Duckface Toen en Nu: #lekkertellen week 18

Lieve lezeressen en lezers!

Bent u er weer klaar voor? We gaan meteen beginnen met #lekkertellen:

  1. De week in cijfers

Een treurig weekend tellen in Huize Lezeres: alleen in de eerste week van #lekkertellen was het totaalpercentage vrouwelijke auteurs lager: 14,62%. Pijnlijk duidelijk wordt hoe cruciaal Trouw is om het gemiddelde op peil te houden: plaatsen zij slechts twee grotere stukken over vrouwelijke schrijvers, is het meteen droefenis alom.

Schermafbeelding 2016-05-22 om 20.18.37

  1. Thema van de week: hoe er over het auteursuiterlijk wordt geschreven

Sinds alle kerfuffle over de knot van Lize Spit (en: de kuif van Paulien Cornelisse) vraagt de Lezeres zich af welke rol referenties aan het uiterlijk van auteurs in de dagbladkritiek speelt — zowel vanuit het perspectief van de recensent als bewuste zelfpresentatie van auteurs. Op basis van deze week is de uitkomst verrassend: het valt reuze mee met verwijzingen naar uiterlijkheden, en wat ik vond was vooral veel over het uiterlijk van de man! (Ontdekken wij hier misschien welke de ijdele sekse is?) Ik blijf het monitoren om te zien of dit een uitzonderlijke week was.

Mannen met status kunnen zich verstrooidheid permitteren

In Trouw vertelt Leonie Breebaart dat Richard Sennett ‘is gekleed in een keurig overhemd en een dure zwarte jas die iets te los om hem heen valt, alsof hij niet echt hoort bij de eigenaar’. Herkennen wij hier het stereotype: verstrooide professor? Sennett, die het boek Samen. Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit schreef, reageert met de opmerking dat zijn vrouw vindt dat hij nieuwe kleren moet kopen in Amsterdam. Zelfde type auteursportret: Olaf Tempelman ging op bezoek bij Orhan Pamuk in Istanbul: ‘De Nobelprijswinnaar ontvangt in korte broek op slippers.’ Meer wordt er overigens niet beschreven in de Volkskrant, qua uiterlijk van auteurs, tot mijn grote genoegen.

Een vrouw krijgt met een verstrooid-professor uiterlijk de handen dan weer niet op elkaar

John Vervoort haalt in De Standaard der Letteren dit debat tussen historica Mary Beard en ex-burgemeester Boris Johnson aan. Beard maakte gewaardeerde tv-programma’s voor de Engelse tv en is volgens Vervoort ‘minstens even bekend voor haar lange grijze haren als Johnson bekend is voor zijn uiterst geperfectioneerde wanordelijke blonde haardos. Er is zelfs een filmpje te vinden waarin Beard zich uitspreekt over hoe het is om als vrouw met grijze haren door het leven te gaan zonder dat je ze bijkleurt.’ Vervoort suggereert dat de twee in hun tegendraadsheid vergelijkbaar zijn, maar waar de warrige bos van Johnson zijn imago veel goed heeft gedaan, moet de grijze Beard, zoals blijkt uit het genoemde filmpje, vechten tegen het beeld van de oude, niet meer ter zake doende vrouw. Ik woelde door mijn korte pittige kapsel en las verder.

Mannen die graag gezien willen worden

Behalve de recensent/interviewer bij wie het uiterlijk opvalt, zijn en waren er natuurlijk ook auteurs die zélf heel bewust hun uiterlijk stileren. Denkt u hierbij aan vrouwen? Ik kwam alleen maar mannen tegen. In een bespreking van Paul van Ostaijen memoreert Marc Reynebeau zo’n mannelijk staaltje image building: rond 1916 ontstond ‘zijn mythe als dandy, als “meneer 1830”, met zijn onmodieuze, maar met zorg gekozen kledij, die hem, aldus de schrijver Maurice Gilliams, tot “Orpheus in Biedermeierkostuum” maakte’.

En nu we toch in de negentiende eeuw zijn:

 

Het Parool opent heel groot met ‘Portret van dichter en geleerde Willem Bilderdijk, door Charles Howard Hogles’. Man kijkt in beste negentiende-eeuwse duckface langdurig (neem ik aan, het is nogal groot en gedetailleerd schilderij) naar schilder. Dat in het kader van een boek over ‘literaire roem’, en in genoemd boek alleen mannelijke dichters.

Van negentiende-eeuwse naar twintigste-eeuwse roem: In de boekenbijlage in Vrij Nederland staan paginavullende foto’s van Bob Dylan en een grote illustratie van Grunberg bij de artikelen, maar de enige opmerking over het uiterlijk van de mannen betreft de cowboyhoed van Dylan waarmee Adriana Lima in een reclamespot van Victoria’s Secret ‘in een lichtblauw lingeriesetje suggestieve handelingen verricht’.

De bal is nog steeds rond en andere dingen ook:

Marcel Möring schreef zoals regelmatig – overigens niet in Dichters en Denkers – een column in De Groene Amsterdammer, en zoals gebruikelijk stond daar een samenvattend blurbje naast. De column ging over de algoritmen van Amazon en dat die niet kloppen voor Möring. Hij noemt Siegfried Sassoon (sinds hij daar een bundel van kocht krijgt hij allemaal tips voor WOI-boeken, waar hij niet op zit te wachten), voetbal en Kim Kardashian. Een eindredacteur vond het nodig om in de samenvatting naast de column te zetten: ‘Maar wie wil nou de kont van Kim Kardashian als hij de poëzie van Siegfried Sassoon kan lezen.’ (Overigens is dat geen citaat uit de daadwerkelijke column.) Illustrator Han Hoogerbrugge maakte er een tekeningetje bij van Kim met voetballen op de plek van haar borsten. Niet erg consequent, denk ik dan, doe dan een tekening van een gedicht van Sassoon.

Een oudere vrouw mag soms ook heel mooi op de foto!

In NRC: compliment aan fotograaf Rogers Cremers. In de boekenbijlage twee door hem geschoten grote zeer krachtige foto’s van Meg Rosoff, die hier in al haar individualiteit mag schitteren.

  1. Opstekers & Uitglijders

Schrijvers worden nog steeds alleen met Mannelijke Meesters vergeleken

Even het thema van vorige week weer hernemen: In Trouw schrijft Wil Rouleaux dat de roman De dood in Rome van Wolfgang Koeppen ‘in kwalitatief opzicht vergelijkbaar [is] met de meesterwerken van Günter Grass of Max Frisch’. Het proza van R.A. Basart wordt door Rob Schouten vergeleken met ‘Brakman, Vestdijk en Nabokov’. In De Standaard vertelt Mike Nicol dat hij het misdaadgenre niet meer minderwaardig achtte toen hij ontdekte welke mannen zich er wel aan waagden, ‘van Arthur Conan Doyle tot de grote Amerikaanse misdaadauteurs van dit moment: George Pelecanos, Michael Connelly, Elmore Leonard’.

Ik hoefde helaas niet lang te zoeken naar andere voorbeelden van dit uitsluitingsmechanisme: in de Volkskrant een bespreking van de geschiedenis van Vrij Nederland zonder dat de naam Renate Rubinstein valt, in het Volkskrant Magazine een beknopte beschrijving van ‘New Journalism’ zonder Joan Didion en in Vrij Nederland bespreekt Carel Peeters een essaybundel van Hirsch Ballin zonder op te merken dat alle gegeven voorbeelden van ‘mensen die tegen de stroom ingingen […] voor de verdediging van de universele en individuele mensenrechten’ mannen zijn.

Een grensverleggend feministisch manifest

Tussen alle aandacht voor oudere blanke mannen in Trouw was de bespreking door Emila Menkveld van I love Dick van Chris Kraus een enorme opsteker. Een ‘grensverleggend feministisch manifest’ noemt Menkveld de roman die net bij Lebowksi is verschenen in de vertaling van Evi Hoste en Anniek Kool. “Als vrouwen erin gefaald zijn ‘universele’ kunst te  maken omdat we gevangen zitten in het ‘persoonlijke’,” citeert Menkveld uit Kraus, ‘waarom maken we dat “persoonlijke” dan niet universeel en het onderwerp van onze kunst?’ Goeie vraag.

Deuren en ramen open in NRC en De Standaard

Qua percentages is NRC geen opsteker — de omvangrijke non-fictiebijlage is exclusief door mannen geschreven, over uitsluitend mannelijke auteurs. Wel heel fijn: Arjen Fortuin is dankzij de bekroning van Astrid Roemer de hem nog onbekende Bea Vianen gaan lezen (een initiatief waarbij de Lezeres hem graag in ‘t voetspoor volgt), daarna een boeiend interview met Meg Rosoff, vervolgens een grote recensie van Margo Jefferson’s Negroland en dan Blackass van A. Igoni Barrett: de Lezeres heeft het gevoel dat de ramen en deuren worden opengezet en de wereld ruimhartig mag binnenwaaien! (Ook: nul referenties aan de Grote Drie deze week.) Marijke Arijs van De Standaard bespreekt De plaats van Mario Levrero, een uitgave van de nieuwe uitgeverij Bananafish, interview met Zuid-Afrikaanse thrillerschrijver Mike Nicol – ook hier de luiken open!

Goed bedoeld orientalisme is óók orientalisme

Goethe liet zich inspireren door de veertiende-eeuwse Perzische dichter Hafez, nu vertaald in West-oostelijke divan. Désanne van Brederode schrijft in de Volkskrant dat als je jezelf bevrijdt van vooroordelen, je kunt worden wat je wil en zo wordt Goethe ‘Een Arabisch dichter’. Want niet alleen schreef hij ‘een bonte markt van gedichten bij elkaar’, hij maakte zelfs z’n eigen Arabische lente mee: ‘waarin verheven overpeinzingen toch raadselachtig lichtvoetig kunnen blijven, waarin liefde, erotiek, wijn, wijsheid en vitalistische natuurmystiek gul samenvloeien’. ‘Hart op de tong’, ‘warmte van het gesprek op straat, in het cafe, in bed’, ‘muziek van de taal’, ‘overgave aan stroom van verrassende nieuwe creativiteit’. Kortom, een onsamenhangend zinnebeeld van intuïtie, mateloosheid en erotiek wordt weer eens van stal gehaald om de Arabische wereld te beschrijven. Misschien moet ze Said er toch maar weer eens bij pakken.

Inderdaad, literatuur en politiek sluiten elkaar niet uit

Olaf Tempelman bespreekt de carriere en het oeuvre van Orhan Pamuk in het licht van de ontwikkelingen in Turkije, van twintig jaar geleden tot de meest recente. Hij bespreekt daarbij kwesties zoals geopolitiek, armoede en de parallel tussen Turkije en India: landen met een groeiende economie en een democratie die wordt ondergraven. Besproken wordt ook de lagere sociale klasse die in de laatste romans van ‘bourgeoiszoontje’ Pamuk voor het eerst zijn intrede doet. Kortom, het hele oeuvre wordt gezien in een sociaal-economisch-historische context en dat maakt zo’n recensie meteen spannend.

Maar om nu vergelijkingen met jihadisme uit de lucht te plukken…

Een Zeer Complex Geval in De Standaard: daar probeert Marc Reynebeau het 100 jaar oude Music-Hall van Paul van Ostaijen te actualiseren door de dichter te vergelijken met hedendaagse Syrië-gangers. Reynebeau betoogt dat we Van Ostaijen nu ‘geradicaliseerd’ zouden kunnen noemen en trekt de analogie zover door dat hij Van Ostaijens vlucht naar Berlijn omschrijft als: ‘hij zocht zijn heil in Raqqa’. Mijn overzichtelijke schemaatje Opsteker/Uitglijder is te simpel voor de heel ingewikkelde vergelijking tussen Vlaamsgezindheid en jihadisme, maar wel valt te constateren dat Reynebeau, net als bij het orientalisme van Van Brederode, evenmin een rem zet op zijn associaties met het Midden-Oosten.

En het kapitalisme mag geen literair probleem worden

Nog meer politiek. In NRC: Don DeLillo schreef een dystopische roman over de samenkomst van biomedische manipulatie en haute finance. Jan Donkers wijdt ‘t grootste deel van zijn recensie aan eerst een samenvatting van de plot, en later,  op het punt van kritische evaluatie aangekomen, aan vormkritiek (de roman is ‘gekunsteld’). Van schrik komt hij niet toe aan het evalueren van de inhoud van Delillo’s literaire verbeelding van het 21e-eeuwse grootkapitaal. Afsluiter: ‘het is een boek dat vragen oproept, discussie genereert’. Ja maar Jan, wélke vragen en wélke discussie dan?

Grote Drie-alert

Sluiten we af met het wekelijkse Grote Drie-alert. Volgens Erik van den Berg in de Volkskrant — en Mark Cloostermans signaleert hetzelfde in De Standaard — schreef Philip K. Dick met De man in het hoge kasteel een roman die ‘de uitkomst van de Tweede Wereld oorlog omkeert (net als Harry Mulisch in De toekomst van gisteren)’. Hier moest ik toch wel even om grinniken. De onvolprezen Harry Mulisch kreeg blijkbaar, net als Philip K. Dick dit lumineuze omkeer-idee, maar wat Van den Berg niet (en Cloostermans met enkel een jaartal) vermeld pas een decennium later. Zegt dit niet gewoon alles wat we hoeven weten over Mulisch en zijn adepten?

Advertenties