presenteren en daarom heb ik de kolommen in de tabel maar eens omgewisseld: ladies first en daarna pas het mannelijk geslacht.

*Sad Fact: sinds 1947 zijn de Jan Campert-prijzen 282 maal uitgereikt, waarvan drie keer aan een organisatie, 226 keer aan een mannelijke auteur en slechts 53 keer aan een vrouwelijke schrijver (waarvan 15 keer in de categorie jeugdliteratuur). In percentages: 19% vrouwen, 80% mannen, 1% organisaties.

Fun Fact: de nieuwe jury van de VSB Poëzieprijs volgt duidelijk een andere koers en nomineerde afgelopen week drie vrouwen en twee mannen. Kunt u zich voorstellen hoe opgetogen mijn nichtje Vivianne was over deze resultaten!

tabel-week-44

Dieptepunt: op de achterkant van De Morgen schrijft kunstenaar, danser en filosoof Elisabeth van Dam over Van Ostaijens sjimpansee, en strooit ze vrolijk rond met het n-woord, alles in ‘gedurfde’ sfeer.

Gemiste kans: NRC organiseert deze week een poëzievertaalwedstrijd maar helaas zijn alle vijf afgedrukte gedichten ter vertaling van een man, te weten James Joyce, Bob Dylan, Peter Rühmkorf, Louis Aragon en Frederico Garcia Lorca. De vertaalcanon is blijkbaar mannelijk.

Gemiste kans: Het Parool besteedt aandacht aan de bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer: Dieuwertje Mertens noemt evenveel vrouwen als mannen in haar openingsstuk, maar wat doet Maarten Moll… die noemt alleen maar mannen in zijn bespreking van dezelfde bloemlezing.

Gekkigheid: Arnon Grunberg met de handen in het haar in de Volkskrant:

Figuur 1: man van middelbare leeftijd
Figuur 1: man van middelbare leeftijd

Hoogtepunt: veel aandacht voor Zadie Smith (die zichzelf een vrouw van middelbare leeftijd noemt in NRC, yeay!)  en haar nieuwste roman Swing Time. Ze wordt in verschillende bijlagen uitgebreid geïnterviewd, onder meer door Niña Weijers in NRC en door Annelies Beck in De Standaard.

Meer hoogtepunten: Trouw laat zien dat het echt wel kan en bespreekt deze week meer vrouwelijke dan mannelijke auteurs!

Een bijzonderheid in Trouw: Medina Schuurman, die samen met Isa Hoes een boek over de overgang schreef, getiteld Te lijf – de kunst van het mooi ouder worden, zegt in een interview met Nicole Lucas: ‘We zijn tot het besef gekomen dat we de nieuwe feministen zijn. Nee, we gaan niet de barricades op of acties voeren als baas-in-eigen-buik. Maar er is nog genoeg te doen aan het vrouwenvraagstuk. Met dit boek hopen we vrouwen krachtiger te maken.’ Dat is prachtig gezegd, maar waarom hebben de schrijfsters er mee ingestemd dat de cover van hun boek (dat nota bene over de overgang gaat) geïllustreerd is met twee onrealistisch slanke, strakke vrouwenfiguren die nog het meest lijken op Barbies? En dan nog een vraag: waarom zou je ‘mooi’ ouder moeten worden? De schrijfsters bevestigen hiermee de eis van onze maatschappij dat vrouwen altijd jong en mooi moeten ogen.

Het G3-alarm: stond voor een derde AAN deze week! Robbert Ammerlaan heeft een boek over Mulisch geschreven en daar moet natuurlijk veel aandacht aan worden besteed, bijvoorbeeld door vol lof te roepen dat het boek ‘in de geest van Harry geschreven’ is (Jeroen Vullings in Vrij Nederland).

Gaaaaaap.

Lieve Lezeressen en Lezers, ik kruip terug onder mijn nieuw gebreide dekentje – kopje thee, iets te knabbelen en een laatste hoofdstukje Zadie Smith – maar niet voordat ik afsluit met het volgende bemoedigende bericht:

De dichter Tjitske Jansen kreeg de vraag voorgelegd waarom zij niet in de bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer opgenomen wilde worden: ‘Pfeijffer heeft mij ooit, na een literaire avond waarop wij allebei hadden voorgelezen, uitgenodigd het bed met hem te delen. Ik heb deze uitnodiging beleefd afgeslagen. Vervolgens heeft hij op zijn website gezet “Tjitske Jansen is natuurlijk niets”.’

Shout-out voor Tjitske Jansen en alle andere dichters die zich publiekelijk distantiëren ‘van de Hollandse drinker in Genua, en diens buitengewone prestaties in de kroeg, op papier en in bed.’ De Lezeres hoopt dat velen hen zullen volgen!

Niet klagen maar turven en vragen om kracht: #lekkertellen 43

Lieve Lezeressen en Lezers,

Het is 2016 en nog steeds is de wereld niet klaar voor een vrouwelijke president. Heeft u het ook als u ‘s morgens wakker wordt, die halve seconde van unheimische onwetendheid, het omineuze gevoel dat er iets is, wat was het ook alweer, tot het als een natte handdoek keihard in uw nog kreukelige gezicht slaat? Een racistische en seksistische xenofoob komt makkelijker aan de macht dan een intelligente en capabele vrouw. Ik kan er niet aan wennen.

 

Sheila Sitalsing gaf daags na de uitslag een kleine proeve van de verschillende vormen van vrouwenhaat die Clinton tijdens de verkiezingscampagne met een bijna buitenaards incasseringsvermogen had weten te verstouwen. Met bewondering schrijft Sitalsing:

Ze heeft er niet over geklaagd, want klagen over seksisme garandeert enkel nog meer seksisme, bakken vol. Dus heeft ze zich er ijzerenheinig doorheen geslagen. En ongetwijfeld heeft ze ondertussen geturfd: jij en jij, jij ook, en hij daar. Een lange lijst vrouwenhaters tegen wie ze in gedachten een dikke, lange middelvinger zou opsteken, wanneer zij dáár zou staan en met haar hand op de Bijbel het hoogste ambt zou aanvaarden.

Hoezeer ik de loftuiting van Sitalsing aan het adres van Clinton ook onderschrijf – want ga er maar aanstaan -, het causale verband dat ze trekt baarde me zorgen. Had Clinton niet zonder nadelige gevolgen iets kunnen zeggen van de seksistische bagger die ze over zich uitgestort heeft gekregen zonder dat het als klagen was gezien? En als het benoemen en bekritiseren van manifest seksisme onherroepelijk tot nog meer seksisme zou leiden, welke manieren resten ons dan nog om er iets aan te doen?

Terwijl ik daarover peins, doe ik wat Clinton hoogstwaarschijnlijk ook deed: turven.

schermafbeelding-2016-11-15-om-08-51-31

NB. Er verscheen deze week geen Groene Amsterdammer wegens een dubbelnummer vorige week.

Young Boys Network: #lekkertellen week 42

Lieve Lezers & Lezeressen,

Nog één (twee?) nachtje(s) slapen en dan weten we of de nieuwe wereldleider een vrouw zal zijn, dan wel een sadistische kleuter who would love to watch the world burn. Maar voor het zover is, eerst iets over politiek in het klein: aanstellingspolitiek bij krantenredacties.

Via de social media bereikte mij het bericht dat de NRC-boekenbijlage een nieuwe boekenredacteur heeft aangesteld. Het is de vierde jonge witte man op rij die daar een plek krijgt. Kijken we naar bijvoorbeeld de Groene Amsterdammer, dan zien we dat ook daar veelal mannelijke critici schrijven. En bij de Volkskrant? Een vrouw staat er aan het roer, maar de vaste redacteuren zijn mannen (Erik van den Berg, Arjan Peters), net als veel freelancers (bijvoorbeeld Olaf Tempelman). Vrij Nederland, Parool: we kennen de patronen.

Het is, kortom, niet alsof er een tekort is aan mannelijke boekenredacteuren in ons Vaderlandje. En het behoeft geen uitleg dat degenen met een vaste aanstelling meer invloed hebben dan de freelancers, meer zullen schrijven en zo ook het ‘gezicht’ van het boekenkatern bepalen. Daar komt nog bij dat voor sommigen de boekenredactie een instap is om door te groeien naar allround essayist die ook politieke onderwerpen onder de loep neemt.

Het gaat mij niet om de individuele kwaliteiten van de personen in kwestie. Die zullen meer dan in orde zijn. Het gaat mij ook niet om de eenvoudige aanname dat een vrouw, of een persoon met een biculturele achtergrond, direct ook inhoudelijke diversiteit meebrengt, terwijl deze jonge mannen dat niet zouden kunnen doen. Maar het is natuurlijk wel een verschil of diversiteit een van de onderwerpen is waar je over schrijft, of iets waar je niet omheen kunt. De afgelopen tijd heeft de NRC-boekenredactie veel aandacht besteed aan het diversiteitsdebat. Samen met andere deskundigen werd ik geïnterviewd over de vraag hoe de kritiek er uit zou zijn als er meer vrouwen criticus zouden zijn. Amatmoekrim kwam aan het woord over ‘cultural appropriation’. Arjen Fortuin schreef een gewetensvolle column over de neiging van critici om in jury’s te gaan zitten en er geen been in te zien aan zeer nabije collega-critici prijzen uit te reiken.

De repliek van Jamal Ouariachi op deze jureringskwestie was: de literaire wereld is nu eenmaal klein. Alsof die kleinheid een natuurgegeven is! Neen, de literaire wereld maakt zichzelf klein. Want was er met een openbare advertentie geworven voor een nieuwe literaire redacteur? Heeft NRC gepoogd in zo breed mogelijk kring kenbaar te maken dat ze een plaats vrij hadden en wílden ze ook werkelijk iets doen aan de interne diversiteit? Misschien wel en  is mij dat volledig ontgaan. Toch vrees ik soms dat  de ‘kleinheid’ van het eigen netwerk nog altijd niet als voldoende urgent gevoeld om het net breder uit te werpen, ondanks alle stukken die er tegelijkertijd aan het onderwerp diversiteit gewijd worden. If you talk the talk, walk the walk!

Het betekent wel dat de Nederlandse literaire wereld bereid moet zijn om uit de eigen comfort zone te stappen. Toen Sylvana Simons in mei 2016 bij DENK ging, twitterde een gezaghebbend criticus guitig dat hij jaren geleden Simons had geïnterviewd toen ze haar boekenprogramma Kaft had. Ze kon van ‘de Grote Drie niet 1 favoriet boek noemen’. (Overigens is het interview op LexisNexis na te lezen. Simons roemt daarin Nescio, en zegt alleen van W.F. Hermans niets gelezen te hebben. Dat het werk van Reve bol staat van het expliciete racisme en daarom allicht niet direct voor ‘favoriet boek’ in aanmerking kwam, was helaas geen onderwerp in het interview). De criticus zag de Grote Drie als ultieme maatstaf voor belezenheid, zodat de vraag niet eens gesteld werd of Simons er toevallig een andere canon op nahoudt, waarin, ik noem maar iets geks, Bea Vianen, Edgar Cairo of Toni Morrison de absolute must reads zijn. Waarmee ik maar wil zeggen: als je één stap buiten Nederland zet weet niemand meer wie de Grote Drie zijn – misschien ook goed om te beseffen en de criteria voor belezenheid net ietsjes ruimer te nemen. Een diversere staf betekent niet automatisch, maar wel zeer waarschijnlijk, ook dat je een redactie krijgt met een ander cultureel referentiekader. Dan gaan ook de lacunes en al te gemakkelijke aannames in het éigen referentiekader meer opvallen.

grote3fruitmachine

Zo’n aanstelling heeft bovendien een nog breder effect. Alle jonge vrouwen die nu een letterenstudie volgen hebben geen jonge vrouwelijke boekenredacteur (mét vaste aanstelling) tot voorbeeld. You can’t be what you can’t see, (#UcantBwhatUcantC, zoals Janneke van Heugten twittert). De jongens die zo’n studie volgen hebben voorbeelden te over. En wat schetst onze verbazing? Jonge mannelijke studenten voelen zelden enige belemmering om te gaan recenseren – je hoeft de literaire tijdschriften maar open te slaan en te zien wie daar in schrijven. Voor jonge vrouwelijke studenten is het vermoedelijk vaak wel een grote stap, want al zijn ze in de meerderheid in de collegebanken, als jonge scribenten zie je ze veel minder. Wellicht ligt hier een taak voor het onderwijs, maar óók voor de redacties, anders kan dit patroon zich iedere generatie opnieuw herhalen.

Ondertussen twitterde de kersverse nieuwe mannelijke redacteur een foto van de NRC-redactie, alwaar een meer dan levensgroot portret van Reve hing. Die ongetwijfeld zag dat het goed was. Ik schonk mezelf nog wat rode port in en zakte ondertussen diep weg in mijn chesterfield.

Lieve lezers, ik geloof dat ik soms mijzelf stiekem op de gedachte betrap: schrijf dan maar liever niet over diversiteit. Is het gewoon een onderwerp waarmee je kunt bewijzen dat je ‘bij de tijd’ bent? Dat je heus weet hoe de wind waait? Maar ondertussen draait de wereld gewoon door en blijft het jongensclubhuis nog altijd intact. Zonder structurele veranderingen nu, zijn we over een paar jaar weer terug bij af, wanneer het onderwerp diversiteit niet meer hip & happening is en weer als marginaal p-c geneuzel wordt weggezet. Al deze argumenten zijn namelijk in de jaren tachtig en negentig ook al over tafel gegaan, en er is sindsdien een hoop veranderd, maar toch ook nog een hoop niet of te weinig.

Grote Drie-alarm-jackpot. Dacht u dat met de Reve-poster op de NRC-burelen het Grote Drie nieuws van deze week #lekkertellen wel op zou zijn? Dan gaat u niet door voor de koelkast. De Grote Drie-fruitmachine geeft namelijk de mega-super-jackpot deze week: in de van mannen vergeven boekenbijlage van de NRC heb ik Hermans, Reve en Mulisch allemaal op een rij. De bijlage opent met Arjen Fortuins column die, ondanks dat een zombiebewerking van Max Havelaar de aanleiding is, de dubbelgangers Osewoudt en Dorbeck in de titel, die overigens ook al door mannelijkheid zijn geobsedeerd (ziet u, ook ik veronderstel hier enige kennis van het oeuvre van de machtige [vul hier naam in]). Nog op dezelfde openingsspread neemt Frank Westerman het Genie Reve als aanleiding voor zijn betoog over feit en fictie in zijn Verweylezing, die in ingekorte versie is afgedrukt. Helemaal achterin treffen we dan eindelijk Mulisch: zijn voormalige uitgever Robbert Ammerlaan publiceerde een voorproef van zijn biografie over Mulisch, die weinig meer lijkt te doen dan de Mulisch-mythe te omarmen. Ik zin om op middelen om mijn jackpot prijzengeld nuttig te besteden en de drie zuilen waarop de Nederlandse republiek der letteren gebouwd is omver te werpen.

In Het Parool zelfs een zwijmelende opening over het boekje van Ammerlaan, dat enkel bedoeld is om de fans warm te houden voor de geplande Grote Biografie. Interessantste detail: ‘Nee hij was geen groot lezer, en geen groot brievenschrijver.’ Waarom verbaast me dat nou niet? Maar het wordt erger, Maarten Moll dist ook nog een ‘smakelijke’ anekdote op in zijn eigen column over het voorstel per brief aan Bomans door Mulisch voor een duel ‘op de vrouw’ (bij voorkeur een tweeling); om de door Mulisch verspreide geruchten over impotentie bij de gepikeerde Bomans te ontzenuwen en er meteen een wedstrijd van te maken. Was natuurlijk niet in ernst van Mulisch. Grappig hè?

Opmerkelijk: witte vrouw met zwart perspectief. Christine Otten mengt zich in de discussie over culturele toe-eigening naar aanleiding van de lezing van Lionel Shriver (die stelt dat de schrijver alle personages mag opvoeren die ze maar kan gebruiken – een ander perspectief aannemen is als het wisselen van hoedje) en Karin Amatmoekrim (die van mening is dat het niet zonder meer mogelijk is voor witte schrijvers om zich in een zwart perspectief te verplaatsen). Zelf heeft Otten namelijk net (opnieuw) een boek gepubliceerd waarin ze schrijft vanuit een zwart perspectief, We hadden liefde we hadden wapens en ze voelt de noodzaak uit te leggen waarom. Nu vind ik de kop van het stuk niet tactvol – het n-woord komt erin voor terwijl er ook ‘zwart perspectief’ o.i.d. had kunnen staan – maar Ottens stuk zelf is een stuk genuanceerder. Hoewel Otten wat snel terugvalt op identificatie met haar zwarte personage (in de moeilijke zwarte vader herkent ze haar eigen problemen met haar psychotische vader) en een wel erg groot vertrouwen in de literatuur stelt (de schrijver kan zich volgens haar eigenlijk overal in verplaatsen), stelt ze zichzelf de nodige voorwaarden voordat ze een ander hoedje opzet. Een respectvolle omgang met het personage en zijn of haar geschiedenis staat daarbij centraal: Otten sprak met haar hoofdpersonages (gebaseerd op echte mensen) en verdiepte zich in hun culturele bronnen. Dat dit voor haar essentieel is, illustreert het verschil met Shriver, die in haar voorbeelden van gekleurde personages vooral benadrukt dat ze zo handig zijn als instrumentele plotelementen. Daarbij lijkt het me ook niet onbelangrijk dat Otten ook buiten de grenzen van de fictie practices what she preaches: tijdens haar literaire avonden (Bijlmer Boekt) is ze zelf weliswaar de showmaster, ze geeft het podium aan gekleurde auteurs met verschillende achtergronden waarbij ze ook nieuwe stemmen een kans geeft.

Gekkigheid: reversed sexism. Elfie Tromp schrijft in Vrij Nederland een reportage over de Frankfurter Buchmesse en Mano Bouzamour (wiens achternaam ze foutief spelt als Benzakour): ‘Mano is een schrijver waar andere schrijvers graag op afgeven; met zijn parelwitte glimlach, sixpack en suède schoenen lijkt hij het succes aan zijn gespierde kontje te hebben hangen.’ Uhm, een schrijver reduceren tot een geseksualiseerd lichaam? Ik zie hier niet onmiddellijk de feministische winst van in.

Dieptepunt: heel weinig vrouwen in NRC. Het is een slechte week voor NRC. In de bijlage blijft het percentage besproken auteurs en het percentage recensenten ver onder de 25% bungelen.

Dieptepunt verdiept zich: fashionshoot in vermomming als interview. Ik ga nog even door over NRC, want de maandelijkse bijlage Het Blad van stond in het teken van schrijvers (en van dingen die je kunt kopen en eten, zoals altijd). De besproken auteurs: 7 mannen, 2 vrouwen. Er staan dus wel wát vrouwelijke auteurs in, maar op de covers staan 3 mannen, de grote stukken zijn gewoon aan mannen gewijd of door mannen geschreven (er is een groot interview met Ian McEwan, een reisverhaal van Auke Hulst over Ernest Hemingway en een voorpublicatie van Christiaan Weijts).  

Het aantal vrouwelijke recensenten is daarin aanzienlijk hoger dan in de reguliere bijlage: 2 mannen, 7 vrouwen (Hulst en Weijts zijn daarbij als ‘recensent’ geteld, omdat zij de schrijvers van de stukken zijn en niet het onderwerp, Ernest Hemingway is als gerecenseerde auteur geteld). Het hoge aantal vrouwelijke recensenten komt vooral vooral doordat moderedacteur Milou van Rossum haar hart mocht ophalen door ‘s lands schrijvers aan te kleden en leuk neer te zetten in hun natuurlijke werkomgeving. Een klein interviewtje ernaast over wat ze graag dragen als ze schrijven en hop, de reclame voor Uniqlo zou bijna ongemerkt voorbij gaan (maar toch niet helemaal, want zelfs ik begon me af te vragen of ik mijn Peter Hahn-gids in kan leveren omdat het Japanse Uniqlo binnenkort een winkel in Amsterdam zal openen). Ik stel voor om Het Blad om te dopen tot De Lifestyle, net zo obligaat, maar veel toepasselijker.

Op de bodem van het putje. Géén (nul, 0%) vrouwelijke recensenten in Het Parool. En een hele duidelijke oorzaak: A) de besproken poëziebundel is mede samengestelde door Dieuwertje Mertens, die meestal de poëzie bespreekt, B) de laatste kolom die normaal voor jeugdliteratuur is gereserveerd werd nu gevuld met bovenstaande anekdotes van Maarten Moll over Mulisch. Tjsa.

schermafbeelding-2016-11-07-om-23-02-30

#lekkertellen week 41: boek vooruitgang, zusters!

Lieve Lezeressen en Lezers,

U treft mij deze week in een vertwijfelde bui. Heb ik de herfstblues, is het de wintertijd? Begin ik in mijn kenmerkende monterheid ten prooi te vallen aan defaitisme? Dit is de 41e editie van #lekkertellen en wederom zijn de cijfers teleurstellend: 35 procent vrouwen, 65 procent mannen. Ik zal u opbiechten dat ik een stemmetje moet onderdrukken dat lispelt ‘wat heb ‘t allemaal voor zin?’ wanneer Excel de totalen tevoorschijn tovert.

lekkertellen-week-41

Op andere momenten meen ik te geloven dat de dingen heus ten goede veranderen. Vorige week liep BNR-presentatrice Petra Grijzen weg uit een radio-uitzending nadat ze 68 procent van haar werkdag erop had zitten. Ze protesteerde daarmee tegen het feit dat vrouwen nog altijd minder betaald krijgen dan mannen voor hetzelfde werk, een krachtig statement.

Dit weekend kon ik de goede berichten amper bijbenen, terwijl ik toch geen ongeoefend wandelaar ben. Eerst kreeg Marja Pruis de J.L. Heldringprijs uitgereikt voor haar columns in De Groene Amsterdammer. Net had ik uitgevonden dat de Heldringprijs daarmee meer vrouwelijke dan mannelijke laureaten heeft, of ik hoorde dat Elisabeth Leijnse de Libris Geschiedenis Prijs had gewonnen voor haar biografie van de zussen Cécile en Elsa de Jong van Beek en Donk.

Een sympathiek vrouwelijk personage.
Een sympathiek vrouwelijk personage.

In de live-uitzending van OVT wees presentator Jos Palm erop dat de prijs in de afgelopen 9 jaar slechts één keer naar een vrouw is gegaan, en hij vroeg de juryvoorzitter hoe dat toch kwam. Die stelde dat vrouwen maar meer moeten schrijven – mij een wat al te mager antwoord, zoals u inmiddels zult begrijpen. Vervolgens mochten de verschillende juryleden toelichten waarom de vijf genomineerde boeken zo goed waren, waarop een jurylid zich liet ontvallen dat hij in eerste instantie weinig zin had om te beginnen aan het boek over twee freules.

Zag het jurylid misschien op tegen een boek over twee wellicht niet voldoende sympathieke feministes? Ik dacht even aan een uitspraak van Chimamanda Ngozi Adichie in de boekenbijlage van De Standaard afgelopen week: ‘Lezers hebben nog steeds andere verwachtingen van vrouwen en dat is behoorlijk frustrerend. Van schrijfsters wordt verwacht dat ze sympathieke personages neerzetten, met name wanneer het gaat over de vrouwelijke karakters. Over Ifemelu uit Amerikanah zeiden velen dat ze niet aimabel genoeg is.’

Ik was erg blij met de bekroning van Cécile en Elsa, strijdbare freules. U moet weten dat ik, om dat fluisterende stemmetje te bezweren, nog wel eens Hilda van Suylenburg (1897) van mijn nachtkastje pak, de feministische roman van Cécile de Jong van Beek en Donk. Aan het einde van het verhaal, wanneer Van Suylenburg inmiddels succesvol advocate is, schrijft zij in een brochure over de noodzaak van vakverenigingen voor vrouwen: ‘Want sterke vakvereenigingen zullen op den duur er ontzaglijk veel toe kunnen bijdragen om den toestand der arbeidsters te verbeteren, vooral ook door een einde te maken aan die groote onbillijkheid, dat voor gelijken arbeid de vrouw veel minder loon ontvangt dan de man. Ach, dat mindere loon! Is dat niet juist één van de kankerplekken in het arbeidersleven!’

Als Petra Grijzen af en toe blijft opstaan op driekwart van haar uitzending, als Marja Pruis erop zou letten dat er óók vrouwelijke recensenten voor De Groene Amsterdammer schrijven wanneer zij zelf geen boek bespreekt, en als Hanneke Groenteman ons snel Maxim Hartman doet vergeten, dan bied ik weerstand aan de moedeloosheid en tel verder.

Dieptepunt: In Het Parool twee vrouwelijke recensenten. Eentje voor poëzie en eentje voor kinderliteratuur. Quelle surprise!

Dieper dieptepunt: Voor de tweede week op rij dus geen vrouwelijke recensent in De Groene Amsterdammer. Ook worden alleen boeken van mannelijke auteurs besproken. Hierom draag ik mijn leesbril aan een koordje om m’n nek: van pure ellende glijdt-ie af.

Hoogtepunt: Een mooie en tot verder nadenken stemmende recensie van Maggie Nelsons De Argonauten in De Morgen. Helaas was het wel de enige door een vrouw geschreven recensie in deze boekenbijlage.

Nog een hoogtepunt: In De Standaard is het merendeel van de recensies geschreven door een vrouw, ook de interviews met mannelijke intellectuelen.

Hoger hoogtepunt: Hanneke Groenteman verlost ons van Maxim Hartman in de Volkskrant!

Gekkigheid: Wonderlijk dat recensent Paul van der Steen in Trouw concludeert dat de Juliana-biografie van Jolande Withuis ‘doet verlangen naar een soortgelijke onbevangen beschrijving van het hele leven van de prins gemaal’. Een biografie over een vorstin is leuk, lieve lezers, maar wat we écht willen lezen is natuurlijk nog een boek over haar man.

Een wonder: Carel Peeters schrijft in zijn column in Vrij Nederland daadwerkelijk over een boek geschreven door een vrouw (Heilige identiteiten door Machteld Zee)! Maar ik heb te vroeg gejuicht:  Peeters vindt het nodig om te benadrukken dat de visie van Zee wordt ‘gesteund door vertrouwde namen’, de mannen ‘Paul Cliteur (Zee’s promotor) en Afshin Ellian’. Als kritiek kiest hij ervoor om Zee’s toon ‘wel erg huiselijk’ te noemen.

Grote Drie-alarm: In NRC Handelsblad interviewt Sebastiaan Kort de Duitse auteur Frank Witzel (man, 1955) en wat schetst de verbazing? De man las Hermans en Reve! En vond ze goed! Kort is er zo mee in zijn nopjes dat het lijkt of de Duitse Witzel zijn inspiratie volledig bij de Hollandse heren vandaan heeft – de Grote Drie (of Twee) blijven in onze vaderlandse bijlagen natuurlijk de meetlat der meetlatten en vegen met gemak een hele Duitse traditie opzij.