Vrouwen onder het tapijt schuiven

 

Afb1. lichaam onder tapijt (Antonio Santin, “alicia” 73×110 inches (185x280cm). Oil on canvas. 2014)

Daar vloog in ene die stokoude Oosterse tapijt-metafoor van de dichter Nijhoff de discussie over seksisme in de literatuur binnen!  Anja Sicking introduceerde ‘m in haar column waarin ze stelde dat ze soms een beetje moe wordt van het ‘groepsdenken’ dat in haar ogen zou spreken uit mijn project #lekkertellen. Het project waarmee aan de hand van cijfers, week in week uit, het empirisch bewijs wordt geleverd van de consequente marginalisering van vrouwelijke auteurs in de boekenbijlages.

Jan van Mersbergen, een auteur die zich bekwaamd heeft in het genre van de Carnavalsbiedermeier (inclusief bijbehorend sentimenteel-ruraal vrouwbeeld), haakte er graag op in. Zijn standpunt: het gaat om de objectieve Kwaliteit van de Tekst, wie de tekst geschreven heeft doet er niet toe. Worden vrouwen consequent minder gerecenseerd en bekroond? Simpel, ze schrijven gewoon minder goed.

Ik laat nu maar even de evidente essentialistische genderbullshit als ‘vrouwen leggen de lat niet hoog genoeg’ (bingo!) en ‘vrouwen zijn niet kritisch op elkaars werk, mannen wel’ (bingo!) terzijde. Belangrijker is: hoe zat ’t ook alweer met Nijhoff? Die zei dat het gedicht een Oosters tapijt was dat mooi is aan de ene kant – en als je ‘m omdraait dan zie je de knopen en daarmee ook de hand van de maker, dat wil zeggen alle moeizame arbeid die het kost om iets moois te maken. We kunnen alleen van het tapijt genieten als we de onderkant negeren. Het moet in de kunstkritiek dus uitsluitend om de bovenkant gaan, om de uiteindelijke vorm, niet om de maakgeschiedenis die eraan vooraf ging.

bingo

Afb. 2 Jan won de ‘weinig vrouwen-bingo’ glansrijk. Prijs: een afwasteiltje.

Laten we eens langer dan drie seconden nadenken over die metafoor. Wie knoopten die Oosterse tapijten in de tijd van Nijhoff? Kleine, uitgebuite kinderen, want die kinderhandjes kunnen zo goed die verfijnde knopen maken. Nog steeds, trouwens. Wat Nijhoff met die metafoor dus doet, is domweg verdringen dat er arbeid aan kunst te pas komt – en met het thema arbeid worden ook ongezellige onderwerpen als ongelijkheid, imperialisme & uitbuiting verdrongen. Hé wat comfortabel toch, dat al die politiek-ideologische pijnpunten met zo’n metafoor in één klap van tafel zijn.

Deze verdringing van het thema ‘arbeid’ door middel van een simpele vergelijking ging en gaat er in Nederlandse letterkundige kringen nog altijd in als gesneden koek, want de Nederlandse literatuur is totaal gedepolitiseerd. Grunberg toeterde ook al zijn partijtje mee in zijn Voetnoot. Identity politics is een doodlopende weg, alle groepsidentiteit is een fictie, kroop Grunberg nog maar eens op zijn stokpaardje. Met die dooddoeners zouden natuurlijk alle emancipatoire bewegingen terug in hun hok gesneerd kunnen worden – maar los daarvan is het holle praat. Natuurlijk is de categorie ‘vrouw’ een fictie, precies de kern van A Room of One’s Own van Virgina Woolf. Al geschreven in 1929, enkele jaren voor de tot kunstopvatting verheven tapijtjes-anekdote. Wordt het niet eens tijd dat opiniemakers feministische klassiekers gaan lézen, in plaats van meningen over het feminisme te verkondigen zonder te weten wat er voor hun al gedacht is over dit thema? (Alweer een gratis tip)

Een volstrekt onoriginele gedachte van Grunberg dus, het feministisch denken draait nu net om de onderkenning dat zoiets als ‘dé vrouw’ een fictie is. Het calculerende, egocentrische en hedonistische individu waar Grunberg als alternatief altijd maar weer mee op de proppen komt is overigens evenzeer fictie. Constateren dat ‘groepsidentiteit’ een sociale constructie is, helpt de vrouw die zich hoopt te bevrijden van de vrouw-als-fictie niets: omdat iets een fictie is wil dat nog niet zeggen dat het geen dwingende en reële kracht is in onze samenleving. Ras is ook een fictie, maar mensen die met racisme te maken krijgen ondervinden de al te reële effecten van dat construct.

Wat te doen? Er is niet één strategie en van mij mag iedereen zichzelf tot individu verklaren. Er zijn dagen dat ik dat van alle ficties ook de meest aantrekkelijke vind. Maar dat iets aantrekkelijk is, wil nog niet zeggen dat het zonder meer effectief is, want hoe je met Grunbergs hedonisme de marginalisering van de groep waar je willens en wetens door de samenleving in bent gedrongen kunt bestrijden, blijft in nevelen gehuld.

De redeneringen van Grunberg en Van Mersbergen – en vrees ik, ook van Sicking – plaatst vrouwen in een Catch-22: je mag het niet over de maker achter het boek hebben want dan doe je aan ‘slachtofferdenken’ en ‘groepsdenken’ en negeren van ‘literaire kwaliteit’, en ondertussen is er een groep individuen die consequent twee keer zo weinig besproken wordt in de boekenbijlagen en ook twee keer zo weinig zelf de pen ter hand neemt in die bijlagen. Wat hebben die individuen gemeen? Niets anders dan dat ze vrouwen zijn. Bewustwording over deze feiten creëren is geen groepsdenken, maar precies dat: bewustwording. Het #lekkertellen-project is er vooral om te laten zien: kijk, zo weinig vrouwen komen er aan het woord ten opzichte van het algemeen heersende idee dat het wel min of meer eerlijk verdeeld is in letterenland. Zodra je de literaire wereld wijst op de empirie gaan sommigen lekker met hun gat op een tapijtje zitten, waarvan ze hopen dat het vanzelf gaat zweven, ver boven de modderige wereld van belangenverstrengelingen en oorverdovend seksisme uit. 

Advertenties

Een gedachte over “Vrouwen onder het tapijt schuiven

Reacties zijn gesloten.