Seks, macht en misbruik in literatuur: #nietzolekkertellen week 23

De week in cijfers

#lekkertellen week 25 (23)

Lieve lezeressen en lezers!

Was ik vorige week op zoek naar emoties, kwam ik zonder het vooraf te vermoeden uit bij seks. Deze week wilde ik het hebben over de manier waarop de boekenbijlages over seks schrijven, maar dat bleek een wat naïeve keuze. Het gaat dan al snel (alhoewel niet uitsluitend) over wat in onze samenleving nog altijd taboe is: seksueel geweld, incest. U treft mij dus in een ernstige bui deze week.

Vooraf dit: als het over dit precaire onderwerp gaat, leeft er vaak een nogal positieve kijk op de rol van de literatuur. Literatuur zou helpen om stem te geven aan dat wat anders stemloos zou blijven. Daar heb ik soms zo mijn twijfels bij. We raken hier aan de moeilijke vraag: wat is de verhouding tussen enerzijds esthetische vormgeving (al dan niet in een verhaal) en anderzijds dat wat traumatisch is? En dan heb ik het niet alleen over traumatisch op het niveau van het individu, maar op het niveau van een samenleving. Zoiets complex laat zich vaak niet eenvoudig met een verhaal of in esthetische vorm “rond” maken.

Kortom: een verhaal vertellen wordt vaak gezien als manier om het slachtoffer “stem” te geven, om iets dat in de taboesfeer zat kenbaar te maken. En die functie kan een verhaal zeker hebben. Maar het lastige is dat een verhaal ook “rondheid” suggereert: als iets dat zich laat vangen door een begin, midden en een einde. En het is precies die precaire spanning die de rol van kunst vaak zo lastig maakt, want verhalen (of, in bredere zin, vormen van esthetisering) kunnen juist ook problemen verhullen. Omdat alles wat niet “in” de verhaalvorm of het esthetische beeld past, alles wat er onaf en rafelig aan is, zo onzichtbaar dreigt te worden.

Ik begon hierover te denken door De Morgen, die gekozen heeft voor een ingewikkeld coverbeeld, dat gaandeweg de boekenbijlage een steeds sterkere associatie krijgt. Laten we bij het begin beginnen. ‘Het tijdperk van de vaders is afgelopen’, koppen witte letters in een groot zwart vlak, die de aandacht trekken nog voordat mijn oog valt op de billen en rug van een mannenlichaam. Door een streep licht steekt het naakte lijf af tegen een bakstenen muur, die onwillekeurig associaties oproept met een kelder. Benen en hoofd zijn onzichtbaar in het duister. Waar gaat die hand naartoe, vraag ik me af? Wie of wat bevindt zich daar in het donker? De foto blijkt van de Vlaamse fotografe Alessandra Ruyten, die de polaroid op haar Facebook-pagina heeft geplaatst met het bijschrift ‘a friend in the dark’. Een titel die iets lugubers krijgt wanneer je ziet op welk boek het omslagbeeld in eerste instantie betrekking heeft: ‘Franse succesauteur Christine Angot schrijft incestverleden van zich af’. Plotsklaps krijgt de erotische polaroid van Ruyten connotaties van seksueel misbruik, dat door de kop in een vloeiende beweging aan ‘vaders’ wordt gekoppeld. De Morgen kiest er dus voor om een delicaat onderwerp te esthetiseren middels één beeld.

 

In Een onmogelijke liefde wordt er echter iets veel moeilijkers over incest gezegd dan vage suggesties met een kelder. In het boek onderzoek Angot het vernietigende effect van de incest door de vader: ‘[D]e incest van de vader is meer dan een seksuele daad. Het is ook een brutale, sociale agressie, die de idylle tussen moeder en dochter verstoort.’ Dan volgt de uitleg van het citaat dat De Morgen als streamer koos. Angot stelt dat in de jaren ‘50 en ‘60 de autoriteit van de vader onbetwist was: ‘Het is duidelijk dat we dit achter ons hebben gelaten. Het zijn de moeders die nu steeds meer de trom roeren.’

In de recensie van Kind van alle landen van Irmgard Keun door Christophe Vekeman blijven we bij de destructieve vaderfiguur, die gewelddadig is ten aanzien van zichzelf, zijn vrouw en zijn dochter. Uiteindelijk draait alles dan ook om hem: Kind van alle landen gaat ‘in weerwil van de perkeloze vrijheid die spreekt uit de titel, over drie mensen die onontkoombaar gevangen zitten: vrouw en dochter in de ketens waaruit de gezinsband bestaat, vader in de zeer duistere kerker van zijn eigen karakter.’ De insteek van de bespreking is echter niet zozeer de roman zelf, als wel de affaire die Keun in 1936 begon met Joseph Roth, een man die sterke gelijkenissen zou vertonen met de vaderfiguur van het 10-jarige hoofdpersonage uit haar boek. Zowel Arnon Grunberg in zijn voorwoord als Christoph Buchwald in zijn nawoord besteden aandacht aan deze relatie — en dat is begrijpelijk gezien de status van Roth, maar hiermee wordt opnieuw het verhaal van de vrouw gelegitimeerd via de band die zij met een beroemde auteur-annex-vaderfiguur had.

Het koord tussen seks, macht en misbruik wordt nog wat strakker aangetrokken in het signalement van de thriller Pluk een roos van M.J. Arlidge (m). De hoofdpersoon uit de boeken van Arlidge, de inspecteur Helen Grace, is ‘misbruikt in haar jeugd’ en laat zich ‘in haar vrije tijd vrijwillig afranselen door haar minnaar’. In deze editie maakt Grace ‘jacht op een seriemoordenaar die jonge vrouwen in een kelder opsluit’.

De seks in De Morgen draait deze week dus om de desastreuze psychologische gevolgen die de mannelijke seksualiteit voor vrouwen kan hebben, en per bovengenoemde recensie krijgt het coverbeeld een sterkere betekenis: Angot die het gevolg van incest op de moeder-dochterband onderzoekt, Keun die haar affaire met een schrijver verwerkt in een destructieve vaderfiguur en de schadelijke effecten op een kind, en de mannelijke schrijver die een verknipte vrouwenfiguur construeert die vroeger misbruikt is en nu een voorkeur heeft voor sm.

Over ingewikkelde covers gesproken: ‘Alleen al de omstreden cover maakt beducht, de foto van een ogenschijnlijk gepijnigde man. Portret uit de reeks ‘Orgiastic man’ van de Amerikaanse fotograaf Peter Hujar, die in 1969 mannen vastlegde — niet in pijn maar tijdens hun hoogtepunt. Het is schrijfster Hanya Yanagihara (VS, 1975) zelf die de foto erdoor drukt, niet als directe representatie van een van haar hoofdpersonen maar als beeld dat volgens haar veel, zo niet alles zegt over Een klein leven. Pijn en orgasme – een must read?’ Aldus Marjolein Cocq, als enige schrijvende vrouw, in Het Parool. Haar conclusie is dat het boek een must read is. Het boek is onder luid gejuich onthaald omdat het geen moeilijk onderwerp zou schuwen, maar precies hier vraag ik mij af of lege woorden als “mooi”, “prachtig” en “must read” die voortdurend vallen als het om dit boek gaat, niet precies van die one size fits all esthetische categorieën zijn waarachter de werkelijke pijn kan verdwijnen. Waardoor de consumptie van zo’n boek als pageturner een hele nare bijsmaak krijgt.

In Trouw gaat het in drie van de besproken boeken over seks en ook hier zijn in alle drie de gevallen de vrouwen objecten met wie de mannen hun nogal onaangename wil doen. In Richard Hemkers Hoogmoed beperkt de hoofdpersoon zich nog tot het ‘verlegen bepotelen’ van jonge vrouwen op zijn twijfelaar. Maar van alle bijvoeglijke naamwoorden waarmee hij die vrouwen beschrijft (verveelde, onverklaarbaar transpirerende, merkwaardig devote, overrompelend of ontnuchterend opgewonden, kribbige, al te stille, praatzieke, magere, mollige, onverschillige, overweldigende) is er niet één onverdeeld positief.

We zijn nog niet aan het einde van de relatie tusse seks, macht en geweld die we in de boekenbijlages aantreffen. In het non-fictieboek De barones en de dominee van Wim Coster heeft de getrouwde dominee Johannes van Rijn zijn 23-jarige minnares Jeannette Pruimers ‘als een overjarige loverboy’ helemaal in zijn greep. Nog griezeliger wordt het in Sergeant Bertrand van Aleksandr Skorobogatov. De schrijver liet zich voor dit boek inspireren op het waargebeurde verhaal van François Bertrand die in de negentiende eeuw de lijken van vrouwen opgroef om er seks mee te hebben. ‘Het genot in het samenzijn met een levende vrouw is niets vergeleken met dit genot,’ zei hij erover. Hoofdpersoon Nikolaj in Sergeant Bertrand is obsessief jaloers. Als hij denkt dat zijn vriendin is vreemdgegaan, loopt het uit op geweld. ‘Alleen met geweld kan Nikolaj zijn pijn de baas’, schrijft recensent Annemarié van Niekerk. Skorobogatov speelt in dit boek volgens haar met de even ‘verleidelijke als afstotelijke band tussen erotiek en geweld’. Interessant detail: hoewel het in dit boek gaat over Nikolajs ondraaglijke jaloezie, staat boven de recensie de kop: ‘Vera’s schoonheid is ondraaglijk’. Zo ligt de schuld voor het geweld toch een beetje bij de vrouw.

Dan, de laatste seks & geweld-bespreking: in Vrij Nederland recenseert Jeroen Vullings De Meisjes van Emma Cline. Ook in dit boek is seksualiteit een kernthema (iets waar in de bespreking van dit boek in De Groene deze week opmerkelijk genoeg geen woord aan gewijd werd). Of beter gezegd, dit boek richt zich op (citaat Vullings:) ‘universele thematiek: wat meisjes beweegt, in de fase van hun bestaan waarin weinig zeker is’. De meisjeservaring als zonder meer universeel, dat verwarmt mijn hart! Maar goed, terug naar ons onderwerp. Evie Boyd, de hoofdpersoon van De Meisjes blikt terug op 1969, toen ze zich als veertienjarige aansloot bij een sekte (die in vorm en inhoud enorm doet denken aan the Family, de moordende sekte rond Charles Manson). ‘Ze was een ideale prooi, een onzeker meisje dat net de bons had gekregen van haar beste vriendin, en dat in de greep van de hormonen hongerig aanliep achter de oudere broer van die vriendin. Haar nestverlatende vader hield het met een meisje van in de twintig; haar moeder ging na de scheiding onselectief op mannenjacht en hield zich verder vooral onledig met macrobiotische kuren en ­spirituele zelfzoekerij.’

De sekte waar Evie zich bij aansluit bestaat behalve uit de sekteleider vooral uit tiener- meisjes en jonge vrouwen, die seksueel gezien allemaal ‘van hem’ zijn. Vullings: ‘Seks is het wapen van dit roofdier tot verdeel en heers en ook de minderjarige Evie zal deel gaan uitmaken van zijn harem.’ Opvallend is hier hoe de focus ligt op de sekteleider als ‘roofdier’. Wat Evie, beweegt om zich bij de sekte aan te sluiten, daar gaat Vullings opvallend weinig op in. Hij beschrijft dus (zie citaat boven) haar omstandigheden, maar ingaan op de psychologische complexiteit die Cline probeert neer te zetten, werkelijk gefocaliseerd vanuit Evie, dat komt er niet van. Vorige week stond er in De Morgen een uitgebreid artikel over De Meisjes, plus een interview met Emma Cline, en daar was dat heel anders. De schrijfster vertelt in dat interview hoe ze in haar roman heeft geprobeerd weer te geven hoe wreed jonge meisjes kunnen zijn, ten opzichte van elkaar én van zichzelf. Hoe ze zichzelf plaatsen in seksueel gevaarlijke en gewelddadige situaties – dat ze zelf handelen, maar dat het misplaatst zou zijn om ze niet toch als slachtoffer van die gewelddadige situaties te zien.

Het mannelijke perspectief

Viel er ook nog iets mannelijke seksualiteit te lezen zónder dat er direct geweld mee gemoeid was? Marc Reynebeau schrijft in De Standaard over Pallieter, de eerste grote roman van Felix Timmermans (1886-1947): ‘In de Netevallei beleeft hij [hoofdpersonage Pallieter] de schepping volop als een ecologische en antiburgerlijke utopie, ook seksueel (“onvoorziene liefde smokt het best”). Hij krijgt er nooit genoeg van: “O, aarde mè a duzend borste! wannier zulde ma verzadige? noot ni!” Zijn vitalistische elan is zelfs letterlijk te nemen: zijn vrouw Marieke bevalt van een drieling. Aan het eind trekt hij met zijn gezin in een huifkar ‘de wijde wereld’ in (en neemt hij zich voor om zijn meid ‘mè ne neger’ te doen trouwen).’ Goed, we zijn hier dus op utopisch terrein beland, maar helaas: over het vrouwelijk perspectief in deze ‘utopie’ krijgen we niets te lezen, laat staan over de meningen van de vrouwelijke personages op het gebied van seks. Het citaat over ‘duzend borste’ was daarentegen blijkbaar zo inspirerend dat het de kop van het artikel werd.

Dat wegvallen van vrouwelijke perspectieven komen we ook tegen in De Standaard vertelt Astrid Roemer in een interview met Maria Vlaar vertelt dat mannen vaak over liefde en seks willen horen, maar dan wel maar over één soort: ‘Laatst werd ze geïnterviewd door een Surinaamse man die alleen maar wilde spreken over haar liefde voor Bill, haar zwarte Surinaamse minnaar over wie ze uitgebreid schrijft in Liefde in tijden van gebrek. Over de andere twee liefdes – met een zwarte Surinaamse vrouw, en met een Nederlandse blanke vrouw – wilde hij niets horen. Dat paste niet in zijn plaatje.’

Alleen heteroseksualiteit dus? Gelukkig niet alleen maar: in de Volkskrant een zweem van seks in de bespreking (door Edwin Krijgsman) van twee Italiaanse romans over homoseksualiteit: Gescheiden kamers, van de in 1991 aan aids overleden Pier Vittorio Tondelli en Schittering van Margaret Mazzantini  die schrijft over de verboden liefde tussen Guido en Costantino.

Kan het dan écht anders?

In de Volkskrant: trof ik een bespreking door Arjan Peters van de vertaalde Geheime gedichten van Guillaume Apollinaire. ‘Hij bezingt haar complete lichaam, tot en met de wenkbrauwen (bescheiden riethalmen) en wimpers (voelsprieten van genot). Zelfs roept hij ‘o okselbosjes’! Het vrouwelijk lichaam volledig geaccepteerd en geliefd, en niet eerst en vooral de vrouw als iemand waar een man zijn seksuele neurosen op mag uitleven — na alle voorgaande ellende is het zo’n opluchting dat ik het haast niet geloven kan. Maar het kan dus echt.

Ik ben niet boos, ik ben verdrietig: #lekkertellen week 22

  1. De week in cijfers
Welke emoticon benadert uw emotie over de M/V-verhouding in de boekenbijlage het meeste?

#lekkertellen 24 (22)

2. De gevoelens over de cijfers

Trouwe lezers! Deze week heeft U via een Twitter-enquete besloten dat het thema ‘emoties’ is. Peinzend over dit onderwerp moest ik denken aan de vijf fasen in rouwverwerking die Elisabeth Kübler-Ross heeft beschreven. Wellicht zijn er in gender-discussies ook wel stadia te onderscheiden.  Als ik me niet vergis, zijn we Fase één, van negeren, stilzwijgen en ontkennen, langzamerhand aan het afronden. Dat bleek vorige week al uit de reactie van Beatrijs Ritsema in Vrij Nederland, die duidelijk in een moment van boze afweer (Fase twee?) aan feministes als de Lezeres allerlei wonderlijke standpunten toeschreef, zonder toe te komen aan de feiten, noch aan de werkelijke argumenten.

Zag ik deze week Wilma de Rek in de Volkskrant een soortgelijke manoeuvre als Ritsema maken? De Rek stelde dat De Lezeres beweert dat romans “alleen gelezen (worden) door oudere vrouwen met kortgeknipt haar, platte schoenen en een leesbril”. Ik beweer dit natuurlijk niet, maar ze wenste duidelijk op geen enkele manier geassocieerd worden met dit beeld over vrouwen van haar en mijn leeftijd. Om te bewijzen hoe ver ze afstaat van mijn standpunt gaf ze in een special over ‘mannelijke lezers’ ruim baan aan… Maxim Hartman. Nu ja, dichter bij de bron van gemakzuchtige stereotypering kun je niet komen.

 

Fig. 1. Een oudere vrouw met kortgeknipt haar, platte schoenen en een leesbril

Goed. De toon is gezet en de sfeer zit er in. Door naar Aleid Truijens in dezelfde special, die in haar beschouwing de harde cijfers noemt (en als ik érgens dol op ben…): mannen lezen 46 minuten per dag, vrouwen 41. Vrouwen lezen 11 boeken per jaar, mannen 9. Mannen lezen per week 0,3 uur een literair boek, vrouwen halen 0,5 uur. Ze merkt bovendien op dat mannen nauwelijks geïnteresseerd zijn in de discussie over de verhouding tussen mannen, vrouwen en literatuur, maar heeft net daarover dan weer geen harde cijfers – als ik mijn Twittervolgers bekijk durf ik die stelling toch wel te nuanceren.

3. Emoties: De rem erop

Komen we dan nu bij het thema zelf: valt er iets op in de manier waarop Nederlandse recensenten over emoties schrijven? Jawel, en als u geduldig doorleest zal het patroon u zeker opvallen.

Beginnen we bij Arie Storm. Hij roemt in Het Parool het “eigenaardige universum van Maarten ’t Hart, waar het broeierig is” en concludeert: “Dit is kortom iemand die zich laat gaan, maar wel met de rem erop. Die zich altijd bewust is van het feit dat hij bekeken zou kunnen worden.” Storm bedoelt dat lovend, dat met die rem. Daarnaast typeert Storm de opwinding die ’t Hart voelt over de melkklieren van een tiener als een ‘universeel’ gegeven. Universeel? Eerder meen ik dat deze post-gereformeerde twijfel en met schuld beladen en dus geremde seksuele verlangens, nogal generatie- en sekse-specifiek zijn.

Dat patroon zet zich voort in Vrij Nederland, in de recensie van Rob Schouten van Patrick Modiano. “[D]e mens is onkenbaar”, zo vat Schouten Modiano samen. Dat is te zien in de personages, volgens Schouten: “Zij blijven raadselachtig. Ook in hun diepere gevoelens.” Schouten waardeert deze onkenbaarheid als positief – en ik kan niet nalaten te denken, omdat het deze diepere emoties veilig in het afstandelijke domein van de epistemologische twijfel plaatst. De rem erop! Bedroefder is Schouten over het ontbreken van ‘“olala”-erotiek’ bij Modiano. Het scheelt niet veel of de interpretatie is teruggebracht tot de brandende vraag of Modiano’s personages het eigenlijk wel met elkaar doen. Twijfel en seks, we zagen het ook al bij ‘t Hart.

Nog meer seks: “Schitterende liefdeslyriek, teder en wreed, aangrijpend, verrassend, uniek. Het is Apollinaire op zijn hoogtepunt, zonder typografische kunstjes voortgedreven dier een stralende geilheid. Met de kanonnen van de Grote Oorlog als achtergrondmuziek.” Het is duidelijk waar in het oeuvre van Apollinaire de voorkeur van Luijters (Het Parool) ligt in deze achterflapwaardige samenvatting. Een van de pornografische gedichten die Apollinaire aan zijn verloofde Madeleine Pagès stuurde is getiteld “De negen poorten van je lichaam” en “Je hoeft niet te tellen om welke openingen het gaat” stelt Luijters samenzweerderig vast, maar zelfs na nog een paar glazen wijn had ik geen idee hoe die man toch op het getal negen kwam. Pagès is na het einde van haar verloving met Apollinaire natuurlijk niet meer interessant, alsof haar leven niet meer dan grondstof voor de grote dichter was.

Schermafbeelding 2016-06-20 om 23.54.09

Fig 2. Google zoekresultaten ‘de onkenbaarheid van het bestaan’

Apollinaire kan niet egotistisch genoeg schrijven, maar dat is niet voor iedereen weggelegd. Ger Groot lijkt in NRC vooral de emotie ‘irritatie’ te voelen bij het lezen van het werk van de Argentijnse Samanta Schweblin en de Mexicaanse Valeria Luiselli. De “literatuurderigheid” van de romans irriteert Groot, samen met het feit dat de boeken “egotistisch’” zijn “op het kokette af”. Koket, dat is een woord dat zelden valt als er een man besproken wordt, en geen wonder, want al sinds de negentiende eeuw is ‘koket’  een codewoord voor vrouwen die erotische gevoelens bij mannen oproepen die niet naar wens worden ingelost.  Hoezeer voor  Groot de man de norm is, blijkt wel als hij stelt dat “de lezer” tijdens het lezen dit of dat denkt, om later naar die lezer te verwijzen met “‘hij” en “hem”. Dé lezer? Zou het niet heerlijk zijn als critici gewoon ‘ik’ zouden durven te schrijven in plaats van dat quasi-objectiverende ‘de lezer’? Enfin.

in De Standaard schrijft Martin Michael Driessen een brief aan God: “Soms denk ik dat er in de kunst vaak sprake is van een moreel of esthetisch voorwendsel dat de schrijver in staat stelt over dat te schrijven waarover hij graag schrijft. Daarvan hoeft de kunstenaar zich niet eens bewust te zijn. Hij geeft zijn madonna een aureool, maar tevens de blote borsten waar het hem in het diepst van zijn ziel om te doen was.” Deze ‘de kunstenaar’ van Driessen kan ‘de lezer’ van Groot een hand komen geven. Ach, het is in ieder geval eerlijk, zullen we maar zeggen.

Ldv_tellen22_delezer

In Ger Leppers’ bespreking van De lanterfanter van Yusuf Atilgan in Trouw gaat het om de emotie ‘angst’. De hoofdpersoon heeft namelijk aan een traumatische ervaring met zijn vader een angst voor vrouwenbenen over gehouden. Vrouwenbenen, daar is de met angst omringde erotiek weer. De roman van Atilgan gaat echter over meer dan de emotie alleen, want staat in de traditie van de modernistische ‘twijfel’ (Leppers: “Het modernistische programma wordt, kortom, keurig afgewerkt.”) Dat modernisme is een traditie van Louter Mannen, iets wat Leppers niet problematiseert, als hij niet minder dan Stendhal, Kleist, Lermontov, Machado de Assis Orhan, Pamuk, Albert Camus, Freud, Simon Vestdijk en Gerard Reve (file also under: G3-alert) aanhaalt.

Met Leppers komen we tot de kern: het modernisme viert als maatstaf nog altijd hoogtij. En dat is een maatstaf die zelden tot nooit gunstig uitvalt voor vrouwelijke auteurs en vrouwelijke personages, want aan de modernistische horizon verschijnen bijna uitsluitend romans geschreven door mannen,  boordevol ‘erotische obsessies’ die eveneens uitsluitend vanuit mannelijk perspectief worden beschreven.

ldv_tellen22_seks

4. Uitglijders & Opstekers

G3: het houdt niet op, niet vanzelf

Mark Cloostermans construeert in De Standaard nieuwe G3’s: “In de tweede helft van de twintigste eeuw deed de succesvolle auteur aan mythevorming. Reve, Mulisch, ze creëerden hun imago. Hun literaire opvolgers zetten een nieuwe stap: ze doen aan mythe-ontbinding. Thomése is een goed voorbeeld, maar ook L.H. Wieners spel met vertelinstanties en dubbelgangers dringt zich op, en uiteraard Ilja Leonard Pfeijffer en diens gestoei met zijn imago. Dat schrijvers van de daaropvolgende generatie (Joost de Vries, bijvoorbeeld) dit verstoppertje spelen een tijdverdrijf voor bejaarden vinden, is ook weer begrijpelijk.”

Jonge vrouwen met halflang haar spreken zich uit!

In haar column in De Groene ergert Niña Weijers zich aan het gemak waarmee “een Amerikaanse schrijver” die verder niet bij naam genoemd wordt zich in zijn mannelijke referentiekader wentelt en zich de complimenten van de mannelijke interviewer laat aanleunen. Weijers heeft er genoeg van en blijkt, onbewust, zegt ze, alleen boeken van vrouwen (ook van Amerikaanse, overigens) mee te hebben genomen naar haar Berlijnse residentie.

En mannen met krullend haar ook

Opsteker: Arjen Fortuin bekritiseert in NRC de manier waarop het tijdschrift Adformatie lezen (dat tegenwoordig blijkbaar binge-reading heet) aan vrouwen koppelt. Boeken zijn “fokking hot”, vrouwen lezen geen literatuur (“Mulisch”), maar Young Adult-series (“Hunger Games”), en lezen die boeken niet alleen, “ze praten er ook nog over”. Fortuin is er niet over te spreken: “je krijgt bij dit soort stukken het idee dat ze zijn geschreven door iemand die nog nooit een boek van dichtbij heeft gezien  – en misschien ook wel nooit een ‘jonge vrouw’.”Kijk, now we’re talking.

De selecte club van Universelen: #lekkertellen week 21

Lieve lezeressen en lezers,

We beginnen deze week met de onomstotelijke feiten:

  1. De week in cijfers#lekkertellen 23 (21)
  2. Thema van de week: universele waarden, universele lezers

Twee weken geleden klom Beatrijs Ritsema voor Vrij Nederland in de pen om de ‘canon van dode, witte mannen’ (haar woorden) te verdedigen tegenover de Lezeres des Vaderlands. Dat deed ze met zoveel verve dat ik direct een instemmend knikkende Carel Peeters en Jeroen Vullings voor me zag, die er anders in hun wekelijkse verdediging van Shakespeare, Proust, de G3 en Kellendonk helemaal alleen voor hadden gestaan.

De critica en bewaakster van hedendaagse zeden creëert in haar column een stroman om U tegen te zeggen: volgens Ritsema beweren Jannah Loontjens (hier in NRC) en ik dat mannen alleen voor mannen schrijven – en dat dát de onrechtvaardigheid is waar we tegen ageren. Ritsema kon vervolgens triomfantelijk ‘onzin’ roepen, omdat Couperus bijvoorbeeld ook voor vrouwen schreef. Wie zou het willen ontkennen? Ik herhaal nog maar weer eens wat niet alleen de vrouwen betrokken bij het Amerikaanse VIDA, Loontjes en ik, maar ook deze Australische wetenschapper wél beweren: dat vrouwelijke auteurs stelselmatig worden ondervertegenwoordigd in de literaire kritiek, wat zowel hun culturele als hun economische positie nadelig beïnvloedt. Dat met je ogen rollen om dit obligate punt niet genoeg is blijkt wel uit het feit dat Ritsema toch weer sans gêne zo’n stukje tikt en met instemming van Vrij Nederland publiceert.

Desondanks was ik Ritsema dankbaar voor haar argumentensoepje, want dreef daar niet mijn thema van deze week? Leest u even mee:

Juist romanschrijvers zijn geïnteresseerd in psychologie, persoonlijke betrekkingen, de ontwikkeling van een individu, familieconflicten, wraak, tragiek, enfin, zaken die door sommigen tot het vrouwelijke domein worden gerekend, maar die in werkelijkheid bij het universeel menselijke horen. […] De schrijvers worden niet gewaardeerd omdat het briljante mannen zijn, maar omdat ze iets van universele waarde hebben mede te delen aan een universeel publiek.

En zo viel in een kort tekstje drie keer het woord ‘universeel’, geheel volgens de logica ‘what I tell you three times is true’. Het universele als argument in literaire kritiek, het fascineert me mateloos. Wanneer vindt dat wonder, dat overstijgen van het particuliere, het uittillen naar het universele, precies plaats? Wat ís universeel? Daarop wordt nooit gereflecteerd. Niet op de vraag waarom het universele beter is dan het particuliere, niet waarom het een er wel onder valt en het andere niet. En vooral niet welke lezer verondersteld wordt wanneer iets tot universeel wordt verheven.

Afb. 1: kosmische oersoep vanuit de Planck-sonde
Afb. 1: kosmische oersoep vanuit de Planck-sonde

Daarom besloot ik deze week eens te turven op ‘universeel’ en te kijken hoe er wordt geschoven tussen het particuliere en het universele.

Kent u die van die vrouw die een universeel boek ging schrijven?

De eerste hit vond ik – oh ironie – in Vrij Nederland, al was het niet in de boekenbijlage. Het succes van Chris Kraus gaf de problematiek rond universalisme de afgelopen weken al een opkontje. Simone van Saarloos voegt daar deze week in haar column aan toe dat de roman destijds – we spreken over de jaren negentig –  ‘te dagboekachtig gevonden [werd] om als literatuur te worden gelezen’. Dat oordeel hangt volgens Van Saarloos samen met de vooroordelen over het universele en het particuliere in boeken geschreven door mannen en vrouwen: ‘Met name de ik-vertellingen van vrouwelijke auteurs worden nauwelijks als representant van een breder maatschappelijk verhaal gezien, terwijl het ‘autobiografische’ of ‘persoonlijke’ verhaal van een mannelijke auteur universele waarde krijgt toegekend.’

Het patroon dat zich hier aftekent, verfijnt zich in De Morgen. Die opent met een interview van Els Maes (nota bene: de enige vrouwelijke recensent deze week) met de Amerikaanse schrijver Catherine Lacey. Laceys punt wijkt iets af van dat van Kraus, zij stelt vast dat ‘de vraag over autobiografische elementen vaker aan vrouwelijke auteurs wordt gesteld’ en noemt dat – heel terecht – ronduit ‘beledigend’: ‘Alsof een vrouw geen fantasie heeft en alleen iets kan baren wat over haar zelf gaat.’ (Zie vooral het essay dat Lacey twee jaar geleden voor Buzzfeed schreef.)

In Vrij Nederland viel er buiten de boekenbijlage nog meer te lezen over universalisme, namelijk in het interview met emeritus hoogleraar gender en etniciteit Gloria Wekker. In haar boek White Innocence (2016) legt Wekker precies uit waarom het heersende idee van ‘het universele’ niet klakkeloos als algemeen geldend kan worden aangenomen. Het idee van een universele blik, stelt Wekker, zit ingebakken in de Nederlandse identiteit. In het koloniale tijdperk waren Nederlanders ervan overtuigd dat hun perspectief en hun handelen het beste waren voor de ontwikkeling van iedereen. Na het verlies van de positie als koloniale machthebber stortte Nederland zich in het ontwikkelingswerk (‘Wij, Nederlanders, wisten nog steeds wat het beste was voor andere landen.’) Nog steeds heerst de overtuiging dat Nederlanders het beste voor hebben met iedereen. Behalve natuurlijk met die zeurders die systematisch de keerzijde blootleggen.

Beatrijs Ritsema beschuldigde De Lezeres van het bijhouden van ‘incriminerende statistieken’ – statistieken die slechts op bescheiden wijze want enkel voor de literaire kritiek het ‘gelijke-kansen-discours’ doorprikken. Wekker laat zien dat een dergelijke zienswijze, die veronderstelt dat alles goed komt als iedereen maar ‘zijn kansen’ zou willen benutten, blind is voor het feit dat die kansen vanaf het begin al niet zo eerlijk verdeeld zijn.

Yes, the universal’s here, here for everyone

Nu we dankzij Kraus, Lacey en Wekker het leesbrilletje op hebben waardoor we zien dat termen  als ‘universele waarde’ en ‘universeel publiek’ niet zonder problemen zijn, zien we des te scherper wat er gebeurt wanneer een criticus zulke etiketten wel ongecompliceerd wildplakt. In Trouw blinkt Rob Schouten uit in de gezwollen taal die recensenten uitsluitend lijken te reserveren voor Belangrijke Mannelijke Schrijvers (BMS’s). Zijn recensie over de nieuwe DeLillo opent klassiek: eerst krijgen we een hoofdstukje voorgelezen uit de onverbiddelijke bestseller Alleen maar mannelijke collega’s (Saul Bellow, John Updike, Philip Roth en Sybren Polet komen langs). Volgt een ronkend staaltje Universele Kwaliteiten:

Bij DeLillo is het bestaan nooit anekdotisch, hij is op zoek naar het geheim van onze existentie, het wezen van onze ervaringen, ver boven het dagelijks getoeter uit. Bij hem is een verkeerschaos geen incident, maar een autonoom moment, een kosmische gebeurtenis.

Inmiddels hebben we oog voor wat het procedé dat zich hier voltrekt: deze literatuur serveert de lezer geen particuliere verhaaltjes, beschrijft geen incident, neen, niet minder dan de kosmos is hiermee gemoeid. Geen recensent die DeLillo vraagt of hij inspiratie putte uit die keer dat hij zelf in de file stond, zoals ongetwijfeld bij Catherine Lacey wél het geval zou zijn.

Neem dan de laatste alinea van de bespreking van de liefdesbrieven van Ingrid Jonker en André Brink van Annemarie van Niekerk, ook in Trouw:

Je [de Lezer, LdV] staat nu, samen met Ingrid Jonker, voor de verschrikkingen die het leven in petto heeft, voor je onvermogen om te ontsnappen aan het verlies en verraad, onverschillig of je daar nu de veroorzaker of het slachtoffer van bent. […] Die hele wirwar van tegenstrijdige emoties en ervaringen is te vinden in dit meeslepende en ontroerende boek.

Interessant is dat Van Niekerk niet vlucht in quasi-objectiverende taal, maar haar identificatieproces tijdens het lezen beschrijft. Die identificatie komt niet tot stand omdat het brievenboek iets ‘universeels’ over de liefde zegt, maar omdat de tekst haar de ruimte biedt diep door te dringen tot het het onoverzichtelijke, particuliere geval van deze ene liefde en zich ermee te vereenzelvigen.

Een recensent hoeft beslist geen bescheiden taalgebruik te bezigen. Maar het verschil tussen de opgeblazen stijl van Rob Schouten, dat het enorme belang van de BMS – en impliciet ook dat van de recensent – onderstreept staat in scherp contrast met de gloedvolle manier waarop Van Niekerk verwoordt wat de liefdesbrieven bij de lezer teweeg kan brengen.

Is het kortom wel zo vanzelfsprekend om de roman te verdedigen tegen de aanvallen van turvende feministes door het universum aan te roepen? Het ligt allemaal, zoals wel vaker, veel ingewikkelder. Wie canonieke auteurs als Charles Dickens en George Eliot leest, merkt onmiddellijk dat deze romanschrijvers heel bewust het particuliere geval centraal stelden en zo expliciet en impliciet het debat aangingen met de in hun tijd steeds dominanter wordende politieke en economische wetenschap die juist abstraheerden van de individuele gevallen.

Feministische en ook postkoloniale critici wijzen er op dat die humanistische romantraditie  leuk en aardig is, maar dat er nog altijd een hiërarchie in waardering voor individuele romangeschiedenissen bestaat. Er zijn nog altijd verhalen die al snel als ‘té particulier’ worden gezien, gemakkelijk gemarginaliseerd raken en nooit in de canon belanden. Alle romans zijn particulier, maar sommigen zijn meer particulier dan anderen. Dit type gender- en postkoloniale kritiek werkt nog altijd als een rode lap op een stier, en van de weeromstuit wordt de roman zeker in Nederland doorlopend verdedigd door er haast dwangmatig het woord ‘universeel’ op te plakken.

Het universele is, zoals de naam al doet vermoeden, een nogal veelomvattend begrip dat zo vaak wordt aangehaald dat ik er elke week wel over zou kunnen schrijven. Het is precies het soort glibberig begrip waarmee een smaakoordeel plotseling gepresenteerd kan worden als objectief oordeel. En ja, dat o zo objectieve oordeel valt wonderlijk genoeg bovenmatig vaak in het voordeel van mannelijke schrijvers uit. Let u er maar eens op, en stuur me interessante voorbeelden op onder de hashtag #BMS

  1. Uitglijders en opstekers

Onbekrompenheid over genre-verschillen

Sir Edmund van de Volkskrant opent verrassend met een groot interview met Manon Spierenburg, die YA-fantasy schrijft. Spierenberg zegt rake dingen over de misvatting dat literaire ernst altijd gepaard moet gaan met realisme, en ook dat er een veel te eenduidig beeld bestaat van het publiek voor fantasy, sci-fi en games. Een kolfje naar mijn hand!

BMS: laat het los, en mooie dingen komen op uw weg

De Zweedse bestsellerauteur Jan Guilloi beschrijft in een interview (afgenomen door  lentezonnetje Kester Freriks) hoe hij tot inzicht kwam. Wilde hij vroeger nog een BMS zijn, de ‘de geniale ongelezen schrijver’, nu is hij een bestsellerauteur die bovendien vrouwelijke spionnen wil rehabiliteren in zijn historische roman. ‘Oorlog is een mannenzaak. En de vrouwen die hun leven waagden, waren daar de dupe van,’ zegt hij. Good thinking Jan!

Oei, spannend, buiten de canon kleuren, NRC helpt!

De zomer is hier en dus nemen twee van de heren criciti van NRC even literaire vakantie. En let op, u mag ook best eens iets wat minder ingewikkelds lezen! Robert Gooijer is zeer te spreken over de nieuwe thriller van Harlan Coben, over een vrouwelijke militair met een posttraumatische stressstoornis. Geen literatuur natuurlijk, maar wel een ‘guilty pleasure voor op vakantiestranden’. Gelukkig ‘zanikt’ Coben verder ook niet te veel over het gevoel van zijn personages. Arjen Fortuin ging terug naar zijn jeugdliefde, de thrillers van Simenon en ‘verorberde Maigret en het dode meisje alsof het een nieuwe vertaalde Modiano was’. Alleen Simenon is Fortuin wat al te gortig, maar afwisselend een Modiano en een thriller is wél bon ton. Dus bestel die caipirinha op de Spaanse costa en geniet van de literette, het is u gegund! Als u na de zomer maar gewoon weer de BMS’s ter hand neemt, natuurlijk.  

De Vrouw als Lyrisch Subject: #lekkertellen week 20

Lieve lezeressen en lezers, Maar liefst drie grote opstekers voor vrouwelijke auteurs, afgelopen week! Eerst won Esther Verhoef de Gouden Strop. Zij is daarmee de derde vrouwelijke winnaar van deze prijs in 30 jaar — des te opmerkelijker omdat het genre ‘literaire thriller’ door vrouwelijke auteurs wordt gedomineerd, zoals we vorige week nog in deze rubriek zagen. […]

#lekkertellen literaire prijzeneditie

Dankzij #lekkertellen weten we dat vrouwelijke auteurs significant minder en kleinere recensies krijgen dan mannen. Maar nu is de vraag: hoe zit het met de verwerving van literaire respectabiliteit? Op de site van De Groene neem ik de proef op de som en tel ik de winnaars van literaire prijzen. Winnen vrouwen de laatste tijd vaker een prijs en is er sprake van een kentering, of moeten we niet te vroeg juichen? En welke sekse sleepte er zes miljoen euro meer aan prijzengeld in de wacht dan de andere (hieronder een hint)?

 

ldv_money

#lekkertellen literaire prijzeneditie

De Anna Bijns Prijs stopt ermee. De stichting (in 1985 opgericht door Renate Dorrestein, Anja Meulenbelt, Caroline van Tuyll en Elly de Waard) heeft haar doelstelling gewijzigd en gaat in plaats van de prijs uit te reiken publieksevenementen en discussies organiseren. Mede ingegeven door de wens om de enkelvoudige categorie ‘vrouw’ te ontstijgen, zo blijkt uit de verklaring die ze geeft:

De doelstelling is met de tijd veranderd: van een tweejaarlijkse prijs voor een Nederlandse schrijfster, verbreedt de stichting haar focus door meerdere stemmen aan bod te laten komen. Door een programmering waarin ook niet-westerse stemmen aan bod komen wil de stichting vrouwelijke schrijvers regelmatiger onder de aandacht brengen.

In 1985 werd de prijs opgericht om de ‘P.C. Hooftprijs een weerwoord’ te bieden en hij wordt sindsdien elke twee jaar aan een Nederlandse schrijfster uitgereikt. De winnaar kreeg een kunstwerk en tienduizend euro. In 2013 merkte de Anna Bijns Stichting nog op dat de prijs nog niet aan relevantie had ingeboet omdat vrouwen nog altijd ‘in de schaduw van literaire mannen’ verblijven.

Bij haar winst van de Anna Bijns Prijs voor De consequenties in 2014 deelde Niña Weijers die observatie, maar uitte ze ook kritiek op het bestaan van de prijs omdat die vrouwen als aparte categorie behandelt:

Het is ook niet ideaal, seksistisch zelfs, zo’n prijs alleen voor vrouwen. Alsof de vrouw een minderheid is, laat staan een aparte afdeling.

Eerder had Jamal Ouarachi al zijn pijlen gericht op literatuurprijzen voor vrouwen, maar vanuit een andere motivatie, namelijk dat vrouwen de lat niet hoog genoeg leggen. Anders dan een bijna verstikking door een wasabinootje heb ik hier verder geen aanstoot aan genomen en verwijs ik naar de bingokaart van loze argumenten voor het gebrek aan vrouwen.

Zijn de afschaffing van de Anna Bijns Prijs en de weerstand die succesvolle jonge vrouwelijke auteurs als Weijers ertegen voelen een teken dat prijzen voor vrouwen anno 2016 overbodig zijn geworden? Zou het kunnen dat er in literair prijzenland een verschuiving gaande is en kan de afschaffing van speciale prijzen die verschuiving misschien zelfs bespoedigen? Tijd voor een #lekkertellen: literaire prijzeneditie!

Lees verder op de site van de Groene Amsterdammer