De Lezeres en Het Lijk in de Boekenbijlage: #lekkertellen week 19

Lieve lezeressen en lezers,

De critici der lage landen buigen zich deze week over de kanshebbers voor de Gouden Strop. Als het over thrillers gaat, ben ik altijd op mijn hoede, want het schijnt mijn favoriete genre te zijn. Zo probeerde Arjen Ribbens zich in NRC Handelsblad in mij te verplaatsen om de dalende maar nog altijd hoge verkoopcijfers van de Nederthriller te verklaren, het genre waarbinnen vooral vrouwelijke schrijvers succesvol zijn: ‘Zijn de lezeressen van wat wel eens badinerend de “oestrogeenthriller” is genoemd uitgekeken op spannende boeken over kwaadaardige kraamhulpen?’

  1. De week in cijfers

Ondertussen zag ik mezelf voor een heel ander mysterie geplaatst: de score voor vrouwen in de literaire katernen duikt deze week weer onder de 30% — alsof schrijvende vrouwen buiten de thriller om maar niet interessant willen worden. Dol op misdaadromannetjes als ik ben vroeg ik me af: wie zou dit verontrustende beeld op z’n geweten hebben?

lekkertellen week 19

Is het Het Parool, mijn usual suspect, dat deze week weer een standaardbeeld laat zien? De enige twee vrouwelijke recensenten bespreken poëzie en jeugdliteratuur. Maarten Moll snijdt een man/vrouw-kwestie aan, maar is nog niet aan zelfreflectie op het boekenkatern toegekomen. Ik houd nu al mijn adem in! Of moeten we misschien ons vizier richten op de Volkskrant met slechts 18% vrouwelijke recensenten en 15% vrouwelijke auteurs? Een andere verdachte is NRC Handelsblad, dat van de 16 auteurs maar 3 vrouwelijke auteurs bespreekt. Eigenlijk is dat nog toeval ook, want waren er geen vrouwen genomineerd voor de Gouden Strop, dan had Robert Gooijer rustig Nog Meer Mannen gerecenseerd in zijn stuk over de vier kanshebbers. Mag u raden wie van hen ‘huiselijke horror’ schrijft.

image

In een goede whodunit schuilt de oplossing altijd in de details — een vertrapte sigarettenpeuk, een losgewaaide haar, een onverklaarbare deuk in een achterbumper. Deze week houd ik dus mijn vergrootglas boven de recensies: op welk spoor zetten de adjectieven die de critici gebruiken ons? Ontwaren we wellicht een opmerkelijk patroon in de bijvoeglijke naamwoorden voor mannelijke en vrouwelijke auteurs, voor hun stijl of thematiek? Zet uw leesbrilletje op en speur mee met De Lezeres!

  1. Thema  van de week: het bijvoeglijk naamwoord

Buiten het afzetlint

Hoewel Vrij Nederland een bekende is van de adjectievenpolitie, staat het blad deze week buiten verdenking. Vullings recenseert Het opzienbarende verhaal van Robert Coombes van Kate Summerscale en de bijvoeglijk naamwoorden die hij uit de kast trekt zijn louter positief: ze schrijft ‘in haar karakteristiek nuchtere, nauwgezet op feiten toegesneden’ manier ‘intrigerende true crime-proza’ dat ‘aangenaam’ is en ‘een imponerende wending’ kent. Ook De Standaard blijft buiten het afzetlint: Vervoort noemt Meester van Chahdortt Djavann ‘de verrassendste thriller van het voorjaar. Het boek combineert een doordachte structuur met een strak en onverbloemd taalgebruik’. Het gelukkigste meisje ter wereld van Jessica Knoll is ‘verbluffend sterk en verbazend knap geschreven’, en Hilde Vandermeeren is ‘een van onze grote talenten in het genre’.

Forensisch sporenonderzoek: intellect en universele emoties

Op het plaats delict treffen we interessante bewijsstukken aan. In NRC Handelsblad veel mannelijk intellect, zoals Pjeroo Robjee, die volgens Sebastiaan Kort ‘een onbegrensde woordenschat’ heeft en ‘zulke verrukkelijke archaïsmen en welluidende volzinnen’ schrijft — en van ‘spielerei’ is volgens Kort geen sprake, want hier heet het ‘bewuste overdaad’. Michel Krielaars kijkt mee met de Duitse historicus Ernst Piper die in zijn ‘voortreffelijke geschiedenis’ laat zien hoe — zo blijkt uit de recensie — alleen maar mannelijke ‘intellectuelen en kunstenaars aan de basis van WO I stonden’. Rob Hartmans is vol lof over de ‘eminente’ Duitse historicus Wolfram Siemann die een ‘briljant boek’ schreef over Metternich.

In de Volkskrant is Erik van de Berg bijzonder onder de indruk van het dagboek van dadaïst en ‘eenzame Europeaan’ Hugo Ball. De vlucht in de tijd geeft een ‘fascinerend’ inzicht in de denkwereld achter de dada-teksten, deze ‘serieuze’, ‘gekwelde’ en ‘koortsachtige’ ontleding van de Europese ideeëngeschiedenis is ‘intimiderend erudiet’, bevat ‘scherpgeslepen’ zinnen, ‘fameuze’ klankgedichten en geeft blijk van een ‘mateloos’ intellect. Begeesterd bladerde ik verder in de boekenbijlage, benieuwd of ook een vrouwelijke pen met zulke superlatieven overladen zou worden — daarover zo meer. Ook in de boekenbijlage van de Volkskrant een stuk over de briefwisseling van de ‘getrouwde’ André Brink, een ‘gerespecteerd’ auteur en professor, en de ‘gescheiden’ Ingrid Jonker. Slechts één van was overspelig, maar die partij heeft nu net niet het negatieve adjectief toebedeeld gekregen. De roem van de ‘manisch-depressieve’ Jonker groeide ‘onstuitbaar’ na haar zelfmoord, maar of dat een terechte waardering van haar schrijftalent is, laat Arjan Peters in het midden. Brinks pennenvruchten over de verhouding worden ‘openhartig’ en ‘weinig verhullend’ genoemd.

Wanneer mannen, al dan niet intellectueel, zich ook van hun kwetsbare en gevoelige kant durven te laten zien, komt dat ze vaak op waardering te staan. In NRC Handelsblad noemt Arjen Fortuin het nieuwe boek van Gerbrand Bakker ‘ontroerend’ en ‘prachtig’, geschreven ‘met zelfspot’ en ‘in imposante eerlijkheid’, en bij dat laatste — let goed op — ‘hoort’ volgens Fortuin een ‘zekere klagerigheid’. Uw Lezeres maakt hier een mentale notitie voor toekomstige zaken. In Het Parool bespreekt Dirk-Jan Arensman Max Porters ‘werkelijk fenomenale debuut’ Verdriet is het ding met veren in louter superlatieven. Het boek, over twee om hun vader rouwende broers ‘kan sentimenteel en larmoyant klinken’. De auteur is dan ook ‘kind of a pro-choche sentimentalist’ maar uiteindelijk is dat allemaal ‘een manier om een diepere, universele waarheid bloot te leggen’. Kortom, recensent en auteur doen hun uiterste best om te laten zien dat een roman over familie en rouw niet biografisch en niet sentimenteel is en dat mannen met hun emoties raken aan algemeen menselijke waarheden.

Forensisch sporenonderzoek: bemoeizucht en zelfbeklag

We drinken even een borrel bij Lowietje en gaan met frisse moed verder met de vrouwen. Vrouwen die geen blad voor de mond nemen, wekken blijkbaar weerstand op, zelfs als hun werk postuum verschijnt: in Trouw een groot stuk over de biografie van de geduchte Nederlandse opiniemaker Henriëtte Boas. Recensent Elias van der Plicht noemt haar brieven ‘schrijfsels’, heeft het over ‘haar zonderlinge bemoeizucht’ en stelt vast: ‘Mooi zijn de aan Boas gerichte brieven waarin de zenders haar onomwonden zeggen waar het op staat’. Om vervolgens twee lange alinea’s aan deze uiteraard mannelijke briefschrijvers te besteden.

image 2

Pas in de signalementen van de Volkskrant vinden we een recensie van een fictieboek geschreven door een vrouw. Een onmogelijke liefde van Christine Angot ontving weliswaar de Prix de Décembre, maar waarom, dat blijft gissen. ‘Misschien omdat het grappig is’ — maar bij vrouwen weet je dat natuurlijk nooit zeker! Ook het vrouwelijk intellect speelt zeer waarschijnlijk een marginale rol vergeleken met het geestelijke niveau van de mannen, wat deze week vooral blijkt uit de opmars van I love Dick van Chris Kraus. Hoewel dit cultboek naast liefdesbrieven aan Dick ook bol staat van de intertekstuele verwijzingen en jonge lezers inspireerde om de schrijvers en filosofen te lezen die in het boek vermeld worden, is de belezenheid of het intellect van Kraus geen thema in het de Volkskrant-stuk van Aimée Kleine.

Evenmin is dat het geval in de bespreking van I love Dick van Christophe Vekeman in De Morgen. Vekeman noemt het een ‘weinig lezenswaardige roman’ en een ‘sneu onboekje’. Dat klinkt een beetje onaardig, maar daar heeft Kraus het ook zelf naar gemaakt, ze slaagt er namelijk ‘op ongeveer geen enkel moment in haar “persoonlijke” problematiek invoelbaar, laat staan herkenbaar te maken’. Waarmee kan Vekeman zich dan wel goed identificeren, lieve lezers? U moet voor de finesses eigenlijk de recensie zelf even lezen, maar ik kan u wel vast dit verklappen: met Woody Allen, die de kunst verstaat ‘in zijn navel te staren en ons vervolgens iets te vertellen over ons en onze medemensen’. Natuurlijk! de Universele Kunst der Misantropen als argument om feministische literatuur als narcistisch zelfbeklag te diskwalificeren. ‘Nuff said, toch?

En trouwens, mocht u ooit nog iets willen schrijven over een schrijfstersleven in het interbellum, knoop dan het advies van Hans Renders in Het Parool aan Sylvia Heimans over haar biografie van de aan de vergetelheid ontrukte Josepha Mendels in je oren: ‘jammer is dat dit boek wordt ontsierd door een feministische riedeltje. Je mag best schrijven dat de literaire kritiek in het interbellum bevooroordeeld was ten opzichte van vrouwen, maar dan moet je er ook bij vermelden dat Annie Romein daarin vooropliep’. Juist, Annie Romein hield eigenhandig misogynie in stand in het interbellum. Goed dat wij dat nu ook weten.

  1. Uitglijders en Opstekers

Lieve moeders

De grootste uitglijder deze week is Vekemans bovengenoemde bespreking van Chris Kraus, een recensent die zich ook online niet van zijn beste kant laat zien (is dit een goede grap van Klara?). Als bonus nog twee kleine uitglijdertjes: in het interview van Sofie Cerutti vertelt Kristine Groenhart, schrijfster van Meisjesboeken van weleer, dat de Britse schrijfster Enid Blyton het zo druk had dat ze haar eigen kinderen naar kostschool stuurde. ‘Een lieve, hartelijke moeder was Blyton nooit’. Wij vragen ons af of mijnheer ‘Blyton’, die het ook zo druk had dat hij zijn eigen kinderen naar kostschool stuurde, wel een lieve, hartelijke vader was.

image 2

Lekkere wijven

Uitgeverij Karakter begint een offensief met boeken voor mannen. Tot Maarten Molls grote spijt, in zijn column in Het Parool, is het ‘spreekwoordelijke “lekker wijf” […] nergens te bekennen’. De hele column gaat erover hoe overbodig en clichématig dit fonds met mannenboeken is. Misschien kan Maarten Moll zijn eigen advies ook voor zijn toekomstige columns ter harte nemen. Bijvoorbeeld door een keer een vrouwelijke auteur te noemen.

Koloniale geschiedenis

Een opsteker komt van Alfred Birney, die zich in een belangrijk en interessant interview met Kester Freriks in NRC Handelsblad opwindt over het feit dat de koloniale geschiedenis nog altijd wordt geschreven vanuit een blank Nederlands perspectief. ‘Een soort apartheid in de Nederlandse canon’, noemt hij dat. Zijn roman De tolk van Java biedt een nieuw perspectief op deze geschiedenis, vanuit ‘een in Nederlands-Indië geboren man die zowel tijdens als na de koloniale oorlog zijn identiteit kwijtraakte’.

Vrouwelijke literatoren

Maar het meest robuuste stuk deze week is de brief die Bregje Hofstede in De Standaard aan Charles Baudelaire schrijft. Ze leest zijn Wenken voor jonge letterkundigen, waaruit blijkt dat het in Baudelaires ‘duisterste opiumdromen’ niet opkwam dat vrouwen ook literatoren zouden kunnen zijn. Dat het soms lijkt alsof de literatuur in de negentiende eeuw is blijven steken, blijkt uit Hofstedes schrijnende ervaringen:

Jullie, met penis behepte pennenlikkers – als jij de vrouwen over één kam scheert, neem ik dezelfde vrijheid – presteren het heden ten dage nog om boeken te signeren met “voor Bregje, iemands muze”. Je mannelijke collega’s slagen erin om me in één adem te complimenteren met mijn debuut en de omvang van mijn taille. Ik zie jouw nonchalante minachting terug in de idioot die me denkt te vleien met de opmerking dat ik “de eerste vrouw in zijn boekenkast” mag worden; in de veelvuldig geuite verbazing dat ik mij als vrouw succesvol in een mannelijk hoofdpersonage heb verplaatst; in het aantal, uitsluitend mannelijke collega’s dat mij van ongenood advies voorziet; en in de berichtjes van een redacteur met wie ik een professionele relatie probeer te onderhouden. Hij reageert nooit inhoudelijk op mijn stukken, maar laat me op nachtelijke uren weten dat hij me “sexy” vindt. Ergens daagt het hem dat er een ander soort evaluatie gewenst is, want hij voegt toe: “Of is dit ongepast?”

De tijden zijn veranderd, constateert Hofstede, ‘maar nog niet genoeg’. Was dit een aflevering van CSI, dan zouden we de Fransen vragen om het graf van Baudelaire te lichten om te achterhalen of daar wellicht onze dader lag. Of is het toch Annie Romein?

Advertenties