De Lezeres en Het Lijk in de Boekenbijlage: #lekkertellen week 19

Lieve lezeressen en lezers,

De critici der lage landen buigen zich deze week over de kanshebbers voor de Gouden Strop. Als het over thrillers gaat, ben ik altijd op mijn hoede, want het schijnt mijn favoriete genre te zijn. Zo probeerde Arjen Ribbens zich in NRC Handelsblad in mij te verplaatsen om de dalende maar nog altijd hoge verkoopcijfers van de Nederthriller te verklaren, het genre waarbinnen vooral vrouwelijke schrijvers succesvol zijn: ‘Zijn de lezeressen van wat wel eens badinerend de “oestrogeenthriller” is genoemd uitgekeken op spannende boeken over kwaadaardige kraamhulpen?’

  1. De week in cijfers

Ondertussen zag ik mezelf voor een heel ander mysterie geplaatst: de score voor vrouwen in de literaire katernen duikt deze week weer onder de 30% — alsof schrijvende vrouwen buiten de thriller om maar niet interessant willen worden. Dol op misdaadromannetjes als ik ben vroeg ik me af: wie zou dit verontrustende beeld op z’n geweten hebben?

lekkertellen week 19

Is het Het Parool, mijn usual suspect, dat deze week weer een standaardbeeld laat zien? De enige twee vrouwelijke recensenten bespreken poëzie en jeugdliteratuur. Maarten Moll snijdt een man/vrouw-kwestie aan, maar is nog niet aan zelfreflectie op het boekenkatern toegekomen. Ik houd nu al mijn adem in! Of moeten we misschien ons vizier richten op de Volkskrant met slechts 18% vrouwelijke recensenten en 15% vrouwelijke auteurs? Een andere verdachte is NRC Handelsblad, dat van de 16 auteurs maar 3 vrouwelijke auteurs bespreekt. Eigenlijk is dat nog toeval ook, want waren er geen vrouwen genomineerd voor de Gouden Strop, dan had Robert Gooijer rustig Nog Meer Mannen gerecenseerd in zijn stuk over de vier kanshebbers. Mag u raden wie van hen ‘huiselijke horror’ schrijft.

image

In een goede whodunit schuilt de oplossing altijd in de details — een vertrapte sigarettenpeuk, een losgewaaide haar, een onverklaarbare deuk in een achterbumper. Deze week houd ik dus mijn vergrootglas boven de recensies: op welk spoor zetten de adjectieven die de critici gebruiken ons? Ontwaren we wellicht een opmerkelijk patroon in de bijvoeglijke naamwoorden voor mannelijke en vrouwelijke auteurs, voor hun stijl of thematiek? Zet uw leesbrilletje op en speur mee met De Lezeres!

  1. Thema  van de week: het bijvoeglijk naamwoord

Buiten het afzetlint

Hoewel Vrij Nederland een bekende is van de adjectievenpolitie, staat het blad deze week buiten verdenking. Vullings recenseert Het opzienbarende verhaal van Robert Coombes van Kate Summerscale en de bijvoeglijk naamwoorden die hij uit de kast trekt zijn louter positief: ze schrijft ‘in haar karakteristiek nuchtere, nauwgezet op feiten toegesneden’ manier ‘intrigerende true crime-proza’ dat ‘aangenaam’ is en ‘een imponerende wending’ kent. Ook De Standaard blijft buiten het afzetlint: Vervoort noemt Meester van Chahdortt Djavann ‘de verrassendste thriller van het voorjaar. Het boek combineert een doordachte structuur met een strak en onverbloemd taalgebruik’. Het gelukkigste meisje ter wereld van Jessica Knoll is ‘verbluffend sterk en verbazend knap geschreven’, en Hilde Vandermeeren is ‘een van onze grote talenten in het genre’.

Forensisch sporenonderzoek: intellect en universele emoties

Op het plaats delict treffen we interessante bewijsstukken aan. In NRC Handelsblad veel mannelijk intellect, zoals Pjeroo Robjee, die volgens Sebastiaan Kort ‘een onbegrensde woordenschat’ heeft en ‘zulke verrukkelijke archaïsmen en welluidende volzinnen’ schrijft — en van ‘spielerei’ is volgens Kort geen sprake, want hier heet het ‘bewuste overdaad’. Michel Krielaars kijkt mee met de Duitse historicus Ernst Piper die in zijn ‘voortreffelijke geschiedenis’ laat zien hoe — zo blijkt uit de recensie — alleen maar mannelijke ‘intellectuelen en kunstenaars aan de basis van WO I stonden’. Rob Hartmans is vol lof over de ‘eminente’ Duitse historicus Wolfram Siemann die een ‘briljant boek’ schreef over Metternich.

In de Volkskrant is Erik van de Berg bijzonder onder de indruk van het dagboek van dadaïst en ‘eenzame Europeaan’ Hugo Ball. De vlucht in de tijd geeft een ‘fascinerend’ inzicht in de denkwereld achter de dada-teksten, deze ‘serieuze’, ‘gekwelde’ en ‘koortsachtige’ ontleding van de Europese ideeëngeschiedenis is ‘intimiderend erudiet’, bevat ‘scherpgeslepen’ zinnen, ‘fameuze’ klankgedichten en geeft blijk van een ‘mateloos’ intellect. Begeesterd bladerde ik verder in de boekenbijlage, benieuwd of ook een vrouwelijke pen met zulke superlatieven overladen zou worden — daarover zo meer. Ook in de boekenbijlage van de Volkskrant een stuk over de briefwisseling van de ‘getrouwde’ André Brink, een ‘gerespecteerd’ auteur en professor, en de ‘gescheiden’ Ingrid Jonker. Slechts één van was overspelig, maar die partij heeft nu net niet het negatieve adjectief toebedeeld gekregen. De roem van de ‘manisch-depressieve’ Jonker groeide ‘onstuitbaar’ na haar zelfmoord, maar of dat een terechte waardering van haar schrijftalent is, laat Arjan Peters in het midden. Brinks pennenvruchten over de verhouding worden ‘openhartig’ en ‘weinig verhullend’ genoemd.

Wanneer mannen, al dan niet intellectueel, zich ook van hun kwetsbare en gevoelige kant durven te laten zien, komt dat ze vaak op waardering te staan. In NRC Handelsblad noemt Arjen Fortuin het nieuwe boek van Gerbrand Bakker ‘ontroerend’ en ‘prachtig’, geschreven ‘met zelfspot’ en ‘in imposante eerlijkheid’, en bij dat laatste — let goed op — ‘hoort’ volgens Fortuin een ‘zekere klagerigheid’. Uw Lezeres maakt hier een mentale notitie voor toekomstige zaken. In Het Parool bespreekt Dirk-Jan Arensman Max Porters ‘werkelijk fenomenale debuut’ Verdriet is het ding met veren in louter superlatieven. Het boek, over twee om hun vader rouwende broers ‘kan sentimenteel en larmoyant klinken’. De auteur is dan ook ‘kind of a pro-choche sentimentalist’ maar uiteindelijk is dat allemaal ‘een manier om een diepere, universele waarheid bloot te leggen’. Kortom, recensent en auteur doen hun uiterste best om te laten zien dat een roman over familie en rouw niet biografisch en niet sentimenteel is en dat mannen met hun emoties raken aan algemeen menselijke waarheden.

Forensisch sporenonderzoek: bemoeizucht en zelfbeklag

We drinken even een borrel bij Lowietje en gaan met frisse moed verder met de vrouwen. Vrouwen die geen blad voor de mond nemen, wekken blijkbaar weerstand op, zelfs als hun werk postuum verschijnt: in Trouw een groot stuk over de biografie van de geduchte Nederlandse opiniemaker Henriëtte Boas. Recensent Elias van der Plicht noemt haar brieven ‘schrijfsels’, heeft het over ‘haar zonderlinge bemoeizucht’ en stelt vast: ‘Mooi zijn de aan Boas gerichte brieven waarin de zenders haar onomwonden zeggen waar het op staat’. Om vervolgens twee lange alinea’s aan deze uiteraard mannelijke briefschrijvers te besteden.

image 2

Pas in de signalementen van de Volkskrant vinden we een recensie van een fictieboek geschreven door een vrouw. Een onmogelijke liefde van Christine Angot ontving weliswaar de Prix de Décembre, maar waarom, dat blijft gissen. ‘Misschien omdat het grappig is’ — maar bij vrouwen weet je dat natuurlijk nooit zeker! Ook het vrouwelijk intellect speelt zeer waarschijnlijk een marginale rol vergeleken met het geestelijke niveau van de mannen, wat deze week vooral blijkt uit de opmars van I love Dick van Chris Kraus. Hoewel dit cultboek naast liefdesbrieven aan Dick ook bol staat van de intertekstuele verwijzingen en jonge lezers inspireerde om de schrijvers en filosofen te lezen die in het boek vermeld worden, is de belezenheid of het intellect van Kraus geen thema in het de Volkskrant-stuk van Aimée Kleine.

Evenmin is dat het geval in de bespreking van I love Dick van Christophe Vekeman in De Morgen. Vekeman noemt het een ‘weinig lezenswaardige roman’ en een ‘sneu onboekje’. Dat klinkt een beetje onaardig, maar daar heeft Kraus het ook zelf naar gemaakt, ze slaagt er namelijk ‘op ongeveer geen enkel moment in haar “persoonlijke” problematiek invoelbaar, laat staan herkenbaar te maken’. Waarmee kan Vekeman zich dan wel goed identificeren, lieve lezers? U moet voor de finesses eigenlijk de recensie zelf even lezen, maar ik kan u wel vast dit verklappen: met Woody Allen, die de kunst verstaat ‘in zijn navel te staren en ons vervolgens iets te vertellen over ons en onze medemensen’. Natuurlijk! de Universele Kunst der Misantropen als argument om feministische literatuur als narcistisch zelfbeklag te diskwalificeren. ‘Nuff said, toch?

En trouwens, mocht u ooit nog iets willen schrijven over een schrijfstersleven in het interbellum, knoop dan het advies van Hans Renders in Het Parool aan Sylvia Heimans over haar biografie van de aan de vergetelheid ontrukte Josepha Mendels in je oren: ‘jammer is dat dit boek wordt ontsierd door een feministische riedeltje. Je mag best schrijven dat de literaire kritiek in het interbellum bevooroordeeld was ten opzichte van vrouwen, maar dan moet je er ook bij vermelden dat Annie Romein daarin vooropliep’. Juist, Annie Romein hield eigenhandig misogynie in stand in het interbellum. Goed dat wij dat nu ook weten.

  1. Uitglijders en Opstekers

Lieve moeders

De grootste uitglijder deze week is Vekemans bovengenoemde bespreking van Chris Kraus, een recensent die zich ook online niet van zijn beste kant laat zien (is dit een goede grap van Klara?). Als bonus nog twee kleine uitglijdertjes: in het interview van Sofie Cerutti vertelt Kristine Groenhart, schrijfster van Meisjesboeken van weleer, dat de Britse schrijfster Enid Blyton het zo druk had dat ze haar eigen kinderen naar kostschool stuurde. ‘Een lieve, hartelijke moeder was Blyton nooit’. Wij vragen ons af of mijnheer ‘Blyton’, die het ook zo druk had dat hij zijn eigen kinderen naar kostschool stuurde, wel een lieve, hartelijke vader was.

image 2

Lekkere wijven

Uitgeverij Karakter begint een offensief met boeken voor mannen. Tot Maarten Molls grote spijt, in zijn column in Het Parool, is het ‘spreekwoordelijke “lekker wijf” […] nergens te bekennen’. De hele column gaat erover hoe overbodig en clichématig dit fonds met mannenboeken is. Misschien kan Maarten Moll zijn eigen advies ook voor zijn toekomstige columns ter harte nemen. Bijvoorbeeld door een keer een vrouwelijke auteur te noemen.

Koloniale geschiedenis

Een opsteker komt van Alfred Birney, die zich in een belangrijk en interessant interview met Kester Freriks in NRC Handelsblad opwindt over het feit dat de koloniale geschiedenis nog altijd wordt geschreven vanuit een blank Nederlands perspectief. ‘Een soort apartheid in de Nederlandse canon’, noemt hij dat. Zijn roman De tolk van Java biedt een nieuw perspectief op deze geschiedenis, vanuit ‘een in Nederlands-Indië geboren man die zowel tijdens als na de koloniale oorlog zijn identiteit kwijtraakte’.

Vrouwelijke literatoren

Maar het meest robuuste stuk deze week is de brief die Bregje Hofstede in De Standaard aan Charles Baudelaire schrijft. Ze leest zijn Wenken voor jonge letterkundigen, waaruit blijkt dat het in Baudelaires ‘duisterste opiumdromen’ niet opkwam dat vrouwen ook literatoren zouden kunnen zijn. Dat het soms lijkt alsof de literatuur in de negentiende eeuw is blijven steken, blijkt uit Hofstedes schrijnende ervaringen:

Jullie, met penis behepte pennenlikkers – als jij de vrouwen over één kam scheert, neem ik dezelfde vrijheid – presteren het heden ten dage nog om boeken te signeren met “voor Bregje, iemands muze”. Je mannelijke collega’s slagen erin om me in één adem te complimenteren met mijn debuut en de omvang van mijn taille. Ik zie jouw nonchalante minachting terug in de idioot die me denkt te vleien met de opmerking dat ik “de eerste vrouw in zijn boekenkast” mag worden; in de veelvuldig geuite verbazing dat ik mij als vrouw succesvol in een mannelijk hoofdpersonage heb verplaatst; in het aantal, uitsluitend mannelijke collega’s dat mij van ongenood advies voorziet; en in de berichtjes van een redacteur met wie ik een professionele relatie probeer te onderhouden. Hij reageert nooit inhoudelijk op mijn stukken, maar laat me op nachtelijke uren weten dat hij me “sexy” vindt. Ergens daagt het hem dat er een ander soort evaluatie gewenst is, want hij voegt toe: “Of is dit ongepast?”

De tijden zijn veranderd, constateert Hofstede, ‘maar nog niet genoeg’. Was dit een aflevering van CSI, dan zouden we de Fransen vragen om het graf van Baudelaire te lichten om te achterhalen of daar wellicht onze dader lag. Of is het toch Annie Romein?

Duckface Toen en Nu: #lekkertellen week 18

Lieve lezeressen en lezers!

Bent u er weer klaar voor? We gaan meteen beginnen met #lekkertellen:

  1. De week in cijfers

Een treurig weekend tellen in Huize Lezeres: alleen in de eerste week van #lekkertellen was het totaalpercentage vrouwelijke auteurs lager: 14,62%. Pijnlijk duidelijk wordt hoe cruciaal Trouw is om het gemiddelde op peil te houden: plaatsen zij slechts twee grotere stukken over vrouwelijke schrijvers, is het meteen droefenis alom.

Schermafbeelding 2016-05-22 om 20.18.37

  1. Thema van de week: hoe er over het auteursuiterlijk wordt geschreven

Sinds alle kerfuffle over de knot van Lize Spit (en: de kuif van Paulien Cornelisse) vraagt de Lezeres zich af welke rol referenties aan het uiterlijk van auteurs in de dagbladkritiek speelt — zowel vanuit het perspectief van de recensent als bewuste zelfpresentatie van auteurs. Op basis van deze week is de uitkomst verrassend: het valt reuze mee met verwijzingen naar uiterlijkheden, en wat ik vond was vooral veel over het uiterlijk van de man! (Ontdekken wij hier misschien welke de ijdele sekse is?) Ik blijf het monitoren om te zien of dit een uitzonderlijke week was.

Mannen met status kunnen zich verstrooidheid permitteren

In Trouw vertelt Leonie Breebaart dat Richard Sennett ‘is gekleed in een keurig overhemd en een dure zwarte jas die iets te los om hem heen valt, alsof hij niet echt hoort bij de eigenaar’. Herkennen wij hier het stereotype: verstrooide professor? Sennett, die het boek Samen. Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit schreef, reageert met de opmerking dat zijn vrouw vindt dat hij nieuwe kleren moet kopen in Amsterdam. Zelfde type auteursportret: Olaf Tempelman ging op bezoek bij Orhan Pamuk in Istanbul: ‘De Nobelprijswinnaar ontvangt in korte broek op slippers.’ Meer wordt er overigens niet beschreven in de Volkskrant, qua uiterlijk van auteurs, tot mijn grote genoegen.

Een vrouw krijgt met een verstrooid-professor uiterlijk de handen dan weer niet op elkaar

John Vervoort haalt in De Standaard der Letteren dit debat tussen historica Mary Beard en ex-burgemeester Boris Johnson aan. Beard maakte gewaardeerde tv-programma’s voor de Engelse tv en is volgens Vervoort ‘minstens even bekend voor haar lange grijze haren als Johnson bekend is voor zijn uiterst geperfectioneerde wanordelijke blonde haardos. Er is zelfs een filmpje te vinden waarin Beard zich uitspreekt over hoe het is om als vrouw met grijze haren door het leven te gaan zonder dat je ze bijkleurt.’ Vervoort suggereert dat de twee in hun tegendraadsheid vergelijkbaar zijn, maar waar de warrige bos van Johnson zijn imago veel goed heeft gedaan, moet de grijze Beard, zoals blijkt uit het genoemde filmpje, vechten tegen het beeld van de oude, niet meer ter zake doende vrouw. Ik woelde door mijn korte pittige kapsel en las verder.

Mannen die graag gezien willen worden

Behalve de recensent/interviewer bij wie het uiterlijk opvalt, zijn en waren er natuurlijk ook auteurs die zélf heel bewust hun uiterlijk stileren. Denkt u hierbij aan vrouwen? Ik kwam alleen maar mannen tegen. In een bespreking van Paul van Ostaijen memoreert Marc Reynebeau zo’n mannelijk staaltje image building: rond 1916 ontstond ‘zijn mythe als dandy, als “meneer 1830”, met zijn onmodieuze, maar met zorg gekozen kledij, die hem, aldus de schrijver Maurice Gilliams, tot “Orpheus in Biedermeierkostuum” maakte’.

En nu we toch in de negentiende eeuw zijn:

 

Het Parool opent heel groot met ‘Portret van dichter en geleerde Willem Bilderdijk, door Charles Howard Hogles’. Man kijkt in beste negentiende-eeuwse duckface langdurig (neem ik aan, het is nogal groot en gedetailleerd schilderij) naar schilder. Dat in het kader van een boek over ‘literaire roem’, en in genoemd boek alleen mannelijke dichters.

Van negentiende-eeuwse naar twintigste-eeuwse roem: In de boekenbijlage in Vrij Nederland staan paginavullende foto’s van Bob Dylan en een grote illustratie van Grunberg bij de artikelen, maar de enige opmerking over het uiterlijk van de mannen betreft de cowboyhoed van Dylan waarmee Adriana Lima in een reclamespot van Victoria’s Secret ‘in een lichtblauw lingeriesetje suggestieve handelingen verricht’.

De bal is nog steeds rond en andere dingen ook:

Marcel Möring schreef zoals regelmatig – overigens niet in Dichters en Denkers – een column in De Groene Amsterdammer, en zoals gebruikelijk stond daar een samenvattend blurbje naast. De column ging over de algoritmen van Amazon en dat die niet kloppen voor Möring. Hij noemt Siegfried Sassoon (sinds hij daar een bundel van kocht krijgt hij allemaal tips voor WOI-boeken, waar hij niet op zit te wachten), voetbal en Kim Kardashian. Een eindredacteur vond het nodig om in de samenvatting naast de column te zetten: ‘Maar wie wil nou de kont van Kim Kardashian als hij de poëzie van Siegfried Sassoon kan lezen.’ (Overigens is dat geen citaat uit de daadwerkelijke column.) Illustrator Han Hoogerbrugge maakte er een tekeningetje bij van Kim met voetballen op de plek van haar borsten. Niet erg consequent, denk ik dan, doe dan een tekening van een gedicht van Sassoon.

Een oudere vrouw mag soms ook heel mooi op de foto!

In NRC: compliment aan fotograaf Rogers Cremers. In de boekenbijlage twee door hem geschoten grote zeer krachtige foto’s van Meg Rosoff, die hier in al haar individualiteit mag schitteren.

  1. Opstekers & Uitglijders

Schrijvers worden nog steeds alleen met Mannelijke Meesters vergeleken

Even het thema van vorige week weer hernemen: In Trouw schrijft Wil Rouleaux dat de roman De dood in Rome van Wolfgang Koeppen ‘in kwalitatief opzicht vergelijkbaar [is] met de meesterwerken van Günter Grass of Max Frisch’. Het proza van R.A. Basart wordt door Rob Schouten vergeleken met ‘Brakman, Vestdijk en Nabokov’. In De Standaard vertelt Mike Nicol dat hij het misdaadgenre niet meer minderwaardig achtte toen hij ontdekte welke mannen zich er wel aan waagden, ‘van Arthur Conan Doyle tot de grote Amerikaanse misdaadauteurs van dit moment: George Pelecanos, Michael Connelly, Elmore Leonard’.

Ik hoefde helaas niet lang te zoeken naar andere voorbeelden van dit uitsluitingsmechanisme: in de Volkskrant een bespreking van de geschiedenis van Vrij Nederland zonder dat de naam Renate Rubinstein valt, in het Volkskrant Magazine een beknopte beschrijving van ‘New Journalism’ zonder Joan Didion en in Vrij Nederland bespreekt Carel Peeters een essaybundel van Hirsch Ballin zonder op te merken dat alle gegeven voorbeelden van ‘mensen die tegen de stroom ingingen […] voor de verdediging van de universele en individuele mensenrechten’ mannen zijn.

Een grensverleggend feministisch manifest

Tussen alle aandacht voor oudere blanke mannen in Trouw was de bespreking door Emila Menkveld van I love Dick van Chris Kraus een enorme opsteker. Een ‘grensverleggend feministisch manifest’ noemt Menkveld de roman die net bij Lebowksi is verschenen in de vertaling van Evi Hoste en Anniek Kool. “Als vrouwen erin gefaald zijn ‘universele’ kunst te  maken omdat we gevangen zitten in het ‘persoonlijke’,” citeert Menkveld uit Kraus, ‘waarom maken we dat “persoonlijke” dan niet universeel en het onderwerp van onze kunst?’ Goeie vraag.

Deuren en ramen open in NRC en De Standaard

Qua percentages is NRC geen opsteker — de omvangrijke non-fictiebijlage is exclusief door mannen geschreven, over uitsluitend mannelijke auteurs. Wel heel fijn: Arjen Fortuin is dankzij de bekroning van Astrid Roemer de hem nog onbekende Bea Vianen gaan lezen (een initiatief waarbij de Lezeres hem graag in ‘t voetspoor volgt), daarna een boeiend interview met Meg Rosoff, vervolgens een grote recensie van Margo Jefferson’s Negroland en dan Blackass van A. Igoni Barrett: de Lezeres heeft het gevoel dat de ramen en deuren worden opengezet en de wereld ruimhartig mag binnenwaaien! (Ook: nul referenties aan de Grote Drie deze week.) Marijke Arijs van De Standaard bespreekt De plaats van Mario Levrero, een uitgave van de nieuwe uitgeverij Bananafish, interview met Zuid-Afrikaanse thrillerschrijver Mike Nicol – ook hier de luiken open!

Goed bedoeld orientalisme is óók orientalisme

Goethe liet zich inspireren door de veertiende-eeuwse Perzische dichter Hafez, nu vertaald in West-oostelijke divan. Désanne van Brederode schrijft in de Volkskrant dat als je jezelf bevrijdt van vooroordelen, je kunt worden wat je wil en zo wordt Goethe ‘Een Arabisch dichter’. Want niet alleen schreef hij ‘een bonte markt van gedichten bij elkaar’, hij maakte zelfs z’n eigen Arabische lente mee: ‘waarin verheven overpeinzingen toch raadselachtig lichtvoetig kunnen blijven, waarin liefde, erotiek, wijn, wijsheid en vitalistische natuurmystiek gul samenvloeien’. ‘Hart op de tong’, ‘warmte van het gesprek op straat, in het cafe, in bed’, ‘muziek van de taal’, ‘overgave aan stroom van verrassende nieuwe creativiteit’. Kortom, een onsamenhangend zinnebeeld van intuïtie, mateloosheid en erotiek wordt weer eens van stal gehaald om de Arabische wereld te beschrijven. Misschien moet ze Said er toch maar weer eens bij pakken.

Inderdaad, literatuur en politiek sluiten elkaar niet uit

Olaf Tempelman bespreekt de carriere en het oeuvre van Orhan Pamuk in het licht van de ontwikkelingen in Turkije, van twintig jaar geleden tot de meest recente. Hij bespreekt daarbij kwesties zoals geopolitiek, armoede en de parallel tussen Turkije en India: landen met een groeiende economie en een democratie die wordt ondergraven. Besproken wordt ook de lagere sociale klasse die in de laatste romans van ‘bourgeoiszoontje’ Pamuk voor het eerst zijn intrede doet. Kortom, het hele oeuvre wordt gezien in een sociaal-economisch-historische context en dat maakt zo’n recensie meteen spannend.

Maar om nu vergelijkingen met jihadisme uit de lucht te plukken…

Een Zeer Complex Geval in De Standaard: daar probeert Marc Reynebeau het 100 jaar oude Music-Hall van Paul van Ostaijen te actualiseren door de dichter te vergelijken met hedendaagse Syrië-gangers. Reynebeau betoogt dat we Van Ostaijen nu ‘geradicaliseerd’ zouden kunnen noemen en trekt de analogie zover door dat hij Van Ostaijens vlucht naar Berlijn omschrijft als: ‘hij zocht zijn heil in Raqqa’. Mijn overzichtelijke schemaatje Opsteker/Uitglijder is te simpel voor de heel ingewikkelde vergelijking tussen Vlaamsgezindheid en jihadisme, maar wel valt te constateren dat Reynebeau, net als bij het orientalisme van Van Brederode, evenmin een rem zet op zijn associaties met het Midden-Oosten.

En het kapitalisme mag geen literair probleem worden

Nog meer politiek. In NRC: Don DeLillo schreef een dystopische roman over de samenkomst van biomedische manipulatie en haute finance. Jan Donkers wijdt ‘t grootste deel van zijn recensie aan eerst een samenvatting van de plot, en later,  op het punt van kritische evaluatie aangekomen, aan vormkritiek (de roman is ‘gekunsteld’). Van schrik komt hij niet toe aan het evalueren van de inhoud van Delillo’s literaire verbeelding van het 21e-eeuwse grootkapitaal. Afsluiter: ‘het is een boek dat vragen oproept, discussie genereert’. Ja maar Jan, wélke vragen en wélke discussie dan?

Grote Drie-alert

Sluiten we af met het wekelijkse Grote Drie-alert. Volgens Erik van den Berg in de Volkskrant — en Mark Cloostermans signaleert hetzelfde in De Standaard — schreef Philip K. Dick met De man in het hoge kasteel een roman die ‘de uitkomst van de Tweede Wereld oorlog omkeert (net als Harry Mulisch in De toekomst van gisteren)’. Hier moest ik toch wel even om grinniken. De onvolprezen Harry Mulisch kreeg blijkbaar, net als Philip K. Dick dit lumineuze omkeer-idee, maar wat Van den Berg niet (en Cloostermans met enkel een jaartal) vermeld pas een decennium later. Zegt dit niet gewoon alles wat we hoeven weten over Mulisch en zijn adepten?

Drie nog niet geschreven essays over Astrid Roemer

roemerAstrid Roemer ontvangt vandaag de PC Hooftprijs en mijn leesbril krult van genoegen. IJverig als ik ben, ging ik eens op zoek naar een academische studie (in boekvorm) geheel gewijd aan haar werk.* Die blijkt er niet te zijn, ook geen kleine collectie van meer toegankelijke essays. Wel losse artikelen, en daarbij valt op dat ze door academici vaak in Engelstalige onderzoeken naar Caraïbische literatuur genoemd. Dat is mooi, maar een cultuur die zichzelf serieus neemt zou ook in de eigen taal volop over een auteur van het kaliber Roemer moeten publiceren.

Ondertussen zijn er natuurlijk wel al decennialang dagblad- en tijdschriftkritieken (en essays) over haar werk geschreven. Al grasduinend las ik hier dingen die scherp en goed waren, daar wat meer obligate recensies – misschien niet heel anders dan bij andere auteurs. Toch bleef ik peinzen over de vraag waar de grotere overzichten van haar oeuvre blijven. Het lijkt alsof er in de ontvangst van Roemer drie complexe thema’s samenkomen. Ieder apart zijn  het al ingewikkelde kwesties, en bij de kritische receptie van Roemer spelen ze allemaal tegelijkertijd. Ik vermoed dat dat een  diepgaander gesprek over haar werk bemoeilijkt. Laat ik proberen deze drie thema’s aan te stippen. Als een opening voor drie nog niet geschreven essays.

[1] Geestelijke pijn en hoe deze te begrijpen

De eerste kwestie is die van geestelijke pijn en hoe deze te begrijpen. Roemer draagt haar prijs op aan Bea Vianen, Edgar Cairo en Anil Ramdas. Drie Surinaamse schrijvers die ten onder gegaan zijn aan geestelijk lijden. Het punt dat Roemer hiermee maakt is, zoals ze het beschreef in een interview in NRC op 16 mei jl.: “Wat er met die mensen is gebeurd, dat kan niet alleen met hun karakters te maken hebben. Dat moet ook hun habitat zijn geweest.”

Geestelijk lijden, al dan niet in een te diagnosticeren vorm, wordt over het algemeen niet begrepen als ook een zaak van de habitat – buiten de habitat van het directe gezin, meer bepaald: de vader en de moeder. Het wordt gezien als een apolitieke, puur persoonlijke zaak. Dit is in ieder geval in Nederland het algemene beeld. In de VS heb je een substantiële traditie van psychiaters en psychologen die zich hebben beziggehouden met de invloed van racisme op geestelijk welbevinden (nou ja, het gebrek eraan), zie hier voor een kleine introductie.

Geestelijk lijden wordt zo een gemakkelijke bliksemafleider. De lezer hoeft zich niet te verhouden tot die habitat en de omstandigheden die het geestelijk lijden mede veroorzaakt hebben, maar kan zeggen: deze vrouw heeft hulp nodig, ik hoef haar verder niet serieus te nemen en haar werk niet als betekenisvolle literatuur tot me te nemen. Vergelijk hoe zoiets gaat bij witte mannelijke schrijvers: W.F. Hermans’ neurosen werden eerder bewonderd en  gevreesd dan dat ze afbreuk deden aan zijn reputatie. Over de wanen van J.J. Rousseau zijn bibliotheken volgeschreven. Maarten Biesheuvel schreef regelmatig over zijn psychosen, en kon daarbij altijd op empathie rekenen. Men leek het vooral enorm te waarderen dat hij zich zo kwetsbaar durfde opstellen. Geheel terecht, die empathische reactie, dat wil ik graag benadrukken als het over dit onderwerp gaat.

Bij auteurs als Rousseau, Hermans en Biesheuvel wordt onmiddellijk erkend dat de relatie tussen literair schrijven en geestelijk lijden buitengewoon complex is, en dat de complexiteit van deze relatie tegelijkertijd inherent onderdeel is van het schrijverschap zelf. Er wordt veel moeite gedaan deze kwesties niet te reduceren tot een eenvoudig te diagnosticeren ‘ziektebeeld’, een diagnose die vervolgens tot de sleutel van de tekst kan dienen. (Vergelijk: we zullen ‘Hermans leed aan achtervolgingswaan en dus schreef hij zoals hij schreef’ verwerpen als een banaliteit, en terecht). Het zou goed zijn als precies zo’n aandachtig besef van complexiteit de norm wordt bij schrijvende vrouwen en auteurs van niet-westerse afkomst.

[2] Postkoloniale auteurs en hoe zij de neutraliteitsillusie verstoren

Dan een andere kwestie. Nederland is notoir slecht in het onderkennen van verschillen in machtsposities. We opereren het liefst vanuit de illusie dat er geen structurele verschillen zouden zijn tussen sociale milieus, of tussen voormalige koloniale machthebbers en voormalige kolonies; tussen het cultureel kapitaal dat de een meekrijgt of de ander. Het koloniale verleden herinnert er ons echter onvermijdelijk aan dat áls ‘wij Nederlanders’ al egalitair waren, we in ieder geval óók nog iets heel anders waren.

Nederland heeft het koloniale verleden nog altijd als een graat in de keel zitten – we denken er aan ‘voorbij’ te zijn maar dieper inzicht in de doorwerking van dat verleden ontbreekt vaak. Ik noem hier slechts één voorbeeld dat meespeelt in de ontvangst van auteurs uit Suriname en de Caraïben (zonder te willen suggereren dat dit het enige probleem zou zijn): de omgang met de taal. Wie in het in centrum van een monotalige cultuur opgroeit denkt wellicht dat de moedertaal een ‘neutraal’ en ‘vanzelfsprekend’ instrument is, een onbeslagen vensterruit om door te kijken. Maar in het koloniale systeem was het Nederlands een cruciaal machtsinstrument, en tegelijkertijd ontstonden er juist in die koloniale samenlevingen meertalige culturen. Alleen al daarom is in postkoloniale landen zoals Suriname de taal (of beter gezegd, zijn de talen) altijd zichtbaar geassocieerd met meervoudige identiteiten, en is taal iets dat zich nooit ‘vanzelfsprekend’ in een neutrale ruimte bevindt.

Bekroningen van auteurs als Roemer en eerder ook Antoine de Kom worden vanuit Nederlands perspectief vaak ervaren als politieke en ideologische keuzes. Alsof iemand wasemt op ons mooie heldere vensterruitje. Dat roept soms regelrechte woede en rancune op (zie hier en hier). Maar je moet wel in het centrum van de culturele macht zitten om in een neutraliteitsillusie te kunnen leven. Het is een luxe niet te hoeven zien hoe die neutraliteitsillusie rust op in het verleden gecreëerde politieke machtsverhoudingen. Een bekroning voor iemand uit ‘de marge’ verstoort de mythe van het egalitaire Nederland waar we taal gebruiken om lekker ‘direct’ en ‘helder’ met elkaar te spreken.

Het gesprek gaat dan al snel over ónze wrevel, ónze weerstand, óns gevoel dat hier wellicht ‘politiek-correcte’ motieven meespelen. Wat de auteur zelf geschreven heeft over leven in tijden van postkoloniale bodemverschuivingen verdwijnt achter de horizon.

[3] Engagement voorbij het universalisme-dogma

En dan is er nog een derde kwestie: Roemer wordt een geëngageerde auteur genoemd en ik ben het daar niet mee oneens, maar het etiket ‘literair engagement’ lijkt meestal meer misverstanden op te roepen dan helderheid te scheppen. Vaak loopt in Nederland de redenering als volgt: politieke stellingname staat haaks op literaire kwaliteit want engagement verzandt al snel in drammerig pamflettisme. Engagement is pas te prijzen als de auteur een dergelijk pamflettisme weet te overstijgen, bijvoorbeeld door de thematiek op een universeel niveau te tillen.

Het universele wordt dus hoger aangeslagen dan het particuliere, en literaire vorm staat tegenover inhoudelijk engagement. Maar waarom? Dat wordt eigenlijk nooit uitgelegd, hier stuiten we op een literatuurkritisch dogma. Deze week vond ik in de boekenbijlage een interessante case in point: Rob van Essen was in NRC negatief over Harry Parker omdat in diens autobiografische oorlogsroman de oorlogservaring niet ‘universeel’ wordt gemaakt en de auteur nalaat iets te zeggen over de ‘condition humaine’. Ik kon de recensent hier volstrekt niet volgen: ik lees zo’n roman juist om dichter te komen tot die ene oorlog in Afghanistan. Die universele condition humaine kan ik missen, die heb ik thuis al in overschot.

Zo ook Roemer, bij wie critici altijd haastig vermelden dat het weliswaar over Suriname gaat, maar dat het dat ‘overstijgt’ omdat het ook iets ‘universeels’ aan de orde stelt. Altijd kromme tenen als ik zoiets lees. Alsof er twee mogelijkheden zijn: ofwel een boek is geëngageerd, en dan wordt er een politieke theorie uitgedragen en/of op een particuliere situatie geplakt; ofwel een boek is niet geëngageerd, en dan is de toon lyrisch, komen er sprookjes en mythen in voor, en ligt de nadruk op universele emoties (liefde, spijt, onmacht) – en het geniepige gebeurt wanneer dit wordt omgedraaid: dit is een lyrisch boek en dus is het niet geëngageerd. Gorter schrijft liedjes en dat is niet zijn geëngageerde kant. Roemers landschap is ‘mythisch’ (zoals Arjen Peters in de Gids schreef (25-6-2015/2015, nr 3) en dat behoort niet tot de geëngageerde kant van haar boeken.

Kortom, lieve recensenten, essayisten, Neerlandici en lezeressen (M/V) van Nederland, het werk van Astrid Roemer vraagt  om goede beschouwingen, maar misschien ook om reflectie met welke aannames er doorgaans gelezen en geduid wordt.

Maar nu eerst: vlag uit! Taart! Hoera voor Roemer, en hoera voor de jury, die net als ik vast hoopt dat het denken en schrijven over haar werk met deze bekroning een vlucht zal gaan nemen.

 

* Een twitteraar herinnerde me aan dit boeiende artikel van Isabel Hoving. Leestip!

 

Mansplaining in topvorm: hoe mannen over mannen schrijven

Lieve Lezers!

Ldv_lekkertellen17_voetbal

Cijfers zeggen veel, maar letters ook. #lekkertellen (week 17 inmiddels) zit daarom voortaan in een iets ander jasje: eerst (1) de week in cijfers, dan (2) een rode draad in álle boekenbijlages. Deze week is dat  het thema: hoe mannen over mannen schrijven. Dan (3) de vaste afsluiter: overzichtje hoogte- en dieptepunten, want de boekenbijlages blijven ons natuurlijk verrassen…

  1. De week in cijfers

De Lezeres strooit nu al enkele weken as over het hoofd als ze de Volkskrant leest: 24% voor de vrouwelijke auteurs en als we het omrekenen naar kolomruimte komen we rond 15% uit. O Wilma where art thou? (Wel grappig: in diezelfde Volkskrant een heel stuk over hoe ergerlijk ‘t is dat er tegenwoordig zoveel vrouwen gezichtsloos, want met hun rug, op een romancover staan – jaja Volkskrant, vrouwen gezichtsloos maken, het is inderdaad bijzonder ergerlijk).  Ik rekende ook eens de stand na 17 weken #lekkertellen voor tijdschriften Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer uit. Welnu: tot op heden heeft De Groene 26% van haar stukken besteed aan vrouwelijke auteurs en Vrij Nederland 25% – en dat maakt ze tot katernen die onderaan het klassement bungelen, samen met Het Parool en de Volkskrant.  De Morgen stelde deze week eindelijk een keer niet teleur, helemaal als ik de zeven signalementen niet meereken: 33% vrouwelijke recensenten en – let op – 50% vrouwelijke auteurs! Inclusief de signalementen kom ik op 38% besproken vrouwen. Uitschieter naar boven is deze week De Standaard. Als middenmoters blijven Trouw en NRC rond de 30% steken.

  1. Het thema van de week: mannen over mannen

Deze week vroeg de Lezeres zich af: hoe schrijven mannen over mannen?  Wat opvalt: heel vaak verwijzen mannen alleen maar naar andere mannelijke kunstenaars/schrijvers. En o ja, sport & sportmetaforen.

De canon is gevuld met mannen…

Hans Cottyn (De Standaard der Letteren) oppert dat je ‘een geschiedenis van de wereldliteratuur zou kunnen schrijven aan de hand van nee-zeggers’ en natuurlijk zijn het uitsluitend mannen die weigeren, afwijzen, koppig zijn: Oblomov, Ralph Ellisons ‘onzichtbare man’ en de weduwnaar in Veronesi’s Kalme chaos.

In Vrij Nederland vroeg Rob Schouten zich af ‘Waarom vrouwen van Murakami houden’, want ‘vooral bij zijn westerse lezeressen maakt hij zich mateloos populair met zijn wegwijzigingen naar persoonlijke vrijheid’. In de vijfeneenhalve pagina die hij voor deze vraag uittrekt, komen enkel mannen langs (Ian Buruma, Charles Dickens, Georges Bataille, Arnon Grunberg, de Beatles, Kafka, Bach, Brahms, Wilhelm Backhaus, Robert Casadesus, Francois Truffaut, Marx, Heidegger) en oh ja, vier vrouwen zonder naam (‘vrouwen in [Schoutens] omgeving’) en Billie Holiday. Een man legt aan de hand van andere mannen uit waarom een mannelijke auteur zoveel succes heeft bij vrouwen. Mansplaining to the max.

Dan: in zijn NRCbespreking van Bij mij op de maan, de bloemlezing van Russische kinderpoëzie die  Robbert Jan Henkes vertaald en samengesteld heeft, noemt Guus Middag 9 mannelijke dichters en zowaar 2 vrouwen (één is de in het geval van kinderliteratuur onvermijdelijke Annie M.G. Schmidt, blijft er dus één Russische vrouwelijke dichter Tokmakova over). Werd er in Rusland bijna alleen door mannen voor kinderen gedicht? Middag rept er met geen woord over. Met een soortgelijke vanzelfsprekendheid bespreekt stripcriticus Toon Horsten in De Standaard der Letteren de reeks Carnet de voyage, waarin het rijtje ‘grote namen’ dat er aan bijdroeg bestaat uit louter mannen. Dan Trouw: in het artikel van  Gerwin van der Werf over de detectiveromans rond de gentleman-dief Arsène Lupin, blijkt de canon eveneens geheel gevuld met mannen – er mag werkelijk geen enkele vrouw meemarcheren. Wij misten toch echt een Comtesse de la Motte, een Miss Marple of een Catwoman!

Tot slot: hoe leg je bij een man uit dat de schrijfstijl goed is? Eenvoudig: ook dan kom je met canoniek mannelijk geschut. In zijn karakterisering van Evens’ stijl komt eerder genoemde Horsten (SdL) niet voorbij de mannelijke voorgangers als Klee en Kirchner. Sebastiaan Kort (NRC) wil R.A. Basart prijzen om zijn stijl en trekt maar meteen Tjechovs pistool en literatuurwetenschapper Sjklovski uit de kast. Precies zo schreef Arjan Peters over R.A. Basart: ‘Basart is een groot entertainer, die zichtbaar in de leer is geweest bij Gerard Reve en Heere Heeresma’ (ook te filen onder: Grote Drie-alert).

De bal is rond

Het Ajax-trauma heeft duidelijk diepe wonden geslagen bij de hoofdstedelijke mannelijke literatuurrecensenten, want voetbal was alomtegenwoordig. Maarten Moll stelt in Het Parool: ‘Er zijn mensen (vooral mannen) die veel geld over hebben voor complete voetbalplaatjesalbums’. Superinteressant. Arjen Fortuin bespreekt in NRC de hagiografie van Jari Litmanen die hem maar matig kan boeien. In dezelfde krant stelt  Sebastiaan Kort dat schrijvers én voetballers beiden wel eens een ‘comeback’ maken. Opvallend: Kort noemt uitsluitend mannelijke auteurs om die comeback te illustreren. Hans Knegtmans is erg blij met de laatste thriller van René Appel, die ‘in topvorm is.’  Jaap Goedegebuure noemde in Trouw de verhalenbundel ‘Rivieren’ van Martin Michael Driessen al in zin drie een ‘voltreffer’. (comeback, voltreffer, scoren en in topvorm zijn: terminologie waarvan het zeer de vraag is of het voor vrouwen wordt gebruikt). Enfin, Arjan kon in de Volkskrant ten slotte niet achterblijven en wijdde net als Maarten en Arjen zijn column óók aan voetbal.

  1. Hoogte- en dieptepunten

Bewaarexemplaar

De boekenbijlage van De Standaard is een bewaarexemplaar, lieve lezers. Van de 11 recensies zijn er twee van een man over een man, de rest van de recensies is van vrouwen over vrouwen en mannen. En wat blijkt? Het culturele referentiekader van vrouwelijke critici bestaat uit vrouwen en mannen. De verhalen van Donald Barthelme doen Annelies Verbeke denken ‘aan het werk van Daniil Charms en Roland Topor, en ook aan dat van ( …)  Lydia Davis en Lynne Tillman.’ Ik sla andere boeiende stukken over onder meer Mantel en  Elizabeth Strout over, en noem hier last but not least: een interessante bespreking van Bijbel voor ongelovigen van Guus Kuijer, waarover Hilde Van den Eynden opmerkt: ‘Een stem geven aan vrouwen in Bijbelse tijden: Kuijer is er een meester in.’

Ldv_lekkertellen17_hoogtepunten

Het Parool deed iets ongewoons

Verder: Hoera! Een openingsstuk! Door een vrouw over een vrouw! In het Parool! Marjon Kok over Meg Rosoff. Fijn dat een vrouw een openingsstuk mocht schrijven, jammer dat dat alleen mogelijk is omdat het Parool vrouwen graag in het reservaat van de kinderliteratuur en poëzie houdt.

 ↓ Een vrouw beoordelen op haar uiterlijk

Zei ik ‘Hoera! over Het Parool? Misschien kan de krant de volgende keer eerst vertellen dat Elisabeth Baud-Couperus ‘een vooraanstaande vertaalster van onder meer The Picture of Dorian Gray en van zo’n twintig andere romans en toneelstukken’ was en niet het artikel openen met de mededeling dat ze ‘Werkelijk buitengewoon scheel’ was, en nog wat andere nare opmerkingen over haar uiterlijk. Snippers voor de kattenbak. Oh en nu we het toch over uiterlijkheden hebben: Dirk Leyman die in De Morgen constateert dat Paulien Cornelisse een fenomeen is vanwege haar ‘grote kuif en welgebektheid’ mag ook kennis komen maken met het jaar 2016.

Grote Drie-alert

Toef Jaeger bespreekt tijdschrift De Parelduiker, waaruit op te maken valt dat er alleen mannen aan het nummer hebben bijgedragen (of Jaeger laat nét de vrouwelijke scribenten ongenoemd?) Grote Drie-alert: Reve heeft in de oorlog akelige dingen gezien maar daar later nooit meer iets over geschreven. Oké.

↓ Het woord ‘vintage’

Kees ‘t Hart in De Groene: het is Vintage Grunberg. Ja critici des Vaderlands, vintage x en vintage y, nu weten we het wel. Het is lente, verzin iets anders.

week 17

Moederdag en prijzenslag: #lekkertellen week 16

Lieve lezeressen en lezers,Wasabinootjes

Hebt u al wasabinootjes en een fles bubbels in huis gehaald voor vanavond? Nog een paar uren, dan weten we wie dit jaar de Libris Literatuurprijs wint. Wordt het een man, wordt het een vrouw? De kansen zijn fifty-fifty (mijn lievelingsverhouding) want de man/vrouw-verdeling is dit jaar weer eens in evenwicht. Dat gebeurde voor het laatst in 2008 met Louise Fresco, M. Februari en de zeer onverwachte winnares D. Hooijer. Uit het Libris-archief blijkt dat zij de tweede vrouwelijke Libris-winnares ooit was, nadat Frida Vogels ‘m kreeg. Dat was in 1994. Because it’s 2016 zou weer eens een vrouwelijke winnares niet misstaan in het rijtje. Als we de critici mogen geloven, zou dat zomaar kunnen gebeuren: ze keken dit weekend diep in hun glazen bol en zien daar Jij zegt het van Connie Palmen oplichten. Ook in Huize Lezeres scoort Palmen hoog in de poule. Spannend! Naast het prijzenfestijn werden de boekenbijlagen dit weekend gedomineerd door lovende besprekingen van de nieuwe Grunberg. Als u mij toestaat ook alvast een voorspelling te doen: volgend jaar rond deze tijd vragen we ons wellicht af of de Libris Literatuurprijs al dan niet naar Moedervlekken gaat. Maar zoals mijn moeder altijd zei: wie dan leeft, wie dan zorgt. We gaan eerst weer #lekkertellen!

de Volkskrant

Sir Edmund pakt uit met een vier pagina’s tellend interview met Thomas Verbogt naar aanleiding van zijn nominatie voor de Libris. Als Arjan Peters het juryrapport goed interpreteert, is het echter Palmen die haar nominatie zal verzilveren. Ik blader verder: langs Arnon Grunberg en zijn Moedervlekken, langs Bart-Jan Kazemier, Jeroen Janssen en Hillebrand Ehrenburg en Marcel Meyer totdat er eindelijk twee kolommen opduiken over Hersenbeest, een essay van Marjan Slob waarin ze schreeuwerige hersenwetenschappers de oren wast. Recensent Suzanne Weusten stelt vast dat ze dat helaas doet zonder de namen te noemen van deze ‘wetenschapsprinsjes’, zodat je moet raden op wie Slob haar pijlen richt.

Twee pagina’s verderop staat een bespreking van De eenzame stad, van de voortreffelijke Olivia Laing – dat is al de tweede non-fictietitel van een vrouwelijke auteur deze week! We gaan het in de gaten houden, misschien boekt de Volkskrant progresie op dit vlak. Want van de cijfers moeten ze het nog steeds niet hebben: in beide categorieen schommelt de score rond de 30%. Bij de kortere besprekingen is plaats voor een Française (Virginie Despentes) en een Duitse (Jenny Erpenbeck). Was er nog iets opzienbarends te vinden in de vergaarbak Signalementen? Een verhalenbundel plus novelle van de Deense Dorthe Nors en een boekje van opruimgoeroe Francine Jay.

De Standaard

In Vlaanderen is er dit prijzenweekend extra kans, daar nadert ook de uitreiking van de Fintro Literatuurprijs. ‘Dit jaar wint (eindelijk) een vrouw’, kopt De Standaard. De voorspelling komt van Maria Vlaar, de critica die bij De Standaard der Letteren de genderverhoudingen op subtiele wijze in het oog houdt; het is zeker niet haar wekelijkse stokpaardje, maar wanneer ze de trom ziet, slaat ze erop en dat is in deze boekenbijlage een welkom geluid. Vorig jaar constateerde Vlaar al ‘dat de Gouden Boekenuil, zoals de Fintro toen heette, nog nooit naar een vrouw ging, en de Libris slechts twee keer.’ Dit jaar gaat het bij beide prijzen samen tussen vier mannen en vier vrouwen, ‘en dat doet deugd’. Op de lange termijn kijkt Vlaar echter niet té optimistisch vooruit: ‘Laten we het toeval noemen.’ Maar op de korte termijn ziet Vlaar gunstige voortekenen: ‘Ik verzeker u: dit jaar wint een vrouw.’ Op basis van de keuze van de jury voor romans die binnenwereld en emoties centraal stellen doet Vlaar een educated guess voor Jij zegt het van Connie Palmen: ‘Hoe zij Ted Hughes in fictie vol compassie oproept en zijn liefde, verscheurdheid, wroeging, hartstocht en wijsheid beschrijft heeft een onvoorstelbare impact, in ieder geval op deze lezer.’

Ook de Standaard der Letteren draagt bij aan de grote patronen deze week: naast aandacht voor de prijzen is er uitgebreide ruimte voor de nieuwe Grunberg. Maar er zijn ook kleine patronen: Marc Cloostermans bespreekt The Low Countries, het Engelstalig jaarboek van Stichting Ons Erfdeel, dat dit jaar probeert een aantal culturele tendensen aan te wijzen in de 21e-eeuwse literatuur. Matthijs de Ridder beschouwde de romanproductie en zag dat er veel romans verschenen over ‘ontwaken in de werkelijkheid, als de verbeelding van de val van de Twin Towers’ en over de vluchtelingenproblematiek. Wat De Ridder volgens Cloostermans nalaat te vermelden – en daar vult hij hem graag even aan – ‘is de gestage stroom boeken over vrouwelijke seksualiteit’. Daarbinnen ziet Cloosterman subtendensen: ‘Ze wordt vaak verbeeld als een bedreiging voor de man, oorzaak van verwarring (Peter Buwalda’s Bonita Avenue), geweld (Jamal Ouariachi’s Vertedering, Christiaan Weijts’ Art. 285b, Elvis Peeters’ Wij) of seksueel misbruik en erger (Kristien Hemmerechts’ De vrouw die de honden eten gaf).’  Cloosterman speelt het klaar om buiten Hemmerechts geen enkele andere vrouwelijke auteur te lezen en te bespreken, alsof die niet ook zo hun visie op seksualiteit hebben. Newsflash: alleen vanuit mannelijk perspectief vrouwelijke seksualiteit bezien en dan tot de conclusie komen dat de man zich er door bedreigd voelt, is géén nieuwe trend.

NRC Handelsblad

De meest prominente vrouw in de boekenbijlage van NRC is deze week de moeder van Arnon Grunberg. Ook Grunberg heeft namelijk een moederboek geschreven (Adriaan van Dis en Maarten ‘t Hart gingen hem al voor). Oh nee, te vroeg gejuicht, de moeder blijkt fictie en is eigenlijk de vader van het hoofdpersonage Kadoke. Veelzeggend genoeg blijven de moeder en de suïcidale love interest van Kadoke op de illustratie gezichtsloos terwijl boven Kadoke de geest van Grunberg zelf waart.

Het meest prominente stuk dat door een vrouw geschreven is, is het openingsstuk van Jutta Chorus, waarin ze een vergelijkende bespreking maakt van Maarten Zeegers undercoverboek over moslims en Pim Fortuyns De islamisering van onze cultuur. Vorige week nog noemde Michel – leefde Karel nog maar – Krielaars de critici van Zeegers undercovermethode nog ‘moraalridders’ die onzin verkochten, maar Chorus is gelukkig iets genuanceerder en vraagt zich af of die methode wel echt nodig was. Tegelijkertijd is ze enthousiast over de beschrijvingen die Zeegers geeft, die ‘met veel smaak’ zijn neergeschreven en een ‘beelschoon inkijkje [geven] in een samenleving die wij van buiten nooit zien’. Zelf word ik nogal ongemakkelijk bij het idee aan het gebruik van undercovermethoden en couleur locale om Nederlanders te beschrijven.

In de weekendkrant hebben Toef Jaeger en Thomas de Veen datajournalist Yordi Dam eropuit gestuurd om te gaan ‘lekker tellen’, ‘of #lekkertellen zoals dat online heet, waar het momenteel de literaire volkssport nummer één is’. Zij Die Niet Genoemd Mag Worden vraagt zich af wie er toch op zo’n goed idee gekomen is. De uitkomsten zijn natuurlijk vrij treurig: de meeste winnaars van de Librisprijs tot nu toe zijn mannen van middelbare leeftijd en bovendien Nederlands (ook Vlamingen komen in aanmerking, maar winnen minder vaak). Zou er vanavond een verandering worden ingezet? Ironisch genoeg is het uitgerekend dit meta-stuk dat met een Reve-citaat de Grote Drie-kaart beurt op zich neemt. Enerzijds scheve genderverhoudingen betreuren en anderzijds met ijzeren hardnekkigheid de Grote Drie hooghouden als de ultieme norm, dat lijkt mij dan weer literaire volkssport nummer één. Hoe dan ook geniet ik extra van mijn bubbels nu ik weet dat #lekkertellen gemeengoed is geworden en het genderbewustzijn losbarst zoals de lente dit weekend.

Trouw

Ook het boekenkatern van Trouw opent met een recensie van Moedervlekken van Arnon Grunberg waarin Rob Schouten maar weer eens het gewichtige proza bezigt dat vrijwel exclusief  voorbehouden lijkt aan recensies van boeken van mannelijke schrijvers: ‘Arnon Grunberg is niet zomaar een belangwekkend en groot schrijver, hij is vooral ook iemand met een pregnante ideeënwereld.’ En mocht die ronkende retoriek u niet overtuigen, dan volgt er een zin waar de Lezeres van schrik haar hele moederdag-doosje Merci van heeft leeggegeten: ‘Ideologie zou ik het niet willen noemen, eerder non-ideologie, het breken met bestaande denkpatronen.’  Non-ideologie die toch breekt met denkpatronen, de Lezeres trok nadat de chocola geen soelaas meer bood Žižek uit de kast en moest er een beetje non-emotioneel van huilen.MERCI

Gelukkig laat Trouw ons wat betreft de genderverhoudingen ook deze week niet in de steek en zien we een aanvaardbare balans tussen besprekingen van boeken van vrouwelijke en van mannelijke schrijvers. In het katern staat bijvoorbeeld een groot artikel over twee boeken van vrouwelijke schrijvers over de middeleeuwse heksenjacht. De Amerikaanse Pulitzer Prize-winnares Stacey Schiff schreef The Witches over de Salemprocessen, de Duitse historica Ulinka Rublack reconstrueerde het proces tegen de van hekserij verdachte Katharina Kepler in The Astronomer and the Witch. Intrigerend detail: men vond het indertijd heel verdacht dat Kepler in gevangenschap geen traan liet – terwijl ze toch ècht een vrouw was! De meest intrigerende vraag komt in het artikel van Bas den Hond helaas niet voorbij: waarom waren het vooral vrouwen die wegens hekserij ter dood veroordeeld werden? Als we zouden gaan tellen bij de processen tegen hekserij zou die exercitie zeker ruimschoots in het voordeel uitvallen van vrouwelijke veroordeelden.

Verder ook aandacht voor Vermoorde onschuld van de Amerikaanse schrijfster Dana Spiotta (in de VS in één adem genoemd met Joan Didion) over twee cinefiele vriendinnen die allebei filmmaker worden. Het boek wordt door Hanna de Heus prachtig omschreven als ‘een complexe roman die eisen aan de lezers stelt, die medewerking vereist, maar wie zich daarvoor openstelt, vindt een fraai en zorgvuldig gecomponeerd boek’. Fijn dat Trouw ook aandacht besteedt aan Alfonsina. Wielrennen is mijn leven van fotografe Ilona Kamps. Een fotoboek over Alfonsina Morini-Strada, de vrouwelijke wielrenner die in 1924 tussen de mannen meereed in de Giro d’Italia. Nooit meer vertoond. Onbegrijpelijk dat die vrouw in vergetelheid stierf.

We tellen 48% vrouwelijke schrijvers tegenover 52% mannelijke en 40% vrouwelijke recensenten tegenover 60% mannelijke. Niet zo’n mooie score als vorige week, maar heilig vergeleken met de andere bladen.

De Groene Amsterdammer

Geen Grunberg in de Groene, zowaar! En ook geen Libris. In plaats daarvan besteden gaan de eerste drie recensies over boeken die genomineerd zijn voor de Erik Hazelhoff Biografieprijs. Het katern opent met een essay van Xandra Schutte over Cécile en Elsa: Stijdbare Freules van Elisabeth Leijnse, een boek dat recht wil doen aan het complexe leven van feministische vrouwen ‘op stand’.Dichters en Denkers sluit ook mooi, met een column van Niña Weijers over vrouwen (meer bepaald, moeders en oma’s wier leven zich eerder níet ‘op stand’ afspeelt) die al dan niet de mogelijkheid zien voor zichzelf om te studeren en hun wereld daarmee te vergroten. Daartussen alleen boeken van mannelijke auteurs, besproken door mannelijke recensenten, zodat de teller uiteindelijk op 25% vrouw uitkomt, een magere score, al heeft de Groene het nog wel eens slechter gedaan. Niet dat er tussen die mannen niks moois te vinden is overigens. Zeer lezenswaardig is Chris Keulemans’ bespreking van Taqwacore van Michael Muhammed Knight en Hongerjaren van Mohamed Choukri.

De Morgen

Dan wel weer Grunberg in De Morgen. Geen aandacht voor zijn boek, maar wel voor zijn huis. En voor de huizen van andere schrijvers. Wat leren wij uit deze recensie? Schrijvers met een huis zijn mannen, tenzij ze Saskia de Coster zijn. Verder: zes recensies van boeken geschreven door een vrouwelijke auteur, waarvan er vier opduiken bij de kleine signalementen. O, en een plaatje van een full frontal naakte vrouw met heel veel schaamhaar. Kortom, ik ga eens kijken of mijn appeltaart die ik speciaal voor het Librismoment aan het bakken ben al gaar is.

De Loden Leesbrillen zijn op, maar het werk is nog niet klaar…

Het Parool verscheen niet in verband met Hemelvaartsdag en omdat Vrij Nederland vorige week een dubbelnummer had ook daar deze week geen cijfers. Op basis van in het verleden behaalde resultaten verwacht ik echter niet dat deze twee bronnen de cijfers danig hadden beïnvloed: door goede scores van De Standaard en Trouw is het totaalpercentage vrouwen deze week 36%. De Groene Amsterdammer en NRC scoren onder de 30%, de Volkskrant en De Morgen zitten er net boven. Maar lezers, nu ben ik door mijn voorraadje Loden Leesbrillen heen! Terwijl de cijfers na drie maanden inzichtelijk telwerk nog altijd niet om over naar huis te schrijven zijn — hallo, hallo, Volkskrant? Daarom steek ik deze rubriek volgende week in een nieuw jasje. Een klein tipje van de sluier: er zullen Uitglijders zijn. Dus graag weer tot dan, bij #lekkertellen, new & improved!

lekkertellen week 18

De Grote Driewieler & Leesclub Louter Literaire Kwaliteit

#lekkertellen week 15

Lieve lezers en lezeressen van dit blog,

Laat ik beginnen met een bekentenis. Na al die weken tellen vloeien al die boekenbijlages weleens ineen tot één grote brij. In mijn koortsige hoofd zie ik dan als in een visioen hoe een flink aantal van onze eerbiedwaardige Vaderlandse recensenten lid is van één grote gezellige buurtleesclub met de naam Louter Literaire Kwaliteit – de leden zeggen gewoon

hapjes_gezellig
gezellige hapjes!

LLK. Die leesclub is wars van moeilijk theoretisch geneuzel: gezond verstand en nuchter denken is de leidraad. Ik beeld me in dat ze een wekelijkse leesclubavond organiseren, echt zo’n gezellige avond met hapjes en drankjes. Sommige leden doen hun best en maken zelf guacamole of nemen toastjes met lekkere kaas mee. Anderen nemen helaas alleen maar kaasstengels mee, of donker bier dat niemand lust. Het zal uiteindelijk de pret niet drukken, want stel je eens voor hoe bevlogen de een kan spreken over Salter, of wat de ander over de Slavische ziel weet te vertellen. De twee Arja/ens zijn altijd present en Arie is er natuurlijk voor de boertige humor.

Waarom ik u vertel over deze koortsdroom? Omdat er een nieuwe week #lekkertellen is en ik u niet kan beloven dat er niet af en toe een flard van mijn LLK-hallucinatie zal opduiken.

Het Parool

Joukje Akveld schreef als enige vrouw in Het Parool meteen ook over 50% van de vrouwen die überhaupt in het boekenkatern aan bod komen: Zout van de zee door Ruta Sepetys, een jeugdboek. In de overige 6 stukken (waarvan Arie Storm en Maarten Moll er ieder twee schreven) werden 16 schrijvers genoemd en 1 schrijfster. Waarmee er een mooi horkerig aantal van 11,11% vrouwen werd besproken.

Maarten Moll noemt eenmaal Reve en tweemaal Hermans (wie de grote drie niet eert, is het boekenkatern niet…). Aan die laatste wordt gerefereerd met de informatieve zin: ‘Ergens in het boek valt de naam Dorbeck. Dorbeck is ook het personage uit de roman De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans.’ Goh. Verder lezen we in de column van Moll: ‘Hoe kan het dat een niet al te beste stilist als Kader Abdolah tijdens de internetverkiezing van 2007 van het “Beste Nederlandstalige literaire werk aller tijden” met zijn roman Het huis van de moskee op de tweede plaats terechtkwam? Nog voor Reve, Nescio, W.F. Hermans en 356 aantoonbaar betere schrijvers?’ Bij zo’n passage zet de Lezeres een streepje in de kantlijn om er ‘typisch LLK’ bij te zetten.Vooral dat woord ‘aantoonbaar’ doet verlangen naar informatie die Moll blijkbaar altijd voor zichzelf heeft gehouden, als het vermoeden van Fermat maar dan in de literatuur. Wie had zoveel verborgen kennis en diepgang achter de man gezocht? Nowelle Baarnhoorn, de andere 50% aan besproken vrouwen in dit katern, heeft volgens Arie Storm ‘een aardige roman geschreven over een volstrekt loser. Stijlanayse betekent het herhalen van adjectieven uit citaten: ‘Geen walging, geen weemoed’ en ‘Benauwend, Overweldigend.’ Zegt u dat wel.

Kortom, Het Parool kreeg vorige week de loden leesbril voor een betere prestatie dan ze deze week neerzetten…

de Volkskrant

Soms lijkt de Volkskrant-boekenbijlage in bijna niets te onderscheiden van die van het Parool en iets onaardigers kan ik bijna niet bedenken, maar waar is het wel. Ze bespraken 21 mannelijke versus 5 vrouwelijke auteurs. Dat laatste getal is nog geflatteerd want twee daarvan trof ik aan in de vergaarbak ‘Signalementen’. Een klein leven van Hanya Yanagihara kreeg met twee kolommen nog de meeste ruimte (en vijf sterren), de debuutroman Winternabijheid van Mirna Funk kreeg driekwart kolom.

De eerste bespreken van een vrouwelijke auteur trof ik aan op de zevende pagina. Daarvoor was het Ivo Victoria over Georges Perec, Campert over Zwagerman (en kort ook Barnas), Arjan Peters over de vrouw van Louis Couperus – die brieven zijn uitgegeven door een man, dus dat werd een turfje voor de mannen – twee recensies over werk van mannelijke romanciers, nog maar weer eens een boek over Shakespeare (O! LLK is zó dol op de Oude Bard!) en toen pas dacht de Volkskrant, laten we eens een vrouw recenseren. Het moet niet te gek worden dus daarna wéér zeven pagina’s met louter mannen. De Nederlandse variant van  Fifty Shades of Grey is volgens de Volkskrant door een man geschreven. Zelfs het schrijven van erotische fantasieën zo geruststellend want oerconservatief als die van E.L.
James kan blijkbaar niet aan de vrouwen worden overgelaten. Wel een opwindende keus voor de volgende bijeenkomst van de Leesclub, misschien.

Maar laat ik bekennen dat ik al met een slecht humeur aan de boekenbijlage begon want ik maakte de fout de column van Sylvia Witteman te lezen die aan de bijlage voorafgaat. Ze sluit af met een citaat van Gerard Reve. Verrassende keuze.

Vrij Nederland

‘Een extra dik lentenummer?’, lijkt de letterenredactie van Vrij Nederland te hebben gedacht, ‘dan ook extra veel mannen!’ We krijgen maar liefst 19 pagina’s aan primaire literatuur van mannelijke auteurs voorgeschoteld: vijf pagina’s door Etgar Keret, zes pagina’s door Arnon Grunberg over zijn ouders (ligt het aan de Lezeres of probeert hij de aforistische rationalisaties dit keer tot een minimum te beperken?) en acht pagina’s door Ilja Leonard Pfeijffer. De stukken zijn in het schema meegeteld als recensenten omdat ze door Vrij Nederland gevraagd zijn om te schrijven.

Bij Leesclub LLK rekenen ze Ilja Leonard Pfeijjfer ongetwijfeld tot een van de grootste dichters van Nederland want hij is klassiek geschoold en zelf zaten ze ook allemaal op een gymnasium. Het is toch prettig als een schrijver je allerlei herkenbare signalen geeft dat je belangwekkende literatuur in handen hebt. Pfeijjfer weet bovendien als geen ander onder een schuimende laag van geleerde verwijzingen guitige kroegpraat te verkondigen dus als je goed leest staat het epos vol heerlijk volkse simplismen: ‘Er is geen vrouw die niet wat graag Muze wenst te zijn / Dan kets je haar. Het werkt altijd. Geen centje pijn’.

Na pagina’s mannen gooit Carel Peeters daar nog eens een negatieve bespreking van de nieuwe Laurent Binet bovenop, waarin Judith Butler het met een dildo om met een politiecommissaris doet en Julia Kristeva ‘bijna wordt verkracht’. Het klink als ‘daar moet een piemel in’ voor hogeropgeleiden maar de Lezeres gaat het boek eerst zelf lezen want misschien is het allemaal niet zo simpel. Gelukkig zijn er ook nog twee recensies te vinden over boeken die door vrouwen zijn geschreven: Jeroen Vullings bespreekt Hilary Mantel en Nynke van Verschuer (gaan we haar vaker lezen, VN? Dit smaakte naar meer!) schrijft over de poëzie van Hannah Arendt.

Opvallend en positief: 100% van de boekadvertenties in dit nummer prijzen een boek aan van een vrouwelijke auteur (Hanya Yanagihara, Doeschka Meijsing, Annejet van der Zijl en Femke Halsema), maar ja, het compliment is dan vooral voor de uitgeverijen Arbeiderspers, Ambo|Anthos en twee keer Querido en niet voor Vrij Nederland.

Trouw

Toen ik zaterdag na het opstaan Trouw open sloeg, opende zich een mogelijke wereld waarin vrouwelijke schrijvers vanzelfsprekend de ruimte krijgen. Een magistraal boekenkatern vol boeken over vrouwen, geschreven door vrouwen, evenredig gerecenseerd door vrouwen en mannen. Als we de signalementen niet meerekenen, recenseerde Trouw deze week meer boeken van vrouwelijke dan van mannelijke schrijvers: 54% tegenover 46%. De signalementen meegerekend zitten we nog op een keurige score van 48% tegen 52%. De balans tussen vrouwelijke en mannelijke recensenten is ook oke: 45% tegen 55%.

In het katern een grote bespreking van Het eigenzinnige leven van een niet-nette dame, Sylvia Heimans’ biografie van Josepha Mendels. Een schrijfster met een stem die zeventig jaar na dato nog steeds ‘fris en fijnzinnig’ klinkt (Jann Ruyters), en een vrouw die koos voor een libertijns bestaan: ‘Dat leven, in een huis gezet worden, zorgen dat de aardappels klaar waren, ik kon het niet op me nemen’. Verder een fikse recensie van De geschiedenis ontkend van de Amerikaanse historica Deborah E. Lipstadt, over haar strijd tegen en glorieuze overwinning op Holocaustontkenner David Irving. Een indrukwekkend boek, zegt Co Welgraven. Ook aandacht voor Rosemary Sullivans biografie van Svetlana Alliloejeva, de dochter van Stalin. Een ‘innemende, eigengereide vrouw die op eigen benen durfde te staan en zich niets aantrok van het gezag’. Elias van der Plicht noemt de biografie een knap gecomponeerd boek. Elke Geurts bespreekt tenslotte Ik heet Lucy Barton van Pulitzer Prize-winnares Elizabeth Strout: ‘breekbaar proza’ dat ‘instant troostend’ werkt over de relatie tussen moeder en dochter. Verderop in het katern een interview met P.C. Hooftprijs-winnares Astrid Roemer, een essay van journaliste Judith Spiegel over de vrijheid van meningsuiting en een interview met schrijfster/kunstenares Hella de Jonge waarin zij gelukkig niet wordt aangeduid als de vrouw van. En ten slotte ook nog een boeiend artikel van journaliste Rianne van Oosterom over  waarom ‘moffenmeiden’ na de oorlog werden kaalgeknipt. Over het vrouwelijk lichaam als een extra gevechtszone, als het laatste slagveld van de Tweede Wereldoorlog.

Als een soort last man standing haalde Jaap Goedegebuure (Leesclublid van het eerste uur) twee van de grote drie – Reve, Mulisch – aan in zijn recensie.

De Standaard

Inhoudelijk had De Lezeres geen klagen over de keuzes van SdL, want allerlei onderwerpen die haar bezighouden stonden centraal: de economische en ecologische crises waar we tot over onze oren inzitten, dierenrechten et cetera. Wel is het spijtig dat de foto van een robuuste gorilla die deze week op de cover van De Standaard der Letteren prijkt, een grotere voorspellende kracht dan ik had durven vrezen: het katern besteedt aandacht aan het nieuwe werk van primatoloog Frans de Waal en heeft zichzelf voor de gelegenheid omgetoverd tot apenrots. Er zijn superlatieven voor de verhalenbundel van Adam Johnson, er worden pagina’s uitgetrokken voor de biografieën van Wannes en Ernest Claes, alle drie de besproken strips zijn van mannen, Varoufakis ‘rekent in zijn nieuwste boek af’ met de euro en Tom Lanoye schrijft een brief aan Chris de Stoop. Misschien een idee ook vrouwelijke auteurs te betrekken in deze discussies over onze toekomst?

In zijn bespreking van het overigens fascinerende Dit is mijn hof was Lanoye in de eerste plaats zeer geraakt door de parallellen in hun beider levens – over identificerend lezen gesproken. Maar: ‘Ook los van de doublures in onze levens was de lectuur van je boek aangrijpend. Wat een superbe, bitterzoete lof- en klaagzang! Over eeuwenoude polders, de boerenstiel, ons vlakke land met zijn knotwilgen, zijn canadapopulieren, zijn modderige dreven, zijn bakstenen erven. En over de onmacht en de vloek die zich aandienen als vooruitgang en moderniteit.’ Ah, laat mannen klagen en we noemen het vooruitgangskritiek.

Slechts één vrouw mag een voorzichtig voetje komen zetten in de mannetjesbiotoop: in Animal Madness beschrijft wetenschapshistorica Laurel Braitman de lotgevallen van dieren met aandoeningen die we vooral aan mensen voorbehouden: angsten, depressies, neuroses. ‘Het zijn termen die we niet verondersteld worden toe te kennen aan dieren, maar hun gedragingen zijn zo herkenbaar “menselijk” dat je het verbod op antropomorfiseren al snel terzijde schuift.’ In dat geval durf ik me af te vragen: hoe zou een literaire cultuur bij de chimpansees eruit zien?

NRC Handelsblad

Arjen Fortuin is met vakantie en dus opent de bijlage met een column van Ruslandkenner Michel Krielaars. Hij tipt ons Karel van het Reve (u weet wel, van die geinige rant over het raadsel van de literatuurwetenschap – alle leden van LLK kennen het van voor tot achter uit hun hoofd!) omdat die ons wat kan leren over ‘het vrije woord’. Dat is namelijk in het gedrang, niet alleen omdat Ebru Umar in Turkije is opgepakt, maar ook omdat ‘politiek correcte en verklikkende burgers’ de boel verstieren. En dat is erg, vindt Krielaars met Van het Reve, want ‘voordat je het weet, wordt de grote kunst dan verboden’.

In ‘De Kwestie’ van deze  week kwam ik mijzelf tegen, samen met universitair docent Erica van Boven en schrijver Manon Uphoff tegen. Toef Jaeger vroeg ons of ‘de literatuur er anders uit [zou] hebben gezien wanneer er eerder meer vrouwelijke recensenten waren geweest’? Heel fijn dat NRC het onderwerp serieus neemt en er een artikel aan wijdt. Geen wonder dus dat vraag De Lezeres aanzette tot het schetsen van een alternatief universum waarin de LLK door louter vrouwen gevormd zou worden en de ‘vorm of vent’ discussie de, u raadt het al, ‘vorm of vrouw’ discussie zou zijn geweest. Mijn lange antwoord vindt u hier. Manon Uphoff vermoedt een voorkeur voor andere thema’s (beschrijvingen van ‘knoestige meisjeslevens’ zouden het beter doen) en Erica van Boven, die in haar belangrijke boek Een hoofdstuk apart over de receptie van romans van vrouwen aan het begin van de twintigste eeuw nog liet zien hoe de kritiek van sekisme doordrenkt was, betwijfelt of het allemaal iets uit gemaakt zou hebben omdat ook vrouwen zich aan seksisme schuldig maken.

Opvallend is nog de bespreking van de autobiografie van Astrid Roemer door Hannah van Wieringen, die niet zo enthousiast is, maar in elk geval een serieuzere poging onderneemt dan Arjen Peters in zijn ‘beschouwing’ in de Volkskrant eerder deze week.

 

10029452

Reik ik doorgaans de Loden Leesbril uit, deze week geef ik iets weg wat ik op de Vrijmarkt op de kop wist te tikken. De Grote Driewieler is de beloning voor het boekenkatern dat er het beste in slaagt het schoolpleincomplex in de Nederlandse literatuur staande te houden. En omdat ik niet kon kiezen krijgen Het Parool en de Volkskrant het linker- en het rechterzijwieltje.

 

 

10029452

De Kwestie: meer vrouwelijke recensenten

Toef Jaeger van het NRC vroeg me voor De Kwestie hoe de kritiek en literatuur eruit hadden gezien als er meer vrouwelijke recensenten waren geweest. ‘De Kwestie: Als recensenten “tieten” hebben’, waarin ook Manon Uphoff en Erica van Boven naar hun mening werden gevraagd, leest u hier. Jaegers vraag werkte op mijn verbeelding en zette me aan tot het schetsen van een alternatief universum, bevolkt door Lettervrouwen – stelt u zich het eens voor! Inclusief mogelijke verklaringen voor waarom het in de echte wereld niet zo gelopen is.

Meer vrouwelijke recensenten. Hoe had de Nederlandse literatuur er dan uitgezien?

Hoe zou de na-oorlogse Nederlandse literatuur eruit hebben gezien als de literaire wereld niet door mannelijke, maar door vrouwelijke recensenten was gedomineerd? In het kader van de rubriek ‘De kwestie’, een gedachte-experiment van de Lezeres des Vaderlands.

De Nederlandse literaire kritiek zou in het interbellum diepgaand gevormd zijn door de ‘vorm of vrouw’ discussie: een debat tussen uitsluitend vrouwelijke critici en schrijvers. Twistappel: wie beschikt er over de meest indrukwekkende en authentieke persoonlijkheid dan wel het zuiverste vormtechnisch vernuft? Wist u dat Carry van Bruggen ooit Ina Boudier-Bakker in de kroeg hierover op haar neus heeft getimmerd? Smullen hoor.En toen de Nederlandse letterheren in 1949 het plan opvatten om Anna Blaman aan een publiek tribunaal te onderwerpen, zogenaamd omdat ze niet goed kon schrijven maar in werkelijkheid omdat ze lesbisch was, zouden invloedrijke vrouwelijke Nederlandse critici de ‘Heren Seksisten’ tijdig hebben kunnen terugfluiten, door ze in hun veelgelezen stukken vakkundig af te drogen en op hun dommigheid te wijzen.

Maar dat is natuurlijk allemaal speculatie. Om werkelijk te weten of de literatuur er anders had uitgezien als er meer vrouwen recensent waren geweest, moeten we eerst weten hoe de literatuur er nu, met een overschot aan mannelijke recensenten, uitziet en hoe dat zo gekomen is… Lees verder op de website van het NRC

Onderstaande illustratie, die Studio Vruchtwater voor me maakte, heeft de website van het NRC helaas niet gehaald.

fensbrug
De Kees Fensbrug in Amsterdam…
meijerbrug.jpg
… wordt in de toekomst vergezeld door zusterbrug de Maaike Meijerbrug (zij wordt hopelijk heel oud, dus het gaat hier om een toekomstbeeld!) Beeldbewerking: Studio Vruchtwater voor De Lezeres