Drie nog niet geschreven essays over Astrid Roemer

roemerAstrid Roemer ontvangt vandaag de PC Hooftprijs en mijn leesbril krult van genoegen. IJverig als ik ben, ging ik eens op zoek naar een academische studie (in boekvorm) geheel gewijd aan haar werk.* Die blijkt er niet te zijn, ook geen kleine collectie van meer toegankelijke essays. Wel losse artikelen, en daarbij valt op dat ze door academici vaak in Engelstalige onderzoeken naar Caraïbische literatuur genoemd. Dat is mooi, maar een cultuur die zichzelf serieus neemt zou ook in de eigen taal volop over een auteur van het kaliber Roemer moeten publiceren.

Ondertussen zijn er natuurlijk wel al decennialang dagblad- en tijdschriftkritieken (en essays) over haar werk geschreven. Al grasduinend las ik hier dingen die scherp en goed waren, daar wat meer obligate recensies – misschien niet heel anders dan bij andere auteurs. Toch bleef ik peinzen over de vraag waar de grotere overzichten van haar oeuvre blijven. Het lijkt alsof er in de ontvangst van Roemer drie complexe thema’s samenkomen. Ieder apart zijn  het al ingewikkelde kwesties, en bij de kritische receptie van Roemer spelen ze allemaal tegelijkertijd. Ik vermoed dat dat een  diepgaander gesprek over haar werk bemoeilijkt. Laat ik proberen deze drie thema’s aan te stippen. Als een opening voor drie nog niet geschreven essays.

[1] Geestelijke pijn en hoe deze te begrijpen

De eerste kwestie is die van geestelijke pijn en hoe deze te begrijpen. Roemer draagt haar prijs op aan Bea Vianen, Edgar Cairo en Anil Ramdas. Drie Surinaamse schrijvers die ten onder gegaan zijn aan geestelijk lijden. Het punt dat Roemer hiermee maakt is, zoals ze het beschreef in een interview in NRC op 16 mei jl.: “Wat er met die mensen is gebeurd, dat kan niet alleen met hun karakters te maken hebben. Dat moet ook hun habitat zijn geweest.”

Geestelijk lijden, al dan niet in een te diagnosticeren vorm, wordt over het algemeen niet begrepen als ook een zaak van de habitat – buiten de habitat van het directe gezin, meer bepaald: de vader en de moeder. Het wordt gezien als een apolitieke, puur persoonlijke zaak. Dit is in ieder geval in Nederland het algemene beeld. In de VS heb je een substantiële traditie van psychiaters en psychologen die zich hebben beziggehouden met de invloed van racisme op geestelijk welbevinden (nou ja, het gebrek eraan), zie hier voor een kleine introductie.

Geestelijk lijden wordt zo een gemakkelijke bliksemafleider. De lezer hoeft zich niet te verhouden tot die habitat en de omstandigheden die het geestelijk lijden mede veroorzaakt hebben, maar kan zeggen: deze vrouw heeft hulp nodig, ik hoef haar verder niet serieus te nemen en haar werk niet als betekenisvolle literatuur tot me te nemen. Vergelijk hoe zoiets gaat bij witte mannelijke schrijvers: W.F. Hermans’ neurosen werden eerder bewonderd en  gevreesd dan dat ze afbreuk deden aan zijn reputatie. Over de wanen van J.J. Rousseau zijn bibliotheken volgeschreven. Maarten Biesheuvel schreef regelmatig over zijn psychosen, en kon daarbij altijd op empathie rekenen. Men leek het vooral enorm te waarderen dat hij zich zo kwetsbaar durfde opstellen. Geheel terecht, die empathische reactie, dat wil ik graag benadrukken als het over dit onderwerp gaat.

Bij auteurs als Rousseau, Hermans en Biesheuvel wordt onmiddellijk erkend dat de relatie tussen literair schrijven en geestelijk lijden buitengewoon complex is, en dat de complexiteit van deze relatie tegelijkertijd inherent onderdeel is van het schrijverschap zelf. Er wordt veel moeite gedaan deze kwesties niet te reduceren tot een eenvoudig te diagnosticeren ‘ziektebeeld’, een diagnose die vervolgens tot de sleutel van de tekst kan dienen. (Vergelijk: we zullen ‘Hermans leed aan achtervolgingswaan en dus schreef hij zoals hij schreef’ verwerpen als een banaliteit, en terecht). Het zou goed zijn als precies zo’n aandachtig besef van complexiteit de norm wordt bij schrijvende vrouwen en auteurs van niet-westerse afkomst.

[2] Postkoloniale auteurs en hoe zij de neutraliteitsillusie verstoren

Dan een andere kwestie. Nederland is notoir slecht in het onderkennen van verschillen in machtsposities. We opereren het liefst vanuit de illusie dat er geen structurele verschillen zouden zijn tussen sociale milieus, of tussen voormalige koloniale machthebbers en voormalige kolonies; tussen het cultureel kapitaal dat de een meekrijgt of de ander. Het koloniale verleden herinnert er ons echter onvermijdelijk aan dat áls ‘wij Nederlanders’ al egalitair waren, we in ieder geval óók nog iets heel anders waren.

Nederland heeft het koloniale verleden nog altijd als een graat in de keel zitten – we denken er aan ‘voorbij’ te zijn maar dieper inzicht in de doorwerking van dat verleden ontbreekt vaak. Ik noem hier slechts één voorbeeld dat meespeelt in de ontvangst van auteurs uit Suriname en de Caraïben (zonder te willen suggereren dat dit het enige probleem zou zijn): de omgang met de taal. Wie in het in centrum van een monotalige cultuur opgroeit denkt wellicht dat de moedertaal een ‘neutraal’ en ‘vanzelfsprekend’ instrument is, een onbeslagen vensterruit om door te kijken. Maar in het koloniale systeem was het Nederlands een cruciaal machtsinstrument, en tegelijkertijd ontstonden er juist in die koloniale samenlevingen meertalige culturen. Alleen al daarom is in postkoloniale landen zoals Suriname de taal (of beter gezegd, zijn de talen) altijd zichtbaar geassocieerd met meervoudige identiteiten, en is taal iets dat zich nooit ‘vanzelfsprekend’ in een neutrale ruimte bevindt.

Bekroningen van auteurs als Roemer en eerder ook Antoine de Kom worden vanuit Nederlands perspectief vaak ervaren als politieke en ideologische keuzes. Alsof iemand wasemt op ons mooie heldere vensterruitje. Dat roept soms regelrechte woede en rancune op (zie hier en hier). Maar je moet wel in het centrum van de culturele macht zitten om in een neutraliteitsillusie te kunnen leven. Het is een luxe niet te hoeven zien hoe die neutraliteitsillusie rust op in het verleden gecreëerde politieke machtsverhoudingen. Een bekroning voor iemand uit ‘de marge’ verstoort de mythe van het egalitaire Nederland waar we taal gebruiken om lekker ‘direct’ en ‘helder’ met elkaar te spreken.

Het gesprek gaat dan al snel over ónze wrevel, ónze weerstand, óns gevoel dat hier wellicht ‘politiek-correcte’ motieven meespelen. Wat de auteur zelf geschreven heeft over leven in tijden van postkoloniale bodemverschuivingen verdwijnt achter de horizon.

[3] Engagement voorbij het universalisme-dogma

En dan is er nog een derde kwestie: Roemer wordt een geëngageerde auteur genoemd en ik ben het daar niet mee oneens, maar het etiket ‘literair engagement’ lijkt meestal meer misverstanden op te roepen dan helderheid te scheppen. Vaak loopt in Nederland de redenering als volgt: politieke stellingname staat haaks op literaire kwaliteit want engagement verzandt al snel in drammerig pamflettisme. Engagement is pas te prijzen als de auteur een dergelijk pamflettisme weet te overstijgen, bijvoorbeeld door de thematiek op een universeel niveau te tillen.

Het universele wordt dus hoger aangeslagen dan het particuliere, en literaire vorm staat tegenover inhoudelijk engagement. Maar waarom? Dat wordt eigenlijk nooit uitgelegd, hier stuiten we op een literatuurkritisch dogma. Deze week vond ik in de boekenbijlage een interessante case in point: Rob van Essen was in NRC negatief over Harry Parker omdat in diens autobiografische oorlogsroman de oorlogservaring niet ‘universeel’ wordt gemaakt en de auteur nalaat iets te zeggen over de ‘condition humaine’. Ik kon de recensent hier volstrekt niet volgen: ik lees zo’n roman juist om dichter te komen tot die ene oorlog in Afghanistan. Die universele condition humaine kan ik missen, die heb ik thuis al in overschot.

Zo ook Roemer, bij wie critici altijd haastig vermelden dat het weliswaar over Suriname gaat, maar dat het dat ‘overstijgt’ omdat het ook iets ‘universeels’ aan de orde stelt. Altijd kromme tenen als ik zoiets lees. Alsof er twee mogelijkheden zijn: ofwel een boek is geëngageerd, en dan wordt er een politieke theorie uitgedragen en/of op een particuliere situatie geplakt; ofwel een boek is niet geëngageerd, en dan is de toon lyrisch, komen er sprookjes en mythen in voor, en ligt de nadruk op universele emoties (liefde, spijt, onmacht) – en het geniepige gebeurt wanneer dit wordt omgedraaid: dit is een lyrisch boek en dus is het niet geëngageerd. Gorter schrijft liedjes en dat is niet zijn geëngageerde kant. Roemers landschap is ‘mythisch’ (zoals Arjen Peters in de Gids schreef (25-6-2015/2015, nr 3) en dat behoort niet tot de geëngageerde kant van haar boeken.

Kortom, lieve recensenten, essayisten, Neerlandici en lezeressen (M/V) van Nederland, het werk van Astrid Roemer vraagt  om goede beschouwingen, maar misschien ook om reflectie met welke aannames er doorgaans gelezen en geduid wordt.

Maar nu eerst: vlag uit! Taart! Hoera voor Roemer, en hoera voor de jury, die net als ik vast hoopt dat het denken en schrijven over haar werk met deze bekroning een vlucht zal gaan nemen.

 

* Een twitteraar herinnerde me aan dit boeiende artikel van Isabel Hoving. Leestip!

 

Advertenties