De carrousel van de goede bedoelingen: Sander van Walsum

Sander van Walsum schreef dit weekend in de Volkskrant een veelbesproken stuk over de vertwijfeling waaraan hij als witte man van midden vijftig ten prooi is gevallen, nu het racisme-debat zo hoog oplaait. Van Walsum gaat onder meer in op White Innocence van Gloria Wekker, die betoogt dat Nederland in de koloniale tijd een feliciterend zelfbeeld heeft ontwikkeld dat we ook na de koloniale periode nooit echt hebben losgelaten.

Het stuk van Van Walsum verscheen niet toevallig rond 1 juli, de dag waarop we als Nederland de afschaffing van de slavernij gedenken. Hij stelt in zijn stuk twee herdenkingen tegenover elkaar: 4 mei en 1 juli, en beweert dat de groepen die deelnemen aan deze herdenkingen weinig tot niets met elkaar te maken hebben:

Zo maakt het feit dat bij de Nationale Dodenherdenking per se kinderen van ‘zwarte scholen’ moeten opdraven op mij een nogal geforceerde indruk. Omgekeerd heb ik tot dusverre nooit de behoefte gevoeld om een bijeenkomst bij het Nationaal Monument Slavernijverleden bij te wonen. Dat zou een betrokkenheid – of schuldgevoel – vereisen waaraan het mij simpelweg ontbreekt.

Hier knipt Van Walsum op een dubieuze manier de samenleving op in twee groepen. Zoals de naam al zegt, is de Nationale Dodenherdenking een nationale aangelegenheid. Dat betekent dat eenieder die onderdeel is van onze natie bij die herdenking betrokken kan worden, ongeacht huidskleur of herkomst van de ouders. Ik kwam zelf uit een (overigens witte) klas waar helemaal niemand direct geraakt was door de oorlog: geen kinderen van oorlogsslachtoffers en geen kinderen van collaborateurs. Tóch leerden wij dat het belangrijk was om deel te nemen aan 4 mei. Als het goed is kweek je immers bij iedere nieuwe generatie de bereidheid om zich verantwoordelijk te voelen voor de collectieve daad van het herinneren. Daar is omgekeerd een samenleving voor nodig die állen gelijkelijk op die verantwoordelijkheid aanspreekt.

Misschien heb ik het destijds allemaal verkeerd begrepen, maar gedenken op 4 mei heeft volgens mij alleen zin als je moeilijke kwesties niet uit de weg gaat, zoals de nogal beschamende rol van Nederland in de Jodenvervolging. Waartoe dient stilstaan als je niet bereid bent na te denken over welke Nederlandse structuren en mentaliteiten deze tragedie toen mede mogelijk maakten? En hoe kwalijk zou het zijn om die zelfkritische reflex alleen aan witte kinderen over te dragen, omdat het “geforceerd” zou zijn er “zwarte scholen” (wat dat overigens ook moge wezen) bij te betrekken!

Ook in het Nationaal Monument Slavernijverleden zit het woordje “Nationaal” verborgen. Ik zie niet in wat hier het verschil is met 4 mei: het zijn toch beide beladen hoofdstukken uit de Nederlandse geschiedenis? Of het nu de Tweede Wereldoorlog of het koloniale verleden is, de bereidheid te aanvaarden dat er een collectief gedeelde verantwoordelijkheid is om ons een pijnlijk verleden te blijven herinneren is identiek.

Maar daar zit bij Van Walsum nu net de crux. Omdat hij weigert die collectieve verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het één, maakt hij van de weeromstuit van 4 mei ook een herdenking die alleen “bepaalde” groepen aangaat. Alsof het onmogelijk zou zijn een nationale collectieve herinneringscultuur te creëren waar voor beide geschiedenissen ruimte zou zijn.

Een retorische tweedeling

Dit creëren van een tweedeling gebeurt ook in het begin van het stuk, waarin Van Walsum kwistig het woord “neger” rondstrooit. Daarmee sluit hij retorisch precies die mensen buiten die – overigens al decennialang – in niet mis te staan bewoordingen hebben laten weten van dat woord absoluut niet gediend te zijn. Zij worden geacht dit woord tóch maar weer te slikken en door te lezen, en zo niet dan staan ze als lezers buiten de deur. Waarom houden Nederlandse journalisten als Van Walsum (maar ook Sylvia Witteman, Frits Abrahams en Youp van ’t Hek, en ongetwijfeld nog vele anderen) zo vast aan dat woord? Omdat ze zo blind overtuigd zijn van hun eigen goede bedoelingen, beschouwen ze het doen van fundamenteel racistische uitspraken juist als bewijs van het ontbreken van racisme? Ik had dit niet kunnen zeggen als ik het niet, uiteindelijk, goed bedoel. Ondertussen laat je als schrijver aan een segment van je lezers direct weten dat je ze compleet negeert, omdat je hun bezwaren tegen het woord (dat inhoudelijk niets toevoegt aan je stuk) terzijde schuift.

Dat Van Walsum niet wenst te onderkennen dat zonder fel activisme het racisme van Zwarte Piet nog altijd in de blinde vlek was blijven zitten, is eveneens symptomatisch. Feitelijk troost hij zichzelf met de gedachte dat witte Nederlanders heus niet ziende blind waren, en heus niet al te arrogant dachten: ik zie het probleem niet, dus is er geen probleem. Zo wordt dus ontkend dat het heel lang genegeerde ándere perspectief cruciaal is geweest om Nederland te doen inzien dat deze figuur moet veranderen.

Hij maakt bovendien zijn eigen “onschuldige” jeugdherinnering tot hét nationale verhaal – alsof er niet allerlei mannen van zijn leeftijd zijn die tegenovergestelde herinneringen hebben aan het Sinterklaasfeest en vooral aan de racistische grappen die ze dankzij Zwarte Piet hebben moeten verduren. Waarom vertegenwoordigt zijn herinnering een “nationale” en “collectieve” herinnering en is daarin geen enkele ruimte voor de kindertijd-herinnering van die mensen die toen al voor Zwarte Piet werden uitgescholden?

Van Walsum slaat daarnaast het antiracistisch activisme uit de jaren tachtig en negentig volledig over, activisme dat toch van mede-Nederlanders kwam en net zo goed onderdeel is van ons collectieve verleden als Van Walsums herinneringen. Als er dan toch aan journalistieke zelfkritiek gedaan moet worden, dan ben ik eerlijk gezegd nieuwsgieriger naar hoe hij nu terugkijkt op zijn handelen als journalist in de jaren tachtig en negentig, dan zijn sentimentele verslag van een kindertijd waar hij nog over het kroeshaar van de ‘goedlachse’ George uit Tanzania mocht aaien.

Goede bedoelingen?

Ten slotte dit. Er zit een grote tegenstrijdigheid in het hele stuk. Ja, zegt Van Walsum, nu ik Wekker gelezen heb, zie ik wel dat het goede-bedoelingen-denken waarmee ik ben opgegroeid door en door paternalistisch en dus racistisch was. Echter: door de worsteling  van zijn generatie, van “de samenleving waarin ik ben opgegroeid” (alsof die samenleving toen een homogeen geheel was…) zo centraal te stellen wordt wederom het goede-bedoelingen-denken nieuw leven in geblazen, van de vijftiger Van Walsum in het heden dit keer. Immers: wie bezwaar aantekent tegen zijn woordgebruik en retoriek is af, omdat die lezer niet bereid zou zijn om de auteur een beetje krediet te geven. Zien we dan niet dat hij het goed bedoelt? En zo wordt er dus lippendienst bewezen aan de analyse van Wekker, om vervolgens de relatie tussen tekst en lezer precies te baseren op de “goede intenties van de witte man” waar Wekker haar kritische analyse op heeft gericht. Noem me een party pooper, ik vind niet dat we in het anti-racisme debat zo bijzonder veel progressie boeken.

 

Advertenties