Geciteerd racisme

‘Ze maken nog een paar negergrappen op die speciale toon van hoogopgeleide mensen die heel goed weten dat die niet door de beugel kunnen.’

Franca Treur, De woongroep (2014)

‘Waarom houden Nederlandse journalisten zo vast aan dat woord’, zo vroeg ik me in mijn kritiek op Sander van Walsum af. Ja, waarom? Zoals altijd begon ik bij het kraken van zo’n harde noot met #lekkertellen. Daarom heb ik het woord ‘neger’, ‘negerin’ en (o tempora) ‘dobberneger’ ingevoerd in de digitale krantenbank LexisNexis bij vier kranten (en omdat LexisNexis niet compleet is, nog eens gezocht op de krantensites zelf), gemeten vanaf januari 2016 tot heden (6 maanden dus).* Hier de uitslag:

  • De Telegraaf: 5 artikelen
  • Algemeen Dagblad: 5 artikelen
  • NRC Handelsblad: 20 artikelen
  • de Volkskrant: 33 artikelen

Dat is een opmerkelijk verschil – wie zo min mogelijk met deze terminologie geconfronteerd wil worden kan dus op basis van de cijfers beter een abonnement nemen op De Telegraaf dan de Volkskrant. Getallen zeggen echter niet alles. Want vooropgesteld: een flink aantal hits komen voort uit het feit dat de Volkskrant en NRC veel uitgebreider dan de andere twee kranten schrijven over het antiracismedebat in Nederland (zo was in de onderzochte periode het veranderde onderschrift-beleid in het Rijksmuseum een veelbesproken onderwerp).

Dat het onderwerp leeft blijkt ook al uit het feit dat de Volkskrant een verstandig redactioneel commentaar schreef met bruikbare inzichten over schadelijk taalgebruik; daarin verkondigde de redactie het woord ‘allochtoon’ voortaan te zullen gaan vermijden. En ook: ‘Andere besmette woorden (homofiel, neger) zijn tevens uit het vocabulaire van de redactie verdwenen.’ Tegelijkertijd verdedigde hoofdredacteur Philippe Remarque onlangs te vuur en te zwaard zijn NRC-collega’s die onder vuur waren kwamen liggen omdat ze een romancitaat waarin het woord ‘nigger’ voorkwam tot kop hadden verheven.

Via Remarque komen we tot de kern: veel – maar overigens niet al! – het racistische taalgebruik in de artikelen is geciteerd racisme. Is echter dankzij de aanhalingstekens het probleem van tafel?

Dat ligt complexer. Ik ben daarom eens voorbij de getallen gegaan en heb in de hits gezocht naar de manieren waarop in NRC en de Volkskrant dit woord gebezigd wordt. Voor het overzicht ga ik eerst in op de opiniërende stukken (er komen 4 patronen aan bod), daarna zeg ik kort nog iets over de journalistieke berichtgeving. In wat volgt, zal ik zelf ook de citaten opnemen. Het is geen vreugdevolle lectuur, maar ik heb besloten dat wel te doen, omdat juist de veelheid van het materiaal kan laten zien hoe wijdverbreid dit is en van welke patronen er dus sprake is.

Geciteerd racisme in opiniërende artikelen

De grote verschillen tussen de Volkskrant en NRC enerzijds en De Telegraaf en Algemeen Dagblad anderzijds vallen voor een substantieel toe te schrijven aan de columnistiek. Hier zij overigens opgemerkt dat er in de hits zeker columnisten waren die zich op consciëntieuze wijze van problematische termen bedienden, bijvoorbeeld omdat ze werkelijk inhoudelijk iets wilden zeggen over racistisch taalgebruik (Jutta Chorus bijvoorbeeld, in de column ‘Racisme is altijd maar een grapje’).

Vaak echter lijkt er eerder van een ‘poging tot humor’ of juist tot een claim op onschuld sprake te zijn. Ik heb getracht 4 patronen te identificeren in de manier waarop opiniemakers in NRC en de Volkskrant dit woord inzetten.

Patroon 1: Vroeger kon je het nog zeggen

 Ooit was het een veel gebezigd woord, nu is het woord niet langer geaccepteerd (zie het al eerder genoemde redactionele commentaar van de Volkskrant of deze column van woord-deskundige Ewoud Sanders in NRC). Het vergt tijd voordat die verschoven norm ook bij iedereen tot praktijk is geworden, maar het is 2016 en de vraag is hoe vaak het columnisten-leger nog gaat opmerken dat vroeger de zaken anders lagen dan nu. Met andere woorden: dat het verschil tussen vroeger en nu onophoudelijk herontdekt lijkt te kunnen worden, lijkt behalve een teken van ideeën-armoede toch vooral een manier om het woord in circulatie te houden. Enkele voorbeelden:

  • ‘Bob (was) erg donker, ja, hij zag er zelfs uit als wat toen een “neger” heette.’ [1]
  • ‘Seedorf is een mooi mens. Een eindredacteur van de krant en ik hebben het sinds we samenwerken over “de grootste neger ooit”. Dat is hij natuurlijk niet en we weten dat het woord neger, hoewel het gewoon in Van Dale staat, tegenwoordig een negatieve connotatie heeft, onder meer door verwijzingen naar de slavernij.’ [2]
  • ‘Als politieke correctheid zich met ons taalgebruik bemoeit, ondervinden we daar hinder van. Vooral voor publicisten is het er niet makkelijker op geworden. Wanneer je vroeger een neger beschreef, mocht je volstaan met “neger” en wist iedereen wat je bedoelde. Nu moet hij met “zwart(e)” worden aangeduid, wat onduidelijker is omdat het ook “zwartharig: kan betekenen.’ [3]
  • ‘Een goed geschapen zwarte vrouw – zo’n vrouw die vroeger nog ongestraft negerin werd genoemd – zit naakt met geloken ogen op een verhoging’ [4]
  • ‘Zet een negerin op een reclameposter en half Nederland is ziedend. Zet er géén negerin op en ze zijn ook ziedend. Schrijf negerin en ze zijn ziedend’ [5]

In het laatste citaat zit geen directe verwijzing naar vroeger, maar in de context van de column past dit citaat heel goed binnen het patroon, want die column draait om een veronderstelde verregaande vertrutting van Nederland ten opzichte van ‘vroeger’, toen we ons nog niet zo druk maakten. 

Patroon 2: Nostalgisch racisme citeren

In het verlengde van voorgaande patroon ‘vroeger kon je het nog zeggen’: nostalgisch oude boeken doorbladeren.

  • Naar aanleiding van een racistische reclame in China begon een brievenschrijver in een brief getiteld ‘Negertje Flop’ totaal ongerelateerd heerlijk te mijmeren over Pa Pinkelman, waar de briefschrijver nog steeds ‘fan’ van is. [6] Met genoegen werd de inhoud van een racistisch stripje uit de jaren vijftig nog eens naverteld, zonder dat er enige conclusie werd getrokken of sprake was van voortschrijdend inzicht.
  • Op een soortgelijke manier als deze brievenschrijver was columnist Sylvia Witteman heerlijk aan het bladeren in een oude Kijk en zie eens wat er daar stond: ‘De tekst bleek hier en daar wat… ouderwets (“Negers blijken geen hoger IQ te hebben naarmate ze méér blank bloed in hun aderen hebben”) maar toch nog steeds goed leesbaar.’ [7]

Patroon 3: Weet je wie pas racistisch zijn? Mensen die De Telegraaf lezen!

Een vaste columnvorm onder Nederlandse columnisten is het opvoeren van een fictief gesprekje. Het zijn deze fictieve figuren die dan vervolgens racistische taal uitslaan. Dat zijn, als het om racisme gaat, opvallend vaak lager opgeleiden.

  • Een column waarin politieagenten werden opgevoerd die zogenaamd, vanwege het Typhoon-debacle, haastig geleerd kregen om niet raciaal te profileren. Een nogal wezenlijk onderwerp, maar de columnist Kuitenbrouwer vond het blijkbaar vooral een goed moment eens flink raillerend tekeer te gaan en eindigde met het volgende humoristisch bedoeld dialoogje tussen instructeur en politie-agent: ‘Wat zien wij hier?’ ‘Een skiënde neger?’ ‘Precies. Ik dank u wel.’[8]
  • In een recente column voert Youp van ’t Hek een evident fictieve ‘goede Turkse vriend’ op, iemand die op een politiek incorrecte manier spreekt maar een hartje van goud heeft. In de column gaat dat als volgt: ‘Erol zei meteen dat hij weet dat het woord neger ook niet meer mag, maar dat elke mongool een neger gewoon een neger noemt. Vandaar. Hij wilde voortaan best zeggen dat mensen met een verstandelijke beperking nooit oerwoudgeluiden maken naar mensen met een donkere huidskleur. Dat is politiek volkomen correct, maar het is een nogal brede zin die niet lekker je mond verlaat en het klopt niet. Mensen met een verstandelijke beperking doen dat namelijk wel in een voetbalstadion. Mongooltjes doen dat niet.’ [9]

Patroon 4: Als je de denkfout van racisten typeert, kun je het woord zelfs zonder aanhalingstekens gebruiken

  • In een column over islamfobie van Jonathan van het Reve werd de denkfout van racisten als volgt samengevat: ‘precies zoals racisten eraan voorbij gaan dat niet elke neger of jood hetzelfde karakter heeft.’ [10]
  • Nog een column over de aanhouding van Typhoon en de racistische reacties die dit weer opriep. Eerst gebruikt Arnon Grunberg het woord ‘neger’ nog met aanhalingstekens, maar ten slotte doet hij een voorstel waarin de term gebruikt wordt in de Swiftiaanse satirische trant van a modest proposal: ‘Laten we om te beginnen de A2 neger-, moslim- en Jodenvrij maken. Daarna volgen de andere snelwegen.’ [11]

Geciteerd racisme in journalistieke berichtgeving

Ten slotte: ingewikkeld vind ik journalistieke berichtgevingen over racistische incidenten, waar door de journalist zelf omstandig racistische uitspraken van derden geciteerd worden. Dat wordt vaak gedaan om te laten zien hoe ‘schokkend’ en ‘erg’ de uitspraken zijn, en ik zie wel in dat het soms van belang is écht het talige geweld te laten zien. Wel lijkt het me goed om bij ieder geval opnieuw de vraag te stellen wat citeren toevoegt – je zou op de redactie ook kunnen afspreken dat het bijvoorbeeld volstaat te melden dat Sylvana Simons vele racistische opmerkingen te verduren kreeg op social media zonder die opmerkingen zelf ook nog eens uitgebreid te citeren. Via het citaat blijven die uitspraken immers circuleren, wordt Simons nóg eens onderworpen aan gewelddadig taalgebruik.

Enfin, deze kwestie lijkt enigszins op de vraag hoe je omgaat met gewelddadige foto’s, en een eenduidige richtlijn is hier misschien niet te geven, of zal van geval tot geval verschillen. Persoonlijk zou ik het van een goede journalistieke ethiek vinden getuigen als de kranten in gesprek zijn met de personen die de afgelopen jaren slachtoffer zijn geweest van massale racistische scheldpartijen en hún positie (het gescheld wel of niet citeren) hierin leidend laten zijn.

Te gemakkelijk wordt vergeten dat ook degene die citeert een verantwoordelijkheid draagt. Het feit dat iemand anders ‘begon’, om het in schoolpleintaal uit te drukken, is niet altijd een excuus. De aanhalingstekens maken het uiteraard anders dan als je zelf heel direct de term in de mond neemt, maar daarmee ligt er nog steeds de verantwoordelijkheid heel zorgvuldig af te wegen of het citaat werkelijk nodig is.

 

* deze getallen zijn indicatief maar niet heel hard. LexisNexis mist ook artikelen als je op zoekwoord zoekt, evenals de krantensites zelf.

[1] Sylvia Witteman, ‘Bob en Daphne’, de Volkskrant, 28 mei 2016

[2] Willem Vissers, de Volkskrant, 25 januari 2016

[3] Frits Abrahams, ‘Juffrouw’, NRC Handelsblad, 15 maart 2016

[4] Frits Abrahams, ‘Zwarte, blote borsten’, NRC Handelsblad, 21 juni 2016

[5] Christiaan Weijts, ‘De Islam, de paashaas en tietjes’, NRC Handelsblad, 17 maart 2015

[6] Geachte redactie, de Volkskrant, 4 juni 2016

[7] Sylvia Witteman, ‘OQ een IQ’, de Volkskrant, 21 mei 2016

[8] Jan Kuitenbrouwer, ‘Huurmoordenaar in Canta’, NRC Handelsblad, 25 juni 2016

[9] Youp van ’t Hek, ‘Verstandelijk beperkt’, NRC Handelsblad, 30 april 2016

[10] Jonathan van ’t Reve, ‘Islamofobie: onzinnig begrip’, de Volkskrant, 14 mei 2016

[11] Arnon Grunberg, ‘Voetnoot’, de Volkskrant, 2 juni 2016

Zes maanden #lekkertellen: het overzicht

Lieve lezeressen en lezers,

U wordt in de boekenbijlagen al enige weken om de oren geslagen met leestips voor de vakantie. Ook ik heb mijn praktische fleecetrui uit de kast gehaald en de fietstassen ingeladen: summer is here! Ik turf en tel natuurlijk wel trouw door deze zomer, want van wekenlang voor de tent sudoku’s invullen wordt een mens ook niet vlugger. De wekelijkse blogposts over de cijfers komen echter na de zomer weer (mijn favoriete natuurcampings hebben geen wifi).

Fig. 1 In de zomer sluit De Lezeres de tent
Fig. 1 In de zomer sluit De Lezeres de tent

Maar voordat het zomerreces werkelijk begint, terug naar de basis: #lekkertellen 2016, eerste semester. Voor iedereen die denkt dat het wel meevalt heb ik hier de harde cijfers van de afgelopen 6 maanden nog even voor u op een rijtje gezet. Tip: bestudeer ze met een olijke sombrero op en een margarita in de hand, dat helpt om de stemming goed te houden, want de cijfers gaan dat niet doen.

U kent me ondertussen en weet hoeveel ik van orde hou: daarom eerst een klassement met het aantal besproken vrouwen (A). Daarbij alvast opgemerkt: naar schatting is ⅓ van alle uitgegeven auteurs vrouw (ik heb dit nog niet #gelekkerteld). Stelt u zich op het wat Droogstoppelige standpunt dat boekenbijlages geen enkele rol te vervullen hebben in het verbeteren van de positie van de vrouwelijke auteur en slechts ‘de markt’ hoeven te volgen, dan zou je een boekenbijlage die rond de 33% vrouwen bespreekt representatief kunnen noemen. Laat mij u alvast verklappen dat slechts 2 boekenbijlages daarbij in de buurt komen.

Vervolgens een ranglijst van de boekenbijlages met de minste en de meeste vrouwelijke recensenten (B).

A. Percentage / aantallen besproken vrouwelijke auteurs

Een handzame grafiek

LdV_lekkertellen24_aut

Uitleg bij de handzame grafiek

8. Amsterdam is een stad gebouwd op palen…

en bij Het Parool is gemiddeld 80% van de besproken auteurs man en 20% vrouw. Opmerkelijk genoeg haalde het katern in de week met 100% mannelijke recensenten ook het hoogste percentage besproken vrouwen: 43%. Return of the repressed? Er zijn twee weken geweest zonder besproken vrouwen, het omgekeerde (dus geen mannen besproken) kwam niet voor.

7. de Volkskrant houdt van overzichtelijke cijfers…

maar mooi zijn ze niet. Over het geheel gezien was in dit katern drie vierde (75%) van de auteurs man en één vierde (25%) vrouw. Onder de besproken titels van vrouwelijke auteurs telde ik bovengemiddeld vaak thrillers, kinderboeken en zo nu en dan een dieet- of lifestyleboek. Niks mis met zulke genres, maar het betekent wel dat vrouwen in de categorieën literatuur en wetenschap nog sterker ondervertegenwoordigd zijn.Ook wanneer je de aandacht meet in kolommen krijgen mannen veel meer ruimte. De grote interviews, de recensies van een of meer pagina’s, het zijn zelden vrouwen die deze ereplaatsen binnen het katern bezetten. Regelmatig moest ik doorbladeren tot aan de rubriek ‘Kort & goed (of niet)’ voordat ik de eerste vrouw tegenkwam. In de rubriek ‘Signalementen’ was de verhouding vaak 7-1. In goeie weken 6-2. Maar nooit, nooit eens andersom.Laat mij u tot slot verklappen dat de Volkskrant een keer een hele bijlage wijdde aan de geboortedag van Gerard Reve én eentje aan de mannelijke lezer. Verrassende keuzes.

5/6. Vrij Nederland en NRC Handelsblad

In de afgelopen 24 weken heeft Vrij Nederland 9 (negen) edities gehad zonder besproken vrouwen…  Bij alle kleinere redacties (De Groene, Het Parool, De Morgen en De Standaard) komt dat wel eens voor (geen excuus overigens, want omgekeerd hebben ze nooit edities zonder mannen), maar VN is de koning van de bowlingbaan met deze strikes. Ik hield het niet systematisch bij, maar durf mijn leesbril erom te verwedden dat ook de speciale avondjes discobowlen met de Grote Drie de club van VN verdomd goed af zouden gaan. Het aantal besproken vrouwen na 6 maanden is 26%. Bekijk je het per week, dan valt op dat met een kleine redactie de percentages nogal schommelen, en zodoende is VN ook het enig blad dat drie keer een nummer had met meer besproken vrouwen (67%). Ga ik nu iets aardigs zeggen? Ik kijk in mijn margarita en bedenk: niet zo een royale compensatie voor gemiddeld 93% mannelijke recensenten (zie hieronder).

ldv_grotedriebowlen

 

Ook bij NRC Handelsblad was slechts 26% van de besproken boeken van een vrouw. Tsja, wat moeten we zeggen over deze bijlage door en voor de leden van het geheime Karel van het Reve-adoratiegenootschap?

4. De Groene Amsterdammer is een matige middenmoter

Gemiddeld aandeel boeken geschreven door een vrouw: 28%. Maar gelijkmatig over de issues verdeeld is dat niet, meer dan de helft van de edities (13 van de 24) werd er geen of slechts één boek van een vrouwelijke auteur besproken: 6 van de 24 weken werd er geen enkel boek geschreven door een vrouw besproken, en nog eens zeven van de 24 weken slechts één.

3. De Standaard bleef in de plooi

Het was een terugkerende deceptie bij De Standaard: waren de vrouwen stevig vertegenwoordigd bij het schrijven van de kritieken (zie verderop), lieten ze het bij de vrouwelijke auteurs nogal eens afweten. Maar liefst drie keer stonden er nul vrouwen op de teller, nog eens drie keer bleef het percentage onder de 20%. Wel zat er drie keer een score in de 50’s tussen, maar gemiddeld schoot de mv-verdeling echter terug in de hardnekkige 70/30-plooi: 29% van de besproken auteurs was vrouw, wat betekent dat 71% man was.

2. De Morgen geeft minder dan ⅓ van de taart aan vrouwen

30% van de besproken boeken was van een vrouwelijke auteur. Opmerkelijk genoeg is De Morgen daarmee de een na hoogste wat betreft besproken vrouwen (terwijl ze zoals straks zal blijken de een na laatste zijn in het klassement wat betreft vrouwelijke recensenten). Dat is natuurlijk nogal relatief met die 30%. Bovendien zijn het vrijwel altijd kleinere recensies, of (nog kleinere) signalementen. En af en toe een groot (openings)stuk over een boek van een vrouw, met steevast een aantrekkelijke auteursfoto erbij.

1. En de winnaar is Trouw

Trouw leek vooral in de maanden april en mei het goede voorbeeld te gaan geven. De aantallen vrouwelijke schrijvers en mannelijke schrijvers lagen vaak niet ver uiteen, hoewel er toch altijd wel iets meer mannelijke schrijvers werden besproken. In het katern van 28 mei werden voor een keer meer vrouwelijke dan mannelijke schrijvers besproken (12-9) door bovendien meer vrouwelijke recensenten dan mannelijke (11-8). Trouw bewees daarmee: het kan dus gewoon wel — maar dit was in deze gehele periode #lekkertellen wel het enige bewijsstuk dat ik hiervan verzamelde.Helaas zakte het dagblad daarna af met als dieptepunt de bijlage van 25 juni waarin, afgezien van twee (!) signalementen maar 1 boek van een vrouwelijk auteur werd besproken. De verdeling onder de besproken auteurs kwam zo in totaal uit op 63% man en 37% vrouw.

B. Percentage / aantallen vrouwelijke critici in de boekenbijlages

Nog een handzame grafiek

LdV_lekkertellen24_rec

Uitleg bij de handzame grafiek

8. Vrij Nederland negeert dapper de 21e eeuw

De hekkensluiter is Vrij Nederland. Uithoudingsvermogen kun je ze niet ontzeggen, want Carel Peeters zit er al sinds 1973 (negentiendrieënzeventig) en die tovert nog steeds elke week getrouw één of meerdere boeken van mannen achter zijn oor vandaan. Omdat de bijlage zo klein is en ook Jeroen Vullings als vaste medewerker heeft, bungelde VN consequent onderaan het lijstje. Gedurende de gehele #lekkertellen-periode bevatte het tijdschrift gemiddeld 93% mannelijke recensenten. In 19 van de 23 nummers schreef geen enkele vrouw over literatuur.

7. De Morgen is uit evenwicht

Interessant: De Morgen bespreekt relatief veel vrouwelijke auteurs, maar slechts 13% van de bijdragen werd door vrouwen geschreven. Ik schrijf expres ‘bijdragen’, omdat het hier niet alleen over recensies gaat. Het leeuwendeel van deze werd ingevlogen voor de rubriek op de achterkant van de boekenbijlage, waarin een schrijver wordt gevraagd iets te vertellen over een bewonderde andere schrijver. Of vrouwen schreven de kleinere recensies. 16 van de 24 weken was geen enkel of slechts één stuk van de hand van een vrouw. Feels like 1973 to me. De Morgen zit in hetzelfde concern als de Volkskrant, en neemt zeer regelmatig stukken van ze over voor hun boekenbijlage, steevast stukken van de hand van een man. Kan dat anders, vraag ik mij dan af. Wat zich hier wreekt, is dat bij de Volkskrant vrouwen óók in de regel niet de grote stukken schrijven. Dat probleem is groter dan De Morgen alleen, zoals we ook zullen zien bij de volgende publicatie in dit rijtje.

6. Het Parool blijft een mannenreservaat

Deze bijage is vrij consequent: alleen week 17 was een glorieuze uitschieter met 57% besprekende vrouwen, maar verder zit de boekenbijlage trouw rond het droevige gemiddelde van 76% besprekende mannen en 24% vrouwen. Verder doet Het Parool aan strikte arbeidsdeling: vrouwen schrijven voornamelijk kleinere recensies over poëzie en kinderboeken, de mannen doen de grotere artikelen over alle overige genres. En nu is de  kinderboekenrubriek sinds kort ook nog opgeheven, dus de vraag is of Het Parool de komende tijd af zal zakken richting Vrij Nederland-percentages — of zullen ze wat betreft de genderverhoudingen eindelijk door hun puberteit heengroeien richting volwassenheid? Het blijft spannend.

5. Groei in De Groene?

Bij De Groene was het gemiddeld aandeel schrijvende vrouwen 29%. Vijf van de 24 weken schreef er geen enkele vrouw voor de Groene. Er was niet één week waarin er meer vrouwen dan mannen boeken recenseerden; zes edities hebben een 50/50-verdeling. Zulke uitschieters (dan weer nul, dan weer 50/50) krijg je natuurlijk al snel binnen zo’n klein katern, maar het blijft jammer dat de 50/50 nooit overschreden wordt. Hoeraatje: wel nieuwe vrouwelijke critici gespot de afgelopen maanden, en ze gaven mijn leesbril de ruimte.

4. NRC lijkt ook koers te wijzigen…

In het midden van het klassement de NRC, krant voor gepensioneerde artsen en anderen. Dat heeft een van de grootste bijlagen die ik heb geteld en 30% van de recensies werd door een vrouw geschreven. De krant kreeg er in de eerste editie van #lekkertellen meteen flink van langs: ik had nogal wat rode wijn nodig om de treurige getallen weg te spoelen: 7% van de recensies waren van een vrouw. Dra gloorde er hoop: er doken recensies op van nieuwe critici, onder meer de auteurs Roos van Rijswijk en Shira Keller. Ook Niña Weijers kreeg de ruimte: zij mocht Chris Kraus interviewen. En: NRC sloeg zelf aan het #lekkertellen (zie dit artikel over literaire prijzen) en wijdde een stuk aan de vraag wat er zou veranderen als meer vrouwelijke critici zouden zijn. Wel nog met de nadruk op “zou”: vooralsnog bleven de heren week na week ruimschoots in de meerderheid. Dat komt ook omdat het non-fictiedeel van de bijlage grotendeels door heren wordt volgepend.

3. de Volkskrant doet u de groeten

Bij de Volkskrant was twee derde (67%) van de recensenten man en één derde (33%) vrouw. Wat wel mooi is: de Volkskrant heeft in een boekenbijlage nooit minder dan drie vrouwelijke recensenten gehad. Nou ja, mooi… Andersom waren er per bijlage nooit minder dan acht mannelijke recensenten, die bovendien bijna altijd grotere stukken schreven dan de vrouwen.

2. Trouw: niet bang voor evenwicht

Trouw geeft het goede voorbeeld (het rijmt niet voor niets op ‘vrouw’, merkte ik al eerder op) en zit wat betreft recensenten bijijijna op 50-50: over de hele periode genomen 54% man en 46% vrouw. Bovendien zat Trouw geen enkele keer onder 30% vrouwelijke recensenten, een percentage dat andere kranten met moeite halen als maximum!

1. De Winnaar: De Standaard!

Maar de meest gelijkwaardige verhouding vinden we bij De Standaard: 53% van de recensenten is man, 47% is vrouw. Die verdeling was geen wekelijkse wetmatigheid, de fluctuaties waren groot. Zo was er een week waarin de hele bijlage werd volgeschreven door mannen, maar daar stonden dan weer zes weken tegenover waarin de vertrouwde 70/30-verhouding in het voordeel van de vrouwelijke critici uitviel. De Standaard der Letteren werd dan ook gaandeweg dit semester mijn hoop in bange dagen: in deze boekenbijlage bleek het geen uitzondering dat een vrouwelijke recensent als Kathy Mathys of Marijke Arijs het openingsstuk schrijft, en meer dan eens turfde ik meer dan twee grote stukken van vrouwelijke hand – bijvoorbeeld van Maria Vlaar, Veerle Beel, Vanessa Joosen of Katrien Steyaert – achter elkaar.

 

De carrousel van de goede bedoelingen: Sander van Walsum

Sander van Walsum schreef dit weekend in de Volkskrant een veelbesproken stuk over de vertwijfeling waaraan hij als witte man van midden vijftig ten prooi is gevallen, nu het racisme-debat zo hoog oplaait. Van Walsum gaat onder meer in op White Innocence van Gloria Wekker, die betoogt dat Nederland in de koloniale tijd een feliciterend zelfbeeld heeft ontwikkeld dat we ook na de koloniale periode nooit echt hebben losgelaten.

Het stuk van Van Walsum verscheen niet toevallig rond 1 juli, de dag waarop we als Nederland de afschaffing van de slavernij gedenken. Hij stelt in zijn stuk twee herdenkingen tegenover elkaar: 4 mei en 1 juli, en beweert dat de groepen die deelnemen aan deze herdenkingen weinig tot niets met elkaar te maken hebben:

Zo maakt het feit dat bij de Nationale Dodenherdenking per se kinderen van ‘zwarte scholen’ moeten opdraven op mij een nogal geforceerde indruk. Omgekeerd heb ik tot dusverre nooit de behoefte gevoeld om een bijeenkomst bij het Nationaal Monument Slavernijverleden bij te wonen. Dat zou een betrokkenheid – of schuldgevoel – vereisen waaraan het mij simpelweg ontbreekt.

Hier knipt Van Walsum op een dubieuze manier de samenleving op in twee groepen. Zoals de naam al zegt, is de Nationale Dodenherdenking een nationale aangelegenheid. Dat betekent dat eenieder die onderdeel is van onze natie bij die herdenking betrokken kan worden, ongeacht huidskleur of herkomst van de ouders. Ik kwam zelf uit een (overigens witte) klas waar helemaal niemand direct geraakt was door de oorlog: geen kinderen van oorlogsslachtoffers en geen kinderen van collaborateurs. Tóch leerden wij dat het belangrijk was om deel te nemen aan 4 mei. Als het goed is kweek je immers bij iedere nieuwe generatie de bereidheid om zich verantwoordelijk te voelen voor de collectieve daad van het herinneren. Daar is omgekeerd een samenleving voor nodig die állen gelijkelijk op die verantwoordelijkheid aanspreekt.

Misschien heb ik het destijds allemaal verkeerd begrepen, maar gedenken op 4 mei heeft volgens mij alleen zin als je moeilijke kwesties niet uit de weg gaat, zoals de nogal beschamende rol van Nederland in de Jodenvervolging. Waartoe dient stilstaan als je niet bereid bent na te denken over welke Nederlandse structuren en mentaliteiten deze tragedie toen mede mogelijk maakten? En hoe kwalijk zou het zijn om die zelfkritische reflex alleen aan witte kinderen over te dragen, omdat het “geforceerd” zou zijn er “zwarte scholen” (wat dat overigens ook moge wezen) bij te betrekken!

Ook in het Nationaal Monument Slavernijverleden zit het woordje “Nationaal” verborgen. Ik zie niet in wat hier het verschil is met 4 mei: het zijn toch beide beladen hoofdstukken uit de Nederlandse geschiedenis? Of het nu de Tweede Wereldoorlog of het koloniale verleden is, de bereidheid te aanvaarden dat er een collectief gedeelde verantwoordelijkheid is om ons een pijnlijk verleden te blijven herinneren is identiek.

Maar daar zit bij Van Walsum nu net de crux. Omdat hij weigert die collectieve verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het één, maakt hij van de weeromstuit van 4 mei ook een herdenking die alleen “bepaalde” groepen aangaat. Alsof het onmogelijk zou zijn een nationale collectieve herinneringscultuur te creëren waar voor beide geschiedenissen ruimte zou zijn.

Een retorische tweedeling

Dit creëren van een tweedeling gebeurt ook in het begin van het stuk, waarin Van Walsum kwistig het woord “neger” rondstrooit. Daarmee sluit hij retorisch precies die mensen buiten die – overigens al decennialang – in niet mis te staan bewoordingen hebben laten weten van dat woord absoluut niet gediend te zijn. Zij worden geacht dit woord tóch maar weer te slikken en door te lezen, en zo niet dan staan ze als lezers buiten de deur. Waarom houden Nederlandse journalisten als Van Walsum (maar ook Sylvia Witteman, Frits Abrahams en Youp van ’t Hek, en ongetwijfeld nog vele anderen) zo vast aan dat woord? Omdat ze zo blind overtuigd zijn van hun eigen goede bedoelingen, beschouwen ze het doen van fundamenteel racistische uitspraken juist als bewijs van het ontbreken van racisme? Ik had dit niet kunnen zeggen als ik het niet, uiteindelijk, goed bedoel. Ondertussen laat je als schrijver aan een segment van je lezers direct weten dat je ze compleet negeert, omdat je hun bezwaren tegen het woord (dat inhoudelijk niets toevoegt aan je stuk) terzijde schuift.

Dat Van Walsum niet wenst te onderkennen dat zonder fel activisme het racisme van Zwarte Piet nog altijd in de blinde vlek was blijven zitten, is eveneens symptomatisch. Feitelijk troost hij zichzelf met de gedachte dat witte Nederlanders heus niet ziende blind waren, en heus niet al te arrogant dachten: ik zie het probleem niet, dus is er geen probleem. Zo wordt dus ontkend dat het heel lang genegeerde ándere perspectief cruciaal is geweest om Nederland te doen inzien dat deze figuur moet veranderen.

Hij maakt bovendien zijn eigen “onschuldige” jeugdherinnering tot hét nationale verhaal – alsof er niet allerlei mannen van zijn leeftijd zijn die tegenovergestelde herinneringen hebben aan het Sinterklaasfeest en vooral aan de racistische grappen die ze dankzij Zwarte Piet hebben moeten verduren. Waarom vertegenwoordigt zijn herinnering een “nationale” en “collectieve” herinnering en is daarin geen enkele ruimte voor de kindertijd-herinnering van die mensen die toen al voor Zwarte Piet werden uitgescholden?

Van Walsum slaat daarnaast het antiracistisch activisme uit de jaren tachtig en negentig volledig over, activisme dat toch van mede-Nederlanders kwam en net zo goed onderdeel is van ons collectieve verleden als Van Walsums herinneringen. Als er dan toch aan journalistieke zelfkritiek gedaan moet worden, dan ben ik eerlijk gezegd nieuwsgieriger naar hoe hij nu terugkijkt op zijn handelen als journalist in de jaren tachtig en negentig, dan zijn sentimentele verslag van een kindertijd waar hij nog over het kroeshaar van de ‘goedlachse’ George uit Tanzania mocht aaien.

Goede bedoelingen?

Ten slotte dit. Er zit een grote tegenstrijdigheid in het hele stuk. Ja, zegt Van Walsum, nu ik Wekker gelezen heb, zie ik wel dat het goede-bedoelingen-denken waarmee ik ben opgegroeid door en door paternalistisch en dus racistisch was. Echter: door de worsteling  van zijn generatie, van “de samenleving waarin ik ben opgegroeid” (alsof die samenleving toen een homogeen geheel was…) zo centraal te stellen wordt wederom het goede-bedoelingen-denken nieuw leven in geblazen, van de vijftiger Van Walsum in het heden dit keer. Immers: wie bezwaar aantekent tegen zijn woordgebruik en retoriek is af, omdat die lezer niet bereid zou zijn om de auteur een beetje krediet te geven. Zien we dan niet dat hij het goed bedoelt? En zo wordt er dus lippendienst bewezen aan de analyse van Wekker, om vervolgens de relatie tussen tekst en lezer precies te baseren op de “goede intenties van de witte man” waar Wekker haar kritische analyse op heeft gericht. Noem me een party pooper, ik vind niet dat we in het anti-racisme debat zo bijzonder veel progressie boeken.