#lekkertellen week 40: Gekrenkte Mannelijkheid

Lieve Lezers en Lezeressen,

Bestudeert u eerst het verstopte doucheputje dat de cijfers ook deze week weer zijn, in de tabel alhier. Want warning: deze #lekkertellen is ouderwets #lekkerlang, omdat het nodig is wat langer bij de Volkskrant stil te staan.week-40

N.B. Deze week is er geen Vrij Nederland verschenen. De Groene Amsterdammer-bijlage over Crossing Border is niet meegeteld.

Een knauw voor je mannelijkheid

De meest onthullende quote vond ik deze week in de Volkskrant, in een interview met Britse auteur en televisiemaker Tim Samuels:

Voor mij betekende het werkende leven een proces van ontmannelijking. Andere mensen, zoals bazen, hebben controle over wat je doet, hoeveel je verdient en hoe je je voelt… Het verlies van vrijheid dat ik ervoer, betekende een knauw voor de mannelijkheid.

Mannelijkheid wordt zo dus alleen in de vorm van een verlies bespreekbaar. Als vrouw was ik overigens verbluft: hoezeer moet Samuels voordien in een geprivilegieerde mannelijke autonomie-bubbel hebben geleefd? Ik bedoel: hoezeer moest hij zich zó compleet heer en meester over eigen leven hebben gevoeld, om het ontvangen van opdrachten in een doodnormale werksituatie al als een krenking te ondergaan? Hij is er wel eerlijk over, zullen we maar zeggen.

Samuels is niet de enige auteur die zich over mannelijkheid buigt: het onderwerp hangt duidelijk ‘in de lucht’. En met reden, want zowel Brexit als Trump laten zien dat mannen significant vaker voor populisten stemmen dan vrouwen. Bovendien is het discours over doorgeslagen ‘feminisering’ en gekrenkte masculiniteit een belangrijke inhoudelijke component van veel populisme; zie wederom Trump en hier ten lande bijvoorbeeld Baudet.

En zo kwam ik bij de gehele boekenbijlage van de Volkskrant uit. Want áls we constateren dat gekrenkte mannelijkheid voorwaar geen grap is – maar dat in zekere zin een groot deel van onze politieke toekomst afhangt van hoe dit probleem te analyseren en te begrijpen – dan verbaast mij de lichtzinnigheid waarmee deze bijlage uiteindelijk terugvalt op clichébeelden over de man. Een probleem inzichtelijk willen krijgen is niet hetzelfde als het probleem voeden, beste Volkskrant.

Maxim Hartman heeft nog altijd zijn rubriek en Chef Boeken Wilma de Rek, zo bleek deze week, staat daar volkomen achter. Hartman is in mijn ogen de man die gewild is in VPRO/Volkskrant kringen omdat hij ze de illusie geeft dat ze óók heus de ‘gewone man’ weten te bereiken. Dat ze kiezen voor een auteur wiens retorisch vermogen niet verder reikt dan Hurt them before they can hurt  onthult ongewild hoe diep er toch nog altijd op die gewone man wordt neergekeken.

Hartman had geschreven over ‘Christenhonden’ (hallo, Theodor Holman ca. 1995??). Later volgde er iets spitsvondigs over ‘achterlijke Friezen’. Wilma de Rek verdedigde de Hartman-rubriek vurig, in het stuk dat de VK-ombudsvrouw hierover schreef (het regent namelijk klachten bij de Volkskrant, hoera, wakkere lezers!). In haar antwoord beroept De Rek zich – verrassend eerlijk – op een calculerend doelgroepdenken, plus bijbehorend stereotiep manbeeld dat tot tien jaar geleden hooguit bij bladen als Panorama en Nieuwe Revue de norm was:

Bij die keuze houden we rekening met hem [= Hartman, LdV] als vertegenwoordiger van een bepaald soort doelgroep: doorsnee man, geen enorme lezer, houdt van sport maar pakt ook weleens iets onverwachts uit de schappen.

Nu, ik begrijp dat boekenbijlages voortdurend onder druk staan om meer en dus een ander type lezers te bereiken. Maar waarom niet gedacht in precies de omgekeerde richting, namelijk die van een diversere doelgroep in plaats van richting de ‘doorsnee man’? En denk je die man wérkelijk te bereiken via iemand die consequent zijn eigen mannelijkheid alleen maar vorm kan geven door vrouwen – en anderen – te kleineren? En belangrijker nog: waarom wil je dat?

Dat was echter nog niet alles, want interessant genoeg was er voor gekozen om Harry Mulisch op de voorkant van de Sir Edmund te zetten (plus groot artikel), en Jan Cremer als opening van het boekenkatern (plus groot artikel). Er zal geen bewuste strategie achter zitten, maar alles bij elkaar opgeteld leek het één groot pleidooi voor de fantasie van de autonome man zoals deze ooit in de Letteren de dienst uitmaakte.

Over de nadelige effecten van deze juist in de literatuur groot geworden illusie van brute mannelijkheid wordt geen gesprek gevoerd. Terwijl het zó nodig is, maar we komen er pas aan toe als de boekenbijlages kritischer gaan kijken naar de keuzes die ze maken op het gendervlak.  Tot slot wil ik daarom de Volkskrant, en bij uitbreiding alle Grote Drie-Fetisjisten die de Vaderlandse boekenbijlages volpennen wijzen op Christophe Van Gerreweys bespreking  Korte gesprekken met afgrijselijke mannen van David Foster Wallace in De Standaard:

In 1997, twee jaar voor dit boek in Amerika verscheen, schreef Wallace een negatieve recensie over een roman van John Updike, die hij met Norman Mailer en Philip Roth als de ‘Grote Mannelijke Narcisten’ omschreef, omdat ze enkel over hun eigen problemen en seksualiteit schreven. Dat geldt ook voor Korte gesprekken met afgrijselijke mannen, met dat verschil dat deze mannen, en Wallace evenzeer, verloren lopen in de woorden en daden waar rollenpatronen hen toe aanzetten […].

Grote Mannelijke Narcisten, daar hadden ze het in Amerika in 1997 al over! Gaat het kwartje hier in 2016 dan ook vallen? A girl can hope… en een vrouw van middelbare leeftijd ook.

Zo dat is er uit, en dan nu nog een korte rijtje dieptepunten, gekkigheden en hoogtepunten.

Dieptepunten: Deze week worden er in De Groene Amsterdammer 0 vrouwen besproken en komen er 0 vrouwen als criticus aan het woord.

Voor meer dieptepunten: door naar De Morgen. Op de voorpagina van de krant wordt melding gemaakt van het onderzoek van Rekto Verso naar seksisme in de culturele sector. Mooi! Helaas staan er in het boekenkatern dan meteen een aantal zaken die recht dat onderzoek in hadden gekund. Te beginnen met de cartoon die als illustratie bij het hoofdartikel van het katern (over de Frankfurter Buchmesse) dient. Vier mannen aan een statafel, lege wijnglazen, vrouw komt hen meer wijn brengen, tekst: ‘Maaike, vlug, hoe zeg je “Achterwaards in de poes naaien” in het Duits?’.  

Schijn bedriegt: Voor het eerst in de #lekkertellen-geschiedenis van De Morgen worden er meer vrouwen dan mannen besproken! O, maar wacht, schijn bedriegt: geen van deze 9 schrijfsters kreeg een volledige recensie. Relatief gezien kregen de mannelijke auteurs dus alsnog meer aandacht. De Morgen veranderd? Who am I kidding?

Terug bij af: Na twee betrekkelijk evenwichtige weken voor Sir Edmund zijn we weer terug bij af. Drie vrouwen worden besproken in het Booker Prize-verhaal van Hans Bouman (keurig 3-3 dit jaar). Verder duiken ze pas op bij Kort & Goed (4).

De Grote Drie maar niet die drie: In Het Parool haalt Dirk Jan Arensman de Amerikaanse grote 3 light + 1 van stal in een lyrisch-vergoelijkende bespreking van debutant Nathan Hills Nix:

Maar iets ontwapenends heeft het wel: een debutant die een sociale en politieke satire, historische fictie en een coming-of-age-roman wilde schrijven, die thematisch en stilistisch in de voetsporen treedt van John Irving, David Foster Wallace, Michael Chambon en Thomas Pynchon en die het verwezenlijken van die tomeloze ambitie welbeschouwd nog een heel eind komt.

Gekkigheid: In Iets in ons boog diep van Jan Lauwereyns hebben we, volgens de samenvatting van de Groene-recensent, weer eens een man te pakken die meer emotionele respons heeft op een sekswerker die hij per toeval tegenkomt, dan op de mensen in zijn leven:

Vervolgens ziet hij een meisje lopen dat hij kent van een tijdje terug, Ayaka, het Cleopatra-meisje, toen hij balletklassen volgde. Hij volgt haar, het uitgaansleven in [helemáál niet als een griezelige stalker, LdV]. Hij ontdekt dat ze in een bar werkt, praat met haar, leeft van haar op, tot een yakuza-achtig figuur haar geld biedt om aan haar borsten te mogen zitten.

Et cetera. Zucht.

Hoogtepunten: diversiteit In De Groene schrijft Lofti El Hamidi (buiten de boekenrubriek) over Black Minds Matter, naar aanleiding van het rapport van de diversiteitscommissie van de UvA. Ik las ook het interview met Gloria Wekker over datzelfde onderwerp in de Volkskrant van deze week. En dan was er in NRC een paginagroot interview met Chimamanda Ngozi Nadichie, opdat wij maar nooit meer terug hoeven denken aan dat Buitenhof-interview met haar.

Advertenties

Dylan en DWDD

Lieve lezeressen en lezers, come gather ‘round people, wherever you roam, en doe mee aan dit gedachte-experiment: hoe is het om als vrouw fan van Bob Dylan te zijn? De Lezeres is large, she contains multitudes. Ik heb vele verschijningsvormen en vandaag verschijn ik voor u in de hoedanigheid van bona fide Dylan-fan.

Ik kwam op het idee van dit gedachte-experiment door de uitzending van DWDD. Nu had ik me voorgenomen om afgelopen donderdag, de Nobelprijs-dag, niet (niet!) naar DWDD over Dylan te kijken. Een vriendin vermaande mij echter dat de eretitel ‘Lezeres des Vaderlands’ niet alleen lusten maar ook lasten met zich meebrengt. En of we het leuk vinden of niet: het programma is het meest bekeken en daarmee kwantitatief gezien het meest invloedrijke culturele programma van Nederland. Kortom, I took one for the team, en zo heb ik Uitzending Gemist aangeslingerd.

Dat sloeg op mij!

Een korte (-ish) impressie van de uitzending. Tafeldame is Hanneke Groenteman. In de rol van aangeefster introduceert zij meteen in de eerste minuut de invalshoek van waaruit deze bekroning besproken zal worden:

V. Nieuwkerk: ‘Om 13.00 uur, precies om 13.00 uur, klokke 13.00…’

    Groenteman: ‘kreeg jij de Nobelprijs voor de literatuur!’

Het item dat volgt is inderdaad grotendeels gewijd aan de sterke identificatie van Van Nieuwkerk met Dylan. Ook de andere mannen aan tafel (Freek de Jonge en Henk Hofstede, zanger en gitarist bij De Nits) hebben het niet over Dylan zelf, maar over hun band met Dylan. Van Nieuwkerk wisselt gelijk bij het begin van het item maar even van stoel met De Jonge, aangezien hij zo veel kwijt wil (nee, móet) over Dylan dat hij feitelijk gewoon te gast is in zijn eigen programma.

    V. Nieuwkerk: ‘Bob Dylan was mijn leidsman, dat was de Bijbel, daar pleegde ik bijna exegese op. Dat sloeg op mij.’

    [Freek de Jonge mompelt iets over The catcher in the rye van JD Salinger.]

V. Nieuwkerk: ‘Dat was een boek dat ook daarbij aansloot.’

    De Jonge: ‘Hij is op het juiste moment in ons leven gekomen.’

Nota Bene: ons leven. Wiens leven? De Jonge benoemt hier wat in dit hele item gaande is: de ervaringen van De Jonge, Van Nieuwkerk en Hofstede waren wel individueel in die zin dat ze door individuen werden beleefd, maar in wezen hetzelfde. Een groepservaring.

dwdddylan_vruchtwater
Een groepservaring

Van Nieuwkerk vervolgt; over zijn grote ontroering toen hij Dylan in 1978 voor het eerst in concert zag:

 ‘En ik dacht, daar loopt ie, nee, daar loopt Hij, bijna. Nu zeg je, is overdrijven, maar het was Echt Zo. (…) [De schrijver van] die nummers die zoveel voor mij betekenden, of het nou ging over de verhouding tot mijn ouders, de wereld, weet ik veel, meisjes, ik weet het niet.’

Van Nieuwkerk plaatst Dylan dus duidelijk boven zichzelf. Dylan is iemand die op hem lijkt maar die verder is dan hij in zijn ontwikkeling, Dylan is iemand die beter is dan hij, en dus Leidsman kan zijn.

(Terzijde: Van Nieuwkerk zegt op zeker moment over dit concert: ‘Het was niet lang na Woodstock.’ HET WAS NEGEN JAAR NA WOODSTOCK, MATTHIJS!)

Freek de Jonge gooit hier nog een schepje bovenop, en benadrukt op ‘subtiele’ wijze zijn gelijkenis met Dylan. Na een fragment uit ‘The Hurricane’, waarin Dylan zingt met een violiste op de achtergrond: ‘bent u daarmee bekend, het fenomeen zang met viool?’ Wink, wink. Achter De Jonge zit Hella in het publiek stil te glimlachen.

Kortom, Van Nieuwkerk en De Jonge maken hier van hun Dylan-ervaring de Dylan-ervaring. In deze broederschappelijke sfeer wordt aan vrouwen een specifieke, dienstbare rol toegekend. Hanneke Groenteman neemt de rol op zich van de vrouw die met moederlijk genoegen en vertedering zit te kijken naar hoe ‘de jongens’ opgaan in hun Dylan-bewondering.

Er is hier geen sprake van evident, flagrant seksisme, maar iets veel en veel subtielers. Dat blijkt pas goed bij een fragment over Joan Baez, waar het echt lelijk wordt.

    Van Nieuwkerk: ‘Joan Baez, toen zijn muze, zijn vrouw, zijn minnares – toch, zoiets?’

    Henk Hofstede: ‘Bwah, ze was eigenlijk een beetje gedumpt…’

    Van Nieuwkerk: ‘Ja, uiteindelijk is ze gedumpt’

    Hofstede: ‘…tijdens de film, uiteindelijk komt ze wel tevoorschijn, maar…’

    Van Nieuwkerk: ‘Maar dan zie je hém… schrijven! Op die hotelkamer.’

    Hofstede: ‘Die hotelkamer, ja prachtig.’

    Van Nieuwkerk: ‘Laten we even kijken.’

Na afloop van het bekende fragment uit Don’t Look Back, waarin de gespannen verhouding tussen Dylan en Baez inderdaad voelbaar is, zegt De Jonge: ‘Maar zij heeft hem wel als het ware gelanceerd. Ze is wel zijn muze geweest enige tijd, maar als je dan ziet… als je dan zit te werken, en iemand op de achtergrond zit [gitaar te spelen en te zingen, LdV], dan begrijp je wel waarom ze wat minder in elkaar opgaan.’

Iedereen gniffelen. Merk ook hier weer op: de identificatie van De Jonge met Dylan. ‘Als je zit te werken.’ Alsof Dylan niet net zo hard door háár gitaarspel heen zit te tikken en haar daarmee ergert. En daarbij, Baez als zijn ‘muze’, zijn minnares? Pardon? Blijkbaar is het erg moeilijk om een muzikale samenwerking te begrijpen als dat: een muzikale samenwerking. En om in meer dan een bijzinnetje recht te doen aan de verhouding Baez-Dylan: toen Baez en Dylan samen begonnen op te treden was zij een grote ster en hij een volstrekt onbekend figuur. Om haar rol in zijn muzikale loopbaan toch vooral te beschrijven als een situatie waarin zij de muze-minnares was, is een geval van geniepige geschiedvervalsing.

Hierna zingt Freek de Jonge ‘Forever Young’. En dan zeggen ze dat ironie dood is.

If you don’t underestimate me, I won’t underestimate you

Terug naar de vraag van ons gedachte-experiment: hoe is het om als vrouw fan te zijn van Bob Dylan?

Als je DWDD bekijkt en geen zin hebt in de moederlijke rol à la Groenteman; geen zin om jezelf als muzikant te presenteren en jezelf daarmee open te stellen voor geschiedvervalsing en laatdunkende opmerkingen zoals Baez die hier heeft mogen ontvangen; geen zin om alleen naar Dylans liefdesliedjes te luisteren en jezelf in de rol van de bezongen vrouw voor te stellen (en dat jouw betrokkenheid bij zijn muziek dan daar zou beginnen en eindigen); geen zin in dit alles, wat dan? Je komt al snel uit op de gedachte dat Dylan gewoonweg niets voor jou is. Preciezer gezegd, volgens DWDD zou Dylan niets voor jou moeten zijn.

Ik heb als Lezeres vaak betoogd dat de eenzijdige aandacht voor het Grote Mannelijk Genie onze cultuur armer maakt (zie ook: Grote Drie-alarm). Dat is echter slechts één kant van het probleem. De andere kant is dat de relatie die je kunt aangaan tot die grote cultuur vaak  ‘beladen’ gebied is, omdat mannen bezig zijn zichzelf te projecteren in dat Genie, die dan tot Leidsman wordt gebombardeerd. Terwijl, pijnlijk genoeg, Dylan als geëngageerde zanger juist laat zien dat engagement niets te maken heeft met Alle Antwoorden Hebben en die dan vervolgens uitventen. En wat dat LeidsMAN betreft, Dylans werk kent vele momenten die juist uitnodigen tot nadenken over genderidentiteit en uitnodigen om die identiteit als meer fluïde te zien (bijvoorbeeld in ‘Dink’s song’ en zijn versie van ‘House of the Rising Sun’).

Er gebeurt hier iets ingewikkelds. Het is niet alsof mannen Dylan helemaal voor zichzelf opeisen. Er is, zoals ik al schreef, ruimte om als vrouw fan te zijn, hetgeen simpelweg blijkt uit het feit dát er vrouwen fan zijn. Maar wie als vrouw fan van Dylan is, of meer in het algemeen veel met muziek bezig is, kent vast het compliment ‘ik ken weinig vrouwen die zoveel van muziek weten als jij’. Het is een variant op het ‘compliment’: ik ken weinig vrouwen die zo goed kunnen schrijven, weinig vrouwen die zo’n gevoel voor humor hebben etc. Het is vast aardig bedoeld, maar het heeft toch een zure bijsmaak.

Wie tot man gesocialiseerd wordt, ontdekt dat er een culturele ruimte is die heel erg sterk met ‘mannelijkheid’ geassocieerd is. Op een bepaalde manier met popmuziek bezig zijn, goed schrijven, gevoel voor humor hebben: het ‘hoort’ bij mannen – dat is althans de sociale constructie die wordt overgedragen. Het is voor mannen dus een comfortabele ruimte: als man kun je je daar, zo lang je je aan bepaalde codes houdt, vanzelfsprekend in bewegen. Als daar bij uitzondering een keer een vrouw in opduikt is dat niet vervelend of bedreigend, doorgaans, maar zelfs wel aardig. Kijk, wat leuk,  daar heb je die ene uitzondering.

Ondertussen vragen we ons als cultuur niet af hoeveel vrouwen die ruimte maar helemaal niet betreden omdat ze het signaal ‘jongensclubhuis’ heus wel begrepen hebben. En het is precies dit signaal dat DWDD in knipperde kapitalen boven nagenoeg al hun items over cultuur aanzet.

#lekkertellen 39: een koude herfststorm, zoals eigenlijk altijd

Joehoe! De blaadjes zijn deze week verkleurd van groen naar oranje en rood, en guess what, de meeste boekenbijlagen blijven in het rood steken, zonder ooit groen te zijn geweest. Vooral NRC Handelsblad en De Standaard sloegen als koude regen tijdens een herfststorm in mijn gezicht want daar bleef het percentage vrouwen deze week onder 20% steken. Al met al bleven de cijfers deze week gemoedelijk rond het gemiddelde schommelen: 72% van de recensenten en 73% van de besproken auteurs was van het mannelijk geslacht. Reden genoeg om weer onder mijn fleecedekentje te kruipen, maar niet voordat ik mijn trouwe lezers en lezeressen wat hoogte- en dieptepunten en gekkigheden heb voorgeschoteld.

De cijfers

lekkertellen39

Hoogtes, dieptes, gekkigheden

  • Gekkigheid: vrouwen in VN
    In VN gaan alle recensies over een vrouwelijke auteur! Dat zijn maar 3 stukken, maar toch, het is een unicum; zelfs Carel Peeters heeft een vrouw uit de stapel recensie-exemplaren op zijn bureau gevist, hij besprak het nieuwe boek van Denker des Vaderlands Marli Huijer. Way to go Carel (al is het een negatieve bespreking)! Alle drie de stukken werden wel door een man geschreven, maar daar is het VN voor.
  • Hoogte: een vrouw in ere hersteld
    Rob Hartmans prijst in NRC een boek van Biancamaria Fontana over Germaine de Staël, die in de nasleep van de Franse revolutie een belangrijke bijdrage leverde aan het politieke denken. Die bijdrage werd lange tijd klein gehouden door te wijzen op de invloed van haar man en vader, maar Fontana laat in haar boek zien dat De Staël wel degelijk originele ideeën had. Rob Hartmans weet dit eerherstel in zijn recensie op waarde te schatten.
    Verder, in diezelfde NRC-met-de-treurige-cijfers: een mooi en groot openingsstuk van Joyce Roodnat over het laatste deel van de Napolitaanse reeks van Elena Ferrante (die nu ook langzaamaan in Nederland de aandacht krijgt die ze verdient).
  • Diepte: boys over Dylan
    Het zal niemand ontgaan zijn dat de Nobelprijs voor de Literatuur de afgelopen week aan Bob Dylan werd uitgereikt. U weet wel, van die liedjes. Nu is daar veel over te zeggen en dat gebeurt in de boekenbijlagen dan ook volop, maar wat mij vooral opvalt is de gender van de enorme schare jubelende Dylan-fans. Dat zijn namelijk allemaal jongens, mannen, bedoel ik. Zo komen er in NRC maar liefst vier mannen aan het woord over Dylan (en geen enkele vrouw) en zit ook de stamtafel van De Standaard vol heren. Online mocht ook Saskia de Coster aanschuiven voor een frisje, maar van de pullen bier mocht ze niet meedrinken; in de papieren editie is ze nergens te bekennen.
    Ook op de teevee kunnen ze er trouwens wat van. DWDD nodigde enkel mannen uit om over Dylan te praten. Daarover morgen meer in een apart blogje, stay tuned!
  • Diepte: n-woord-alarm
    In De Standaard trof ik het n-woord in de titel. Heel onnodig, blijkt ook na nadere lezing van de recensie: het gaat om een graphic novel van een vrouw (eigenlijk heel wat voor recensent en notoir vrouwennegeerder Toon Horsten) over een Duitse vrouw die in 1934 naar Londen verhuist en daar vriendschap sluit met een man van Barbados, een van de eerste zwarte studenten aan Oxford. Why, waarom, warum, pourquoi deze titel gekozen? Voor achtergrond bij het gebruik van het n-woord zie mijn blog over geciteerd racisme, hier.
  • Gekkigheid: goed interview met rare uitschieter
    In NRC Handelsblad wordt Karin Amatmoekrin geïnterviewd door Toef Jaeger over haar nieuwe boek Tenzij de vader (overigens een van de weinige bijdragen over een vrouwelijke auteur deze week in deze krant). In het interview gaat het ook over de moeizame positie van Amatmoekrim als gekleurde schrijver (waarom wordt er voor haar boek een recensent met Suriname als specialisme gevraagd en niet ‘gewoon een literair recensent’, vraagt ze zich bijvoorbeeld af). Jaeger geeft Amatmoekrim de ruimte om haar standpunt naar voren te brengen, maar wel nadat ze haar heeft gevraagd of het gevoel gediscrimineerd te worden een belangrijk thema is in Amatmoekrims roman. Gelukkig antwoordt Amatmoekrim: ‘Dat is geen gevoel, dat is de praktijk.
  • G3-alarm
    [klik hier] De Grote Drie zijn te huur voor al uw feesten en partijen, dus ook voor de uitreiking van de Nobelprijs. Nu is Harry Mulisch dood en Gerard Reve ook, maar als ze nog geleefd hadden, dan hadden ze er wat van gevonden. Nu interesseert dat mij persoonlijk net zo veel als de mening van Statler en Waldorf, maar voor al die andere G3-fetisjisten is er gelukkig een kadertje in NRC waarin ze allebei postuum worden geciteerd over Dylan. En nee, ik zeg lekker niet wat Reve en Hermans dan van Dylans winst gevonden zouden hebben.

 

#lekkertellen 38: vrouwen weggeven

Lieve lezers en lezeressen,

Afgelopen week was 63 % van de recensenten en 64% van de besproken auteurs een man. #lekkerkort

output_ltzmwc

 

schermafbeelding-2016-10-11-om-10-37-47

  • hoogte: het grote interview met Chimamanda Ngozie Adichie over haar essay ‘We should all be feminists’ in Sir Edmund (de Volkskrant). Niet in de boekenbijlage, maar omdat ik een wijntje achter de kiezen heb en in een vrijgevige bui ben, tel ik het mee. Mooi dat Ngozie Adichie kritisch blijft op Queen Bey, die haar essay gebruikte in haar nummer ‘Flawless’ en haar daarmee extra bekendheid gaf. ‘[H]et is niet mijn type feminisme, want het is een soort feminisme dat tegelijkertijd nogal veel ruimte geeft aan de noodzakelijkheid van mannen.’ de Volkskrant doet het deze week sowieso bijzonder goed, met nog een groot interview (eveneens vier pagina’s) met Margriet de Moor die vertelt over haar nieuwe roman Van vogels en mensen.
  • mannendingen: Joost de Vries is in De Groene gecharmeerd van de nieuwe roman van Ronald Giphart, die hij als volgt samenvat: ‘Kortom, mannen die hun vrouwen weggeven en daar spijt van krijgen. Het is een mooi thema, dat Ronald Giphart kalm en gecontroleerd uitwerkt.’ Misschien dat Joost daar graag mee op de bank kruipt op een donderdagavond, maar ik ga verdrietig gapen van mannen die menen dat een vrouw iets is wat je weg kunt geven.
  • Grote Drie-alarm: komt deze keer in vermomming, wederom in De Groene. In zijn bespreking van verzamelde essays van Simon Vestdijk (nummer 4?) haalt Kees ‘t Hart enthousiast het werk aan van nummer (ja, welk, 1, 2 of toch 3?): ‘Men kan Van het Reve natuurlijk afwijzen als “figuur”, het is mogelijk niet van zijn werk te houden, maar men kan geen literaire kritiek uitoefenen in de gangbare betekenis.’ Opdat we niet vergeten dat de literatuur autonoom is en Reve God.
  • Gekkigheid: Arjen Fortuin haalt me in NRC aan in zijn column over Elena Ferrante (citatiescore ^). Fortuin heeft de gave altijd alles van de zonnige kant te zien en beschouwt ‘Elena Ferrante’ als een artistieke creatie, kortom als een personage geschapen door een auteur. In De Groene las ik dat twee jaar eerder al de auteur ontmaskerd is door computationeel stilistisch onderzoek. Het verlangen aan een vaste vorm en je naam in je paspoort te ontsnappen, het is niet meer van deze tijd. De onderzoeksjournalist pint je identiteit vast via je bankrekening, de geesteswetenschapper via je schrijfstijl, de breinwetenschapper via je neuronen en de politicus via je land van geboorte. Het maakt citaten als ‘Very well, then I contradict myself, I am large, I contain multitudes’, of  ‘How dreary – to be – Somebody! How public – like a Frog’ hopeloos romantisch en achterhaald. Enfin, vooralsnog sloeg de opgewektheid van Fortuin nog niet op mij over.
  • dieptepunten: 0,0% vrouwen in Vrij Nederland en in De Morgen staan 4 van de 5 vrouwen in de ‘Signalementen’, waarbij ze alle vier mede-auteurs zijn en twee daarvan kinderboekenschrijfsters.
  • nog dieper: Het houdt niet op, niet vanzelf: Maxim Hartman is nog steeds aan zet in de Volkskrant. Wat kunnen we doen om hem te laten stoppen? Bel me.

#lekkertellen #37: Bart Smit-statistiek

Joehoe! Op de dag dat Asha ten Broeke van Twitter werd verwijderd omdat trollen haar ‘gerapporteerd’ hadden vanwege haar commentaar op de nieuwe Bart Smit-folder (guess who daarin door een miniatuur-supermarkt loopt en wie speelgoed krijgt om ontdekkingen te doen?), is het zo ver: #lekkertellen, nieuwe stijl, namelijk #lekkerkort. Hoe zag de taakverdeling in het huishouden van de boekenbijlagen van deze week eruit en wat viel er op?

ldv_lekkertellen37_bartsmitfolder

De cijfers: een Bart Smit-huishouden

Deze week voldoet aan het model: rond de 30% vrouwen en 70% mannen. Niet aan een ideaalmodel dus, maar aan het Bart Smit-model dat zich nu al maanden achter elkaar aftekent in boekenbijlagenlandschap.

schermafbeelding-2016-10-04-om-22-24-12

hoogtes, dieptes, gekkigheden

  • Hoogte: veel aandacht voor Teju Cole, die vorige week in Nederland was. Zijn verhaal over kunst, racisme en Eurocentrisme werd integraal afgedrukt in De Groene, in Vrij Nederland staat een groot interview met hem en in NRC Handelsblad staat een bespreking van zijn essaybundel.
  • Gekkigheid: In De Standaard wordt de nieuwe roman van Stefan Hertmans besproken, die het verhaal van een vrouw uit 1100 vertelt. Grootste commentaar van de mannelijke recensent:

Maar hij offert haar nooit op voor zijn verhaal. Wellicht heeft hij te veel respect voor haar historische bestaan. Als de roman één zwakte heeft, ligt ze daar: we horen haar nooit. We zien haar bewegen, we krijgen signalen van haar pijn en verlangen, we zien wat zij ziet, maar het scherm van duizend jaar blijft staan. “Ik raak de oude putrand aan. Ik raak Hamoutal aan”, schrijft hij gloedvol in Caïro. Het blijft helaas een aanraking van steen in een roman vol zelfbeheersing die het grote schrijverschap van Stefan Hertmans zo typeert.

Dat dit vrouwelijke personage niet tot leven komt, is dat een gevolg van respect voor haar historische bestaan (hoe dan?), of toch eerder onwil of onvermogen van de schrijver om zich in te leven in een vrouw? En waarom met deze afstandelijkheid het personage niet voor het verhaal opgeofferd zou worden, is mij een raadsel.

  • Diepte: Nederland gidsland en de vrouwelijke niet-minister president.
    Co Welgraven geeft een wat matige bespreking van het boek Hare Excellentie. Zestig jaar vrouwelijke ministers in Nederland van Monique Leyenaar als hij zich verliest in een staaltje male innocence over het niet-minister-presidentschap van Marga Klompé. Nederland was reuze vooruitstrevend, dus het had maar een haartje gescheeld of we hadden een vrouwelijke premier gehad, aldus Welraven. Een zelf-uitgedeelde pluim voor Nederland dus. Maar Marga Klompé zei nee, en waarom? Ze vond dat ze over onvoldoende kennis op financieel-economisch terrein beschikte en dat “de situatie psychologisch niet rijp is om een vrouw tot minister-president te maken”. [mijn nadruk]
    Hoe vooruitstrevend is een land wérkelijk als vrouwen van het kaliber Klompé zichzelf nog altijd klein maken (‘onvoldoende kennis’) én inschatten dat het land in een onheilzame staat van emancipatiekramp zou schieten bij een vrouwelijke premier? De situatie is overigens psychologisch nog steeds niet rijp in ‘vooruitstrevend’ Nederland, waar we welgeteld één vrouwelijke lijsttrekker hebben (Marianne Thieme).
  • Gekkigheid: Carel Peeters pullt een Nesciootje als openingszin en Herman Brusselmans heeft een boek over een schrijver geschreven, en die schrijver is hij zelf.

 

 

 

Ferrante en de economie van het pseudoniem

Italiaanse journalist Claudio Gatti meent onthuld te hebben wie er achter het pseudoniem Elena Ferrante schuilgaat. Hij ging op zoek naar haar identiteit door vastgoedtransacties te onderzoeken , volgens het principe Follow The Money – alsof Ferrante een belastingfraudeur is. Het artikel verscheen tegelijkertijd in de NYR daily, de Frankfurter Allgemeine Zeitung, in de Italiaanse Il Sole 24 Ore, en op de Franse site voor onderzoeksjournalistiek Mediapart. Dat Gatti ondertussen nul komma nul belangstelling heeft voor de literatuur zelf, valt hier na te lezen.

Op deze agressieve vorm van onderzoeksjournalistiek is inmiddels door velen kritisch gereageerd, en terecht. Ik zelf dacht behalve aan alle ethische vragen die het najagen van iemands ‘ware identiteit’ oproept, in eerste instantie vooral aan de economische kant van de zaak. Want van wie kwam dat geld waar de vermeende Ferrante in Rome vastgoed van kon kopen? Als Lezeres des Vaderlands weet ik het antwoord wel: van hoofdzakelijk (alhoewel zeker niet uitsluitend) vrouwelijke lezers die trouw haar boeken kopen. En dat geld is niet gaan stromen dankzij een georkestreerd media-circus, waarin de beroemde auteur van interview naar media-event rolt. Ferrante onttrekt zich nadrukkelijk aan de overspannen aandachtseconomie waar Gatti wél op inspeelt: hij immers haakt in op een cultuur die zit te wachten op de ontmaskering van Ferrante, omdat die cultuur totaal geobsedeerd is door celebreties.

Laten we evenmin vergeten dat niet alleen het reële, maar ook het symbolische kapitaal voor Ferrante grotendeels via vrouwen tot haar kwam. Het zijn toch hoofdzakelijk (alhoewel zeker niet uitsluitend) de vrouwelijke critici, vertalers, boekhandelaren en uitgeverij-medewerkers die haar boeken roemen en blijvend onder de aandacht brengen. Wat zowel het artistieke als commerciële succes van Ferrante duidelijk maakt, is dat vrouwen een serieuze economische en politieke macht vertegenwoordigen in de literaire wereld.

 Economische inventiviteit en het pseudoniem

Er is naar aanleiding van de onthullingen over Ferrante al veel geschreven over de publieke positie van de vrouwelijke succesauteur, en waarom er anno 2016 nog steeds voor een vrouw goede redenen kunnen zijn om ondanks succes (of juist vanwege dat succes) niet met de eigen naam bij het publiek bekend te willen zijn. Maar om tot de kern van haar pseudonimiteit te komen, kan het ook helpen om haar literatuur nog eens ter hand te nemen, en te kijken wat daarin wordt gezegd over de relatie tussen vrouwelijke (on)zichtbaarheid en economie.

In Ferrantes Napolitaanse romanserie is het verlangen om als autobiografisch persoon voorgoed te verdwijnen tot onderwerp van haar literatuur verheven. Dat verlangen komt in de roman direct voort uit de afhankelijke positie waarin vrouwen gedwongen worden. Een gewelddadige kennis van Lila, één van de hoofdpersonen, eist van haar dat ze toestaat dat haar trouwfoto om commerciële doeleinden in zijn schoenenwinkel wordt opgehangen. Zij gaat overstag, maar ze bewerkt vervolgens de uitvergrote foto tot een avantgardistisch kunstwerk. Zij, mooie jonge vrouw, wordt geacht klanten te trekken met haar uitzonderlijke schoonheid, veilig ingekaderd in het wit van de trouwjurk en het kader van de fotolijst. Zij breekt echter uit het kader en verknipt en vertekent de foto zo radicaal dat ze zichzelf compleet onzichtbaar heeft gemaakt.

 

Dat wil zeggen: haar ‘conventionele’ zelf is onzichtbaar geworden. Het nieuwe portret onthult wél ongefilterd de scheppingskracht van haar gevoelige intelligentie. De autobiografische persoon verdwijnt, maar de individualiteit van Lila die in de conventionele trouwfoto (en bij uitbreiding, in haar huwelijk) nergens een plaats kon krijgen, komt nu in zijn volle kracht tevoorschijn. Het verdwijnen is dus niet alleen een passieve manier om jezelf te beschermen tegen al te brutale ogen. Het gaat veel dieper dan dat, de daad van het verdwijnen maakt een unieke creatieve energie vrij. Vrouwelijke energie, die in de patriarchale samenleving nu net ingekapseld moest blijven tot een enkel voor de echtgenoot (en zijn zakenvrienden) te benutten bron.

Toch stapt Lila hiermee niet buiten een economisch verdienmodel. Haar scheppende daad blijkt er eentje te zijn die een geheel nieuw economisch succes oplevert voor de schoenenwinkel, want de Napolitaanse haute bourgeoisie voelt zich aangetrokken tot het avant-garde kunstwerk van autodidact Lila en komt daarom graag in de schoenenzaak. Dankzij Lila komt er nu een zeer kapitaalkrachtig publiek naar de winkel. Het hoeft natuurlijk geen betoog dat Ferrante hiermee impliciet ook iets zegt over de aantrekkingskracht van haar eigen romans.

Zo beschouwd lijkt het onzichtbaar-worden dus hoofdzakelijk een constructieve strategie voor een vrouw in een complexe situatie. Toch wordt het verknippen van de foto in de roman wel degelijk beschreven als een manier van Lila om zichzelf te beschadigen, om agressie ten opzichte van zichzelf uit te leven. Kunst, lijkt Ferrante ons voor te houden, is niet uitsluitend gericht op ‘zelfexpressie’ en ‘individuele bevrijding’, maar komt tegelijkertijd uit duistere bronnen voort. Het is althans voor Lila een manier om het geweld waaraan zij als vrouw bloot staat ter hand te nemen en op de eigen persoon te richten. En dat is een verontrustende gedachte, zeker als we Lila’s artistieke streven naar onzichtbaarheid interpreteren als een spiegel voor de onzichtbaarheid van Ferrante.

Daarmee stelt de roman overigens ook indringende vragen over het esthetisch genot van de bourgeoisie. En tot die bourgeoisie reken ik mijzelf, en u, lezer, voor het gemak ook maar even. De brute onderdrukking van de vrouw in de arme Zuid-Italiaanse gezinnen, waar het slaan van vrouw en kinderen de norm is, daar vinden wij geen schoonheid in. Het leugenachtige beeld van de conventionele trouwjurk en de conventionele trouwfoto ontmaskeren we gemakkelijk. Een onconventioneel versneden ‘avantgardistisch’ zelfportret echter vinden we fascinerend, terwijl toch ook daar evident geweld uitspreekt. Verhuld geweld, in een ander esthetisch register uitgedrukt, maar toch: geweld.

Het is typerend voor Ferrantes werk, waar ik geen ander woord voor kan bedenken dan ‘radicaal’. Niet radicaal in de zin van politiek extreem, maar radicaal in de betekenis van de wortel der dingen onderzoekend, tot de naakte essentie komend. Wij lezers krijgen een fundamentele vraag gesteld: als we Ferrante bewonderen om haar superieure vermogens het verhaal steeds opnieuw te schikken en te herschikken (precies zoals Lila deed met haar portret), zijn we dan niet ook al bezig geweld te bewonderen, gesublimeerd geweld weliswaar, maar nog steeds: geweld?

Eerlijk is eerlijk: niet alleen Gatti wil haar “ware identiteit” weten. Het is ook te kort door de bocht om het verlangen de auteur te kennen uitsluitend toe te schrijven aan de wetmatigheden van een celebrity-cultuur. Ik vermoed dat heel veel trouwe lezers wel eens speculeren over de persoon achter de boeken. Niet omdat het ertoe doet, maar omdat het ons op de een of andere manier afleiding geeft. Omdat we zo verlost worden van de opdracht die moeilijke relatie tussen pseudonimiteit, creativiteit en naar binnen gericht geweld direct onder ogen te komen, plús onze medeplichtigheid als lezers hierbij. Terwijl  Ferrante ons wel dwingt deze ingewikkelde kluwen van nabij te beschouwen, precies omdat ze zelf van het toneel is gestapt. Ergens is het een opluchting het gesprek te kunnen verleggen naar de nogal infantiele kwestie: “wie is de auteur”? Wisten we maar wie dit alles had geschreven, want dan konden we die kennis gebruiken om de schok die haar literatuur teweegbrengt enigszins te temperen.

Gatti heeft zonder enige belangstelling voor het literaire werk zelf de auteur tot openbaarheid gedwongen. Daarmee heeft hij grote schade toegebracht aan de literaire kunst van Ferrante, omdat de radicaliteit van haar werk (en daarmee ook alle moeilijke vragen die het werk aan ons stelt) teniet wordt gedaan. Het is een vorm van agressie tegen kunst die schokkend is, en geen enkele steun of vergoelijking verdient. Ook niet van lezers die misschien zelf wel eens speculeren over wie mogelijk toch dat bijzonder werk geschreven heeft.