De selecte club van Universelen: #lekkertellen week 21

Lieve lezeressen en lezers,

We beginnen deze week met de onomstotelijke feiten:

  1. De week in cijfers#lekkertellen 23 (21)
  2. Thema van de week: universele waarden, universele lezers

Twee weken geleden klom Beatrijs Ritsema voor Vrij Nederland in de pen om de ‘canon van dode, witte mannen’ (haar woorden) te verdedigen tegenover de Lezeres des Vaderlands. Dat deed ze met zoveel verve dat ik direct een instemmend knikkende Carel Peeters en Jeroen Vullings voor me zag, die er anders in hun wekelijkse verdediging van Shakespeare, Proust, de G3 en Kellendonk helemaal alleen voor hadden gestaan.

De critica en bewaakster van hedendaagse zeden creëert in haar column een stroman om U tegen te zeggen: volgens Ritsema beweren Jannah Loontjens (hier in NRC) en ik dat mannen alleen voor mannen schrijven – en dat dát de onrechtvaardigheid is waar we tegen ageren. Ritsema kon vervolgens triomfantelijk ‘onzin’ roepen, omdat Couperus bijvoorbeeld ook voor vrouwen schreef. Wie zou het willen ontkennen? Ik herhaal nog maar weer eens wat niet alleen de vrouwen betrokken bij het Amerikaanse VIDA, Loontjes en ik, maar ook deze Australische wetenschapper wél beweren: dat vrouwelijke auteurs stelselmatig worden ondervertegenwoordigd in de literaire kritiek, wat zowel hun culturele als hun economische positie nadelig beïnvloedt. Dat met je ogen rollen om dit obligate punt niet genoeg is blijkt wel uit het feit dat Ritsema toch weer sans gêne zo’n stukje tikt en met instemming van Vrij Nederland publiceert.

Desondanks was ik Ritsema dankbaar voor haar argumentensoepje, want dreef daar niet mijn thema van deze week? Leest u even mee:

Juist romanschrijvers zijn geïnteresseerd in psychologie, persoonlijke betrekkingen, de ontwikkeling van een individu, familieconflicten, wraak, tragiek, enfin, zaken die door sommigen tot het vrouwelijke domein worden gerekend, maar die in werkelijkheid bij het universeel menselijke horen. […] De schrijvers worden niet gewaardeerd omdat het briljante mannen zijn, maar omdat ze iets van universele waarde hebben mede te delen aan een universeel publiek.

En zo viel in een kort tekstje drie keer het woord ‘universeel’, geheel volgens de logica ‘what I tell you three times is true’. Het universele als argument in literaire kritiek, het fascineert me mateloos. Wanneer vindt dat wonder, dat overstijgen van het particuliere, het uittillen naar het universele, precies plaats? Wat ís universeel? Daarop wordt nooit gereflecteerd. Niet op de vraag waarom het universele beter is dan het particuliere, niet waarom het een er wel onder valt en het andere niet. En vooral niet welke lezer verondersteld wordt wanneer iets tot universeel wordt verheven.

Afb. 1: kosmische oersoep vanuit de Planck-sonde
Afb. 1: kosmische oersoep vanuit de Planck-sonde

Daarom besloot ik deze week eens te turven op ‘universeel’ en te kijken hoe er wordt geschoven tussen het particuliere en het universele.

Kent u die van die vrouw die een universeel boek ging schrijven?

De eerste hit vond ik – oh ironie – in Vrij Nederland, al was het niet in de boekenbijlage. Het succes van Chris Kraus gaf de problematiek rond universalisme de afgelopen weken al een opkontje. Simone van Saarloos voegt daar deze week in haar column aan toe dat de roman destijds – we spreken over de jaren negentig –  ‘te dagboekachtig gevonden [werd] om als literatuur te worden gelezen’. Dat oordeel hangt volgens Van Saarloos samen met de vooroordelen over het universele en het particuliere in boeken geschreven door mannen en vrouwen: ‘Met name de ik-vertellingen van vrouwelijke auteurs worden nauwelijks als representant van een breder maatschappelijk verhaal gezien, terwijl het ‘autobiografische’ of ‘persoonlijke’ verhaal van een mannelijke auteur universele waarde krijgt toegekend.’

Het patroon dat zich hier aftekent, verfijnt zich in De Morgen. Die opent met een interview van Els Maes (nota bene: de enige vrouwelijke recensent deze week) met de Amerikaanse schrijver Catherine Lacey. Laceys punt wijkt iets af van dat van Kraus, zij stelt vast dat ‘de vraag over autobiografische elementen vaker aan vrouwelijke auteurs wordt gesteld’ en noemt dat – heel terecht – ronduit ‘beledigend’: ‘Alsof een vrouw geen fantasie heeft en alleen iets kan baren wat over haar zelf gaat.’ (Zie vooral het essay dat Lacey twee jaar geleden voor Buzzfeed schreef.)

In Vrij Nederland viel er buiten de boekenbijlage nog meer te lezen over universalisme, namelijk in het interview met emeritus hoogleraar gender en etniciteit Gloria Wekker. In haar boek White Innocence (2016) legt Wekker precies uit waarom het heersende idee van ‘het universele’ niet klakkeloos als algemeen geldend kan worden aangenomen. Het idee van een universele blik, stelt Wekker, zit ingebakken in de Nederlandse identiteit. In het koloniale tijdperk waren Nederlanders ervan overtuigd dat hun perspectief en hun handelen het beste waren voor de ontwikkeling van iedereen. Na het verlies van de positie als koloniale machthebber stortte Nederland zich in het ontwikkelingswerk (‘Wij, Nederlanders, wisten nog steeds wat het beste was voor andere landen.’) Nog steeds heerst de overtuiging dat Nederlanders het beste voor hebben met iedereen. Behalve natuurlijk met die zeurders die systematisch de keerzijde blootleggen.

Beatrijs Ritsema beschuldigde De Lezeres van het bijhouden van ‘incriminerende statistieken’ – statistieken die slechts op bescheiden wijze want enkel voor de literaire kritiek het ‘gelijke-kansen-discours’ doorprikken. Wekker laat zien dat een dergelijke zienswijze, die veronderstelt dat alles goed komt als iedereen maar ‘zijn kansen’ zou willen benutten, blind is voor het feit dat die kansen vanaf het begin al niet zo eerlijk verdeeld zijn.

Yes, the universal’s here, here for everyone

Nu we dankzij Kraus, Lacey en Wekker het leesbrilletje op hebben waardoor we zien dat termen  als ‘universele waarde’ en ‘universeel publiek’ niet zonder problemen zijn, zien we des te scherper wat er gebeurt wanneer een criticus zulke etiketten wel ongecompliceerd wildplakt. In Trouw blinkt Rob Schouten uit in de gezwollen taal die recensenten uitsluitend lijken te reserveren voor Belangrijke Mannelijke Schrijvers (BMS’s). Zijn recensie over de nieuwe DeLillo opent klassiek: eerst krijgen we een hoofdstukje voorgelezen uit de onverbiddelijke bestseller Alleen maar mannelijke collega’s (Saul Bellow, John Updike, Philip Roth en Sybren Polet komen langs). Volgt een ronkend staaltje Universele Kwaliteiten:

Bij DeLillo is het bestaan nooit anekdotisch, hij is op zoek naar het geheim van onze existentie, het wezen van onze ervaringen, ver boven het dagelijks getoeter uit. Bij hem is een verkeerschaos geen incident, maar een autonoom moment, een kosmische gebeurtenis.

Inmiddels hebben we oog voor wat het procedé dat zich hier voltrekt: deze literatuur serveert de lezer geen particuliere verhaaltjes, beschrijft geen incident, neen, niet minder dan de kosmos is hiermee gemoeid. Geen recensent die DeLillo vraagt of hij inspiratie putte uit die keer dat hij zelf in de file stond, zoals ongetwijfeld bij Catherine Lacey wél het geval zou zijn.

Neem dan de laatste alinea van de bespreking van de liefdesbrieven van Ingrid Jonker en André Brink van Annemarie van Niekerk, ook in Trouw:

Je [de Lezer, LdV] staat nu, samen met Ingrid Jonker, voor de verschrikkingen die het leven in petto heeft, voor je onvermogen om te ontsnappen aan het verlies en verraad, onverschillig of je daar nu de veroorzaker of het slachtoffer van bent. […] Die hele wirwar van tegenstrijdige emoties en ervaringen is te vinden in dit meeslepende en ontroerende boek.

Interessant is dat Van Niekerk niet vlucht in quasi-objectiverende taal, maar haar identificatieproces tijdens het lezen beschrijft. Die identificatie komt niet tot stand omdat het brievenboek iets ‘universeels’ over de liefde zegt, maar omdat de tekst haar de ruimte biedt diep door te dringen tot het het onoverzichtelijke, particuliere geval van deze ene liefde en zich ermee te vereenzelvigen.

Een recensent hoeft beslist geen bescheiden taalgebruik te bezigen. Maar het verschil tussen de opgeblazen stijl van Rob Schouten, dat het enorme belang van de BMS – en impliciet ook dat van de recensent – onderstreept staat in scherp contrast met de gloedvolle manier waarop Van Niekerk verwoordt wat de liefdesbrieven bij de lezer teweeg kan brengen.

Is het kortom wel zo vanzelfsprekend om de roman te verdedigen tegen de aanvallen van turvende feministes door het universum aan te roepen? Het ligt allemaal, zoals wel vaker, veel ingewikkelder. Wie canonieke auteurs als Charles Dickens en George Eliot leest, merkt onmiddellijk dat deze romanschrijvers heel bewust het particuliere geval centraal stelden en zo expliciet en impliciet het debat aangingen met de in hun tijd steeds dominanter wordende politieke en economische wetenschap die juist abstraheerden van de individuele gevallen.

Feministische en ook postkoloniale critici wijzen er op dat die humanistische romantraditie  leuk en aardig is, maar dat er nog altijd een hiërarchie in waardering voor individuele romangeschiedenissen bestaat. Er zijn nog altijd verhalen die al snel als ‘té particulier’ worden gezien, gemakkelijk gemarginaliseerd raken en nooit in de canon belanden. Alle romans zijn particulier, maar sommigen zijn meer particulier dan anderen. Dit type gender- en postkoloniale kritiek werkt nog altijd als een rode lap op een stier, en van de weeromstuit wordt de roman zeker in Nederland doorlopend verdedigd door er haast dwangmatig het woord ‘universeel’ op te plakken.

Het universele is, zoals de naam al doet vermoeden, een nogal veelomvattend begrip dat zo vaak wordt aangehaald dat ik er elke week wel over zou kunnen schrijven. Het is precies het soort glibberig begrip waarmee een smaakoordeel plotseling gepresenteerd kan worden als objectief oordeel. En ja, dat o zo objectieve oordeel valt wonderlijk genoeg bovenmatig vaak in het voordeel van mannelijke schrijvers uit. Let u er maar eens op, en stuur me interessante voorbeelden op onder de hashtag #BMS

  1. Uitglijders en opstekers

Onbekrompenheid over genre-verschillen

Sir Edmund van de Volkskrant opent verrassend met een groot interview met Manon Spierenburg, die YA-fantasy schrijft. Spierenberg zegt rake dingen over de misvatting dat literaire ernst altijd gepaard moet gaan met realisme, en ook dat er een veel te eenduidig beeld bestaat van het publiek voor fantasy, sci-fi en games. Een kolfje naar mijn hand!

BMS: laat het los, en mooie dingen komen op uw weg

De Zweedse bestsellerauteur Jan Guilloi beschrijft in een interview (afgenomen door  lentezonnetje Kester Freriks) hoe hij tot inzicht kwam. Wilde hij vroeger nog een BMS zijn, de ‘de geniale ongelezen schrijver’, nu is hij een bestsellerauteur die bovendien vrouwelijke spionnen wil rehabiliteren in zijn historische roman. ‘Oorlog is een mannenzaak. En de vrouwen die hun leven waagden, waren daar de dupe van,’ zegt hij. Good thinking Jan!

Oei, spannend, buiten de canon kleuren, NRC helpt!

De zomer is hier en dus nemen twee van de heren criciti van NRC even literaire vakantie. En let op, u mag ook best eens iets wat minder ingewikkelds lezen! Robert Gooijer is zeer te spreken over de nieuwe thriller van Harlan Coben, over een vrouwelijke militair met een posttraumatische stressstoornis. Geen literatuur natuurlijk, maar wel een ‘guilty pleasure voor op vakantiestranden’. Gelukkig ‘zanikt’ Coben verder ook niet te veel over het gevoel van zijn personages. Arjen Fortuin ging terug naar zijn jeugdliefde, de thrillers van Simenon en ‘verorberde Maigret en het dode meisje alsof het een nieuwe vertaalde Modiano was’. Alleen Simenon is Fortuin wat al te gortig, maar afwisselend een Modiano en een thriller is wél bon ton. Dus bestel die caipirinha op de Spaanse costa en geniet van de literette, het is u gegund! Als u na de zomer maar gewoon weer de BMS’s ter hand neemt, natuurlijk.  

Advertenties