Ik ben niet boos, ik ben verdrietig: #lekkertellen week 22

  1. De week in cijfers
Welke emoticon benadert uw emotie over de M/V-verhouding in de boekenbijlage het meeste?

#lekkertellen 24 (22)

2. De gevoelens over de cijfers

Trouwe lezers! Deze week heeft U via een Twitter-enquete besloten dat het thema ‘emoties’ is. Peinzend over dit onderwerp moest ik denken aan de vijf fasen in rouwverwerking die Elisabeth Kübler-Ross heeft beschreven. Wellicht zijn er in gender-discussies ook wel stadia te onderscheiden.  Als ik me niet vergis, zijn we Fase één, van negeren, stilzwijgen en ontkennen, langzamerhand aan het afronden. Dat bleek vorige week al uit de reactie van Beatrijs Ritsema in Vrij Nederland, die duidelijk in een moment van boze afweer (Fase twee?) aan feministes als de Lezeres allerlei wonderlijke standpunten toeschreef, zonder toe te komen aan de feiten, noch aan de werkelijke argumenten.

Zag ik deze week Wilma de Rek in de Volkskrant een soortgelijke manoeuvre als Ritsema maken? De Rek stelde dat De Lezeres beweert dat romans “alleen gelezen (worden) door oudere vrouwen met kortgeknipt haar, platte schoenen en een leesbril”. Ik beweer dit natuurlijk niet, maar ze wenste duidelijk op geen enkele manier geassocieerd worden met dit beeld over vrouwen van haar en mijn leeftijd. Om te bewijzen hoe ver ze afstaat van mijn standpunt gaf ze in een special over ‘mannelijke lezers’ ruim baan aan… Maxim Hartman. Nu ja, dichter bij de bron van gemakzuchtige stereotypering kun je niet komen.

 

Fig. 1. Een oudere vrouw met kortgeknipt haar, platte schoenen en een leesbril

Goed. De toon is gezet en de sfeer zit er in. Door naar Aleid Truijens in dezelfde special, die in haar beschouwing de harde cijfers noemt (en als ik érgens dol op ben…): mannen lezen 46 minuten per dag, vrouwen 41. Vrouwen lezen 11 boeken per jaar, mannen 9. Mannen lezen per week 0,3 uur een literair boek, vrouwen halen 0,5 uur. Ze merkt bovendien op dat mannen nauwelijks geïnteresseerd zijn in de discussie over de verhouding tussen mannen, vrouwen en literatuur, maar heeft net daarover dan weer geen harde cijfers – als ik mijn Twittervolgers bekijk durf ik die stelling toch wel te nuanceren.

3. Emoties: De rem erop

Komen we dan nu bij het thema zelf: valt er iets op in de manier waarop Nederlandse recensenten over emoties schrijven? Jawel, en als u geduldig doorleest zal het patroon u zeker opvallen.

Beginnen we bij Arie Storm. Hij roemt in Het Parool het “eigenaardige universum van Maarten ’t Hart, waar het broeierig is” en concludeert: “Dit is kortom iemand die zich laat gaan, maar wel met de rem erop. Die zich altijd bewust is van het feit dat hij bekeken zou kunnen worden.” Storm bedoelt dat lovend, dat met die rem. Daarnaast typeert Storm de opwinding die ’t Hart voelt over de melkklieren van een tiener als een ‘universeel’ gegeven. Universeel? Eerder meen ik dat deze post-gereformeerde twijfel en met schuld beladen en dus geremde seksuele verlangens, nogal generatie- en sekse-specifiek zijn.

Dat patroon zet zich voort in Vrij Nederland, in de recensie van Rob Schouten van Patrick Modiano. “[D]e mens is onkenbaar”, zo vat Schouten Modiano samen. Dat is te zien in de personages, volgens Schouten: “Zij blijven raadselachtig. Ook in hun diepere gevoelens.” Schouten waardeert deze onkenbaarheid als positief – en ik kan niet nalaten te denken, omdat het deze diepere emoties veilig in het afstandelijke domein van de epistemologische twijfel plaatst. De rem erop! Bedroefder is Schouten over het ontbreken van ‘“olala”-erotiek’ bij Modiano. Het scheelt niet veel of de interpretatie is teruggebracht tot de brandende vraag of Modiano’s personages het eigenlijk wel met elkaar doen. Twijfel en seks, we zagen het ook al bij ‘t Hart.

Nog meer seks: “Schitterende liefdeslyriek, teder en wreed, aangrijpend, verrassend, uniek. Het is Apollinaire op zijn hoogtepunt, zonder typografische kunstjes voortgedreven dier een stralende geilheid. Met de kanonnen van de Grote Oorlog als achtergrondmuziek.” Het is duidelijk waar in het oeuvre van Apollinaire de voorkeur van Luijters (Het Parool) ligt in deze achterflapwaardige samenvatting. Een van de pornografische gedichten die Apollinaire aan zijn verloofde Madeleine Pagès stuurde is getiteld “De negen poorten van je lichaam” en “Je hoeft niet te tellen om welke openingen het gaat” stelt Luijters samenzweerderig vast, maar zelfs na nog een paar glazen wijn had ik geen idee hoe die man toch op het getal negen kwam. Pagès is na het einde van haar verloving met Apollinaire natuurlijk niet meer interessant, alsof haar leven niet meer dan grondstof voor de grote dichter was.

Schermafbeelding 2016-06-20 om 23.54.09

Fig 2. Google zoekresultaten ‘de onkenbaarheid van het bestaan’

Apollinaire kan niet egotistisch genoeg schrijven, maar dat is niet voor iedereen weggelegd. Ger Groot lijkt in NRC vooral de emotie ‘irritatie’ te voelen bij het lezen van het werk van de Argentijnse Samanta Schweblin en de Mexicaanse Valeria Luiselli. De “literatuurderigheid” van de romans irriteert Groot, samen met het feit dat de boeken “egotistisch’” zijn “op het kokette af”. Koket, dat is een woord dat zelden valt als er een man besproken wordt, en geen wonder, want al sinds de negentiende eeuw is ‘koket’  een codewoord voor vrouwen die erotische gevoelens bij mannen oproepen die niet naar wens worden ingelost.  Hoezeer voor  Groot de man de norm is, blijkt wel als hij stelt dat “de lezer” tijdens het lezen dit of dat denkt, om later naar die lezer te verwijzen met “‘hij” en “hem”. Dé lezer? Zou het niet heerlijk zijn als critici gewoon ‘ik’ zouden durven te schrijven in plaats van dat quasi-objectiverende ‘de lezer’? Enfin.

in De Standaard schrijft Martin Michael Driessen een brief aan God: “Soms denk ik dat er in de kunst vaak sprake is van een moreel of esthetisch voorwendsel dat de schrijver in staat stelt over dat te schrijven waarover hij graag schrijft. Daarvan hoeft de kunstenaar zich niet eens bewust te zijn. Hij geeft zijn madonna een aureool, maar tevens de blote borsten waar het hem in het diepst van zijn ziel om te doen was.” Deze ‘de kunstenaar’ van Driessen kan ‘de lezer’ van Groot een hand komen geven. Ach, het is in ieder geval eerlijk, zullen we maar zeggen.

Ldv_tellen22_delezer

In Ger Leppers’ bespreking van De lanterfanter van Yusuf Atilgan in Trouw gaat het om de emotie ‘angst’. De hoofdpersoon heeft namelijk aan een traumatische ervaring met zijn vader een angst voor vrouwenbenen over gehouden. Vrouwenbenen, daar is de met angst omringde erotiek weer. De roman van Atilgan gaat echter over meer dan de emotie alleen, want staat in de traditie van de modernistische ‘twijfel’ (Leppers: “Het modernistische programma wordt, kortom, keurig afgewerkt.”) Dat modernisme is een traditie van Louter Mannen, iets wat Leppers niet problematiseert, als hij niet minder dan Stendhal, Kleist, Lermontov, Machado de Assis Orhan, Pamuk, Albert Camus, Freud, Simon Vestdijk en Gerard Reve (file also under: G3-alert) aanhaalt.

Met Leppers komen we tot de kern: het modernisme viert als maatstaf nog altijd hoogtij. En dat is een maatstaf die zelden tot nooit gunstig uitvalt voor vrouwelijke auteurs en vrouwelijke personages, want aan de modernistische horizon verschijnen bijna uitsluitend romans geschreven door mannen,  boordevol ‘erotische obsessies’ die eveneens uitsluitend vanuit mannelijk perspectief worden beschreven.

ldv_tellen22_seks

4. Uitglijders & Opstekers

G3: het houdt niet op, niet vanzelf

Mark Cloostermans construeert in De Standaard nieuwe G3’s: “In de tweede helft van de twintigste eeuw deed de succesvolle auteur aan mythevorming. Reve, Mulisch, ze creëerden hun imago. Hun literaire opvolgers zetten een nieuwe stap: ze doen aan mythe-ontbinding. Thomése is een goed voorbeeld, maar ook L.H. Wieners spel met vertelinstanties en dubbelgangers dringt zich op, en uiteraard Ilja Leonard Pfeijffer en diens gestoei met zijn imago. Dat schrijvers van de daaropvolgende generatie (Joost de Vries, bijvoorbeeld) dit verstoppertje spelen een tijdverdrijf voor bejaarden vinden, is ook weer begrijpelijk.”

Jonge vrouwen met halflang haar spreken zich uit!

In haar column in De Groene ergert Niña Weijers zich aan het gemak waarmee “een Amerikaanse schrijver” die verder niet bij naam genoemd wordt zich in zijn mannelijke referentiekader wentelt en zich de complimenten van de mannelijke interviewer laat aanleunen. Weijers heeft er genoeg van en blijkt, onbewust, zegt ze, alleen boeken van vrouwen (ook van Amerikaanse, overigens) mee te hebben genomen naar haar Berlijnse residentie.

En mannen met krullend haar ook

Opsteker: Arjen Fortuin bekritiseert in NRC de manier waarop het tijdschrift Adformatie lezen (dat tegenwoordig blijkbaar binge-reading heet) aan vrouwen koppelt. Boeken zijn “fokking hot”, vrouwen lezen geen literatuur (“Mulisch”), maar Young Adult-series (“Hunger Games”), en lezen die boeken niet alleen, “ze praten er ook nog over”. Fortuin is er niet over te spreken: “je krijgt bij dit soort stukken het idee dat ze zijn geschreven door iemand die nog nooit een boek van dichtbij heeft gezien  – en misschien ook wel nooit een ‘jonge vrouw’.”Kijk, now we’re talking.

Advertenties