It’s the quality, stupid: #lekkertellen week 14

Lieve lezeressen en lezers,

Drie literaire gebeurtenissen, van verschillende orde van grootte, die deze week de aandacht trokken: DWDD en de CPNB organiseren de verkiezing van het Belangrijkste Boek en selecteerden in hup tiplijst van 100 boeken 12 vrouwen (het percentage is makkelijk uit te rekenen), Jan van Mersbergen gooide er op zijn gemak wat van zijn particuliere criteria voor Goede Literatuur uit en Herman Koch gaat het volgende Boekenweekgeschenk schrijven. Wat is de gedeelde noemer van deze trits? Precies: het riep discussie op over de scheve verdeling van aandacht, geld & waardering onder onze Vaderlandse schrijvers. Ik wijdde er hier een stuk aan en zal er ongetwijfeld nog eens op terugkomen, want dit argumentenmolentje draait al decennia en zal dat nog wel even blijven doen.

Gelukkig draaien er in Huize Lezeres ook andere dingen, zoals Parade (met een paars rouwrandje, dat wel). Als ‘t mirakel Prince ooit écht bestaan heeft, dan kunnen genderverhoudingen in de literaire wereld eveneens in beweging komen. Ik ging in ene de highlights zien. Zoekt u mee? Deze week was er onder meer een voorstel voor een nieuwe middelbareschoolleeslijst met een 50/50 m/v-verdeling, een nieuwsgierig makend filosofisch bordspel, een niet-westerse feministische auteur die kritische aandacht krijg, een criticus met een fijngeslepen gouden leesbril, gefundeerde kritiek op een eenzijdig vrouwbeeld bij een auteur. En er was Het Parool, ach, zelfs in Amsterdam zal het goede nieuws dat de Boel in Beweging is binnenkort vast ook doorbreken. Met een diepe buiging voor Prince – am I black or white? am I straight or gay? – gaan we ook deze week #lekkertellen!

De Groene Amsterdammer

Deze week bestaat Dichters&Denkers uit één lang artikel over ‘de ideale leeslijst voor de hedendaagse leerling’ en twee columns. In het lange stuk worden vier Groene-recensenten geïnterviewd over hun leeservaringen als scholier. Heel fijn, de m/v-verhouding is daarbij 50-50: Kees ‘t Hart, Joost de Vries, Marja Pruis en Niña Weijers komen aan het woord. Nog fijner: ook de uiteindelijke leeslijst die zij samenstellen met 12 Nederlandstalige boeken sinds 2000 is perfect in balans: 6 vrouwelijke auteurs (Annelies Verbeke, Marja Brouwers, Doeschka Meijsing, D. Hooijer, Esther Gerritsen en Hanna Bervoets) en 6 mannelijke (Harry Mulisch, Oek de Jong, Tommy Wieringa, Tom Lanoye, Stephan Enter en P.F. Thomése).

Was het alleen maar Diamonds and Pearls in De Groene? Hmm. In het interviewgedeelte voorafgaand aan die lijst noemen de vier recensenten samen 21 namen van mannelijke auteurs, tegenover 5 namen van vrouwelijke auteurs. Slechts één van die vrouwen wordt niet door Marja Pruis of Niña Weijers genoemd. Joost de Vries, die in het interview vooraf geen enkele vrouwelijke auteur aanhaalt, vertelt dat hij het ‘raar’ vindt ‘als mensen zeggen dat de canon fout is’ en dat het niet aan ons is om te reflecteren op de keuzes die men vroeger maakte bij het samenstellen van de canon. Zucht. Ook steekt de onderliggende genderbias de kop op in het taalgebruik: boeken zijn ‘mooi en jongensachtig’ geschreven en ‘jongensachtig proza’ is ‘zo levendig, vrolijk, energiek’, terwijl literatuur negatief wordt besproken met woorden als ‘keukenmeidencliché’s’. De ondertitel van het artikel impliceert bovendien dat de scholier van vandaag te vergelijken is met ‘een meisje dat niet kan aarden’. Samen met de columns van Christiaan Weijts (waarin hij 4 mannen en 0 vrouwen noemt) en Marja Pruis (zij noemt 1 vrouw en 0 mannen) komen we uit op een 50-50 m/v-verhouding van recensenten, maar wat betreft besproken auteurs gaat het om 72% mannen en 28% vrouwen.

De Morgen

Het houdt nog altijd niet over, maar gaat toch de goede kant op met De Morgen: van de besproken boeken was er deze week 40% van een vrouw. Wel jammer dat de meeste van die besprekingen dan weer plaatsvinden in de kleine signalementen (o.a. een vermelding van het filosofisch bordspel Nomizo, gemaakt door Manon Duintjer en Marlies Visser, dat ik zeker eens ga opsnorren). En helaas werden slechts twee van de acht artikelen door een vrouw geschreven. Ik houd het hier vandaag kort en hoop dat De Morgen de groove in zijn LoveSexy gaat vinden, om deze weg naar boven te blijven volgen.

Trouw

Trouw doet deze week wat andere boekenkaternen amper schijnen te kunnen: in de boekenbijlage staan meer door vrouwen dan door mannen geschreven stukken. De v/m-verhouding is om precies te zijn 55% tegen 45%. (Als we de signalementen niet meetellen is het zelfs 62% tegen 38%.) Als het om de besproken auteurs gaat, is de vangst helaas magerder dan we van Trouw zo langzamerhand gewend zijn: 35% vrouwelijke auteurs tegenover 65% mannelijke. Geen paarse maar vervelende druilerige regen: Wils Rebergen speelt het weer klaar om bij de non-fictie-signalementen geen enkele vrouwelijke auteur te noemen, terwijl Jann Ruyters drie vrouwelijke auteurs tegen één mannelijke noemt bij de fictie-signalementen.

In de bijlage onder meer aandacht voor de nieuwe roman van de Israëlische schrijfster Zeruya Shalev. Emilia Menkveld omschrijft haar als ‘een van de succesvolste Israëlische auteurs, wordt in een adem genoemd met Amoz Oz en David Grossman’. Gek blijft het, dat het succes van een vrouwelijke auteur pas echt overtuigt wanneer ze in een adem genoemd wordt met mannelijke succesauteurs. Niet meegeteld want elders in de bijlage, maar wel het vermelden waard is een mooie column van Leonie Breebaart over de inmiddels aangezwengelde discussie over de achterstand van schrijvende vrouwen. Ze leest Virginia Woolf er op na om tot de conclusie te komen dat Woolfs analyse niet erg verouderd is. Breebaart concludeert: ‘Vrouwen van nu vechten niet tegen seksistische uitgevers, of niet alleen, ze vechten nog altijd tegen hun eigen diep ingesleten overtuiging dat de mening van vrouwen binnenskamers moet blijven; dat het belachelijk is daar tijd, geld, ruimte en stilte voor op te eisen.’ Inderdaad nog altijd een Sign O’ the Times.

Het citaat van de week halen we uit de door Annemarie van Niekerk lovend besproken debuutroman De zigeunergodin van de feministische Indiase schrijfster Meena Kandasamy: ‘Een land [wordt] pas interessant gevonden als er een blanke man naartoe is gegaan, vriendschap heeft gesloten met een paar leden van de plaatselijke bevolking, een heleboel brutale vragen heeft gesteld, uitgebreide aantekeningen heeft gemaakt in zijn Moleskine-opschrijfboekje, weer naar huis is gegaan en erover heeft geschreven.’

NRC

Terwijl Arjen Fortuin ontwaakt en zich in zijn wekelijkse column lichtelijk zorgen begint te maken over het gebrek aan diversiteit onder de personages in de hedendaagse literatuur (aanleiding: eerste resultaten van de Personagebank), telt De Lezeres zich met behulp van de boekenbijlage van het NRC rustig in haar dagelijkse middagslaapje. Niet alleen slaapverwekkend vanwege de voorspelbare, ondermaatse cijfers: 36% vrouwelijke recensenten (5 om precies te zijn) en 29% besproken vrouwelijke auteurs (4). Ook vanwege de inhoud. ‘Toegewijd oudmodisch’, om met Kester Freriks te spreken.

Niet in alle gevallen overigens: soms werd de Lezeres tijdens het lezen opgewekter. Het katern opent namelijk met een bespreking van Frank Westermans nieuwe Een woord een woord. Recensent Beatrice de Graaf (heeft zij wellicht een fijngeslepen gouden leesbrilletje in haar etui zitten?) ergert zich aan de ‘hoge mannendichtheid’ en de tevens gebrekkige bronvermelding, maar heeft ook lof voor de ‘rasverteller’ die Westerman  is. Sebastiaan Kort bespreekt de nieuwe roman van Willem du Gardijn, echt een aanrader voor iedereen die zich wil laven aan de billen van het personage Tess….(de Lezeres prefereert Prince in zijn leren-broeken-cut-outphase). Dan nog aandacht voor de Middeleeuwse filosoof Comenius. Onder de kop ‘Graag één groot, christelijk Europa’ kan het werk ondanks de sterk verouderde opvattingen (tolerantie = alle joden en moslims tot christendom bekeren) op de waardering van Arnold Heumakers rekenen vanwege de ‘nog altijd aantrekkelijke literaire kwaliteit’. Kester Freriks sluit af met de brieven en dagboeken van voormalig leraar Nederlands Herman Hessink, ‘die ondanks zijn dagelijkse omgang met generaties jeugdigen een man [is] gebleven wars van elke verandering of vernieuwing.’ Oef.

De vier vrouwen die hiertussen nog aan bod komen? Roderick Nieuwenhuis vat de plot van de nieuwe thriller van Marja West even voor ons samen. Janet Luis las de ‘kleine, subtiele familieroman’ van Ingrid van der Veken – zo klein dat ze De tolk van Java erbij recenseert, ‘het grote jongensboek’ van Alfred Birney. Dan nog aandacht voor de recente vertaling van de memoires van Hilary Mantel in een stuk door Joyce Roodnat. En tot slot voor Rosemary Sullivans biografie van Svetlana Alliloejeva, de dochter van Stalin, die volgens recensent Michel Krielaars niet in de VS kon aarden omdat haar nieuwe vrienden ‘haar dramatische Russische temperament niet aanvoel[d]en’. Dat staat er echt.

de Volkskrant

Eerst het goede nieuws: de recensentenbalans is deze week in de Volkskrant eens dik in orde! Negen om acht, dus daar hoort u mij niet over. Maar dan de besproken boeken. Daar is de verhouding een stuk schever, en komt hetzelfde gemiddelde uit als de afgelopen weken #lekkertellen: 25 mannen versus 10 vrouwen. Waarbij nog kan worden aangetekend dat onder die vrouwenboeken een kinderboek en een erotische thriller geteld werden, omdat ze bij de Volkskrant donders goed weten waar vrouwen in uitblinken. Twee andere titels (genoemd in de rubriek Signalementen) zijn duoproducties, dus geschreven door een man en een vrouw samen. En dan is er nog De overgang, dat door twee vrouwen werd geschreven. Zo schiet het lekker op. Serieuze aandacht is er voor de memoires van Astrid Roemer, die door Arjan Peters ‘een pijnlijke exercitie’ wordt genoemd, en voor de roman Pijn van Zeruya Shalev, warm aanbevolen door Jessica Durlacher.

De Standaard

Geen levenlozer boekenbijlage dan die van De Standaard deze week. ‘What’s in a name?’ kopt de voorpagina, dan weten we genoeg. Hoewel: omdat het verhaal gaat dat beide schrijvers op 23 april 1616 zijn overleden, mag Cervantes van De Standaard in Shakespeares kielzog mee – de mythe is overigens al lang ontkracht, maar zo’n efficiënte kans om de grootheden samen te herdenken is blijkbaar onweerstaanbaar. En dus lezen we in de openingscolumn van Veerle Vanden Bosch over de aantrekkingskracht van stoffelijke resten van beroemde schrijvers. Doet het ertoe of een schedel al of niet daadwerkelijk heeft toebehoord aan Schiller of Shakespeare? Nee, natuurlijk, ‘het gaat toch om wat deze genieën geschreven hebben: it’s the literature, stupid.’ Ik zal niet beweren dat het onterecht is dat we Cervantes en Shakespeare nog steeds lezen, maar u kent mij inmiddels een beetje en zal begrijpen dat ik me dagelijks afvraag welke vrouwen er in de voorbije eeuwen onder het tapijt zijn gemoffeld onder het mom van Louter Literaire Kwaliteit. 

De eerste pagina’s van het katern hebben nog wel wat kleur op de wangen: Ine Roox bespreekt Een man van goede hoop van Jonny Steinberg, die een boek schreef over de xenofobie waar de Somalische Asad Abduhalli mee te maken krijgt in zijn poging in Zuid-Afrika een beter leven op te bouwen. Annelies Beck interviewt Jonathan Coe over Nummer 11, zijn nieuwe roman over de actuele Britse politiek. Maria Vlaar bespreekt Joachim Pohlmanns roman Een unie van het eigen, over drie generaties Vlamingen – mannen, natuurlijk. Ik som het hier wat droogjes op omdat ik me afvraag of u hier ook een patroon begint waar te nemen? Het doet me oprecht deugd dat De Standaard der Letteren de vrouwelijke recensent weet te vinden maar de auteurs die ze bespreken zijn allemaal man. Vlaar is in ieder geval kritisch over Pohlmanns eenzijdige vrouwbeeld: ‘Over vrouwen poneert hij slechts clichés: “Al snikkend keek Germaine omhoog, met haar grote, bruine ogen die glinsterden van het vocht. Rudolf kuste haar ergens tussen wang en mond.” Ach jee.’ Maar des te meer voor de hand liggend is de rest van het katern: Marijke Arijs mocht twee keer op pad, om de betekenis van Cervantes en Shakespeaere in hedendaags Madrid en Stratford te peilen, John Vervoort en Frank Albers bespreken recente boeken over Shakespeare (allen van mannen), Kathy Mathys recenseert Howard Jacobsons romanversie van Koopman van Venetië – we zijn er bijna doorheen, lieve lezers – en Albers sluit de bijlage af met een brief aan Shakespeare zelf. Een boekenbijlage van 16 pagina’s vullen met dode mannen en nul vrouwen: De Standaard makes it hard to read about the Bard.

Vrij Nederland

In Vrij Nederland vraagt Carel zich in een lang essay over Cervantes af wat Don Quichot onsterfelijk maakt. Goede vraag, wij gaan ondertussen verder naar de bespreking van Jeroen, die deze week de loftrompet steekt voor Poubelle van Pieter Waterdrinker. Want wat een feest is het te mogen verkeren in dit ‘barokke universum’ waarin menig vrouw volgens Jeroen la belle dame sans merci belichaamt. Dat belichamen klinkt ongeveer zoals het door Jeroen als hilarisch bestempelde citaat waarmee hij zijn recensie aftrapt: ‘Haar zweterige geur, de zweem van een reeds door de nacht gemarineerd en niet geheel gezond lichaam, met vers opgespoten parfum, was misschien wel het ergste geweest. Als een zeeanemoon had ze zich op de smalle matras aan hem vastgezogen.’ Persoonlijk vond ik mijn wekelijkse Grote Drie-momentje aan het einde van het stuk lolliger: Poubelle bevat ‘op microniveau […] een hommage aan de grote voorganger W.F. Hermans: “Maar wat mis ik een vent zoals hij. Iemand die de hypocriete vuiligheid van deze wereld doorheeft. En dat nog eens meesterlijk weet op te schrijven ook.”’ Vullings wekt de indruk dat Poubelle een ambitieuze en gelaagde roman is, ‘het wil onze prille eeuw vangen’, ‘de parallellen tussen het Sovjet-politbureau en de technocratische Europese Unie laten zien’, en de MH17-ramp verklaren — en dat stemt De Lezeres nieuwsgierig. Maar tussen de verdorven vrouwen en Hermans-verering smaakt het toch een beetje als een aangebrande tosti.

En de Loden Leesbril gaat naar… Het Parool

En ja hoor, het is weer zover. Deze week schreven 5 mannen en 2 vrouwen in Het Parool over 5 schrijvers en 2 schrijfster (en 1 illustratrice). Inderdaad, de vrouwen schreven over vrouwen. En dat waren toevallig net een dichteres en kinderboekenschrijfster. Dieuwertje Mertens bespreekt de nieuwste bundel van Anne van Amstel en Marjon Kok Toen Sien vertrok van Bibi Dumon Tak met tekeningen van Annemarie van Haeringen. Met de stukken zelf is niets mis, maar waarom toch deze klassieke verdeling? Is het echt zo moeilijk om een katern te maken waarin meer vrouwen schrijven en meer vrouwen uit alle genres besproken worden? De verhoudingen zouden al een stuk beter worden als Maarten (act your age, not your shoesize) Moll, meer ruimte maakte. Vorige week werd James Salter weer eens genoemd, deze week weer eens besproken: ‘Dat is ook literatuur; het wijst je middels een roman die eigenlijk nergens over gaat op het feit dat alles altijd ergens over gaat. Namelijk over leven.’ Laten we hopen dat Moll de utopische impuls die hij in Salter meent te ontdekken — ‘Het is nog niet te laat. Er is nog van alles mogelijk. Altijd.’ — ook eens toepast op dit boekenkatern. Voor mij zit er deze week maar één ding op: de Loden Leesbril gaat naar Het Parool.

lekkertellen week 16 (14)

Advertenties

Vrouwen onder het tapijt schuiven

 

Afb1. lichaam onder tapijt (Antonio Santin, “alicia” 73×110 inches (185x280cm). Oil on canvas. 2014)

Daar vloog in ene die stokoude Oosterse tapijt-metafoor van de dichter Nijhoff de discussie over seksisme in de literatuur binnen!  Anja Sicking introduceerde ‘m in haar column waarin ze stelde dat ze soms een beetje moe wordt van het ‘groepsdenken’ dat in haar ogen zou spreken uit mijn project #lekkertellen. Het project waarmee aan de hand van cijfers, week in week uit, het empirisch bewijs wordt geleverd van de consequente marginalisering van vrouwelijke auteurs in de boekenbijlages.

Jan van Mersbergen, een auteur die zich bekwaamd heeft in het genre van de Carnavalsbiedermeier (inclusief bijbehorend sentimenteel-ruraal vrouwbeeld), haakte er graag op in. Zijn standpunt: het gaat om de objectieve Kwaliteit van de Tekst, wie de tekst geschreven heeft doet er niet toe. Worden vrouwen consequent minder gerecenseerd en bekroond? Simpel, ze schrijven gewoon minder goed.

Ik laat nu maar even de evidente essentialistische genderbullshit als ‘vrouwen leggen de lat niet hoog genoeg’ (bingo!) en ‘vrouwen zijn niet kritisch op elkaars werk, mannen wel’ (bingo!) terzijde. Belangrijker is: hoe zat ’t ook alweer met Nijhoff? Die zei dat het gedicht een Oosters tapijt was dat mooi is aan de ene kant – en als je ‘m omdraait dan zie je de knopen en daarmee ook de hand van de maker, dat wil zeggen alle moeizame arbeid die het kost om iets moois te maken. We kunnen alleen van het tapijt genieten als we de onderkant negeren. Het moet in de kunstkritiek dus uitsluitend om de bovenkant gaan, om de uiteindelijke vorm, niet om de maakgeschiedenis die eraan vooraf ging.

bingo

Afb. 2 Jan won de ‘weinig vrouwen-bingo’ glansrijk. Prijs: een afwasteiltje.

Laten we eens langer dan drie seconden nadenken over die metafoor. Wie knoopten die Oosterse tapijten in de tijd van Nijhoff? Kleine, uitgebuite kinderen, want die kinderhandjes kunnen zo goed die verfijnde knopen maken. Nog steeds, trouwens. Wat Nijhoff met die metafoor dus doet, is domweg verdringen dat er arbeid aan kunst te pas komt – en met het thema arbeid worden ook ongezellige onderwerpen als ongelijkheid, imperialisme & uitbuiting verdrongen. Hé wat comfortabel toch, dat al die politiek-ideologische pijnpunten met zo’n metafoor in één klap van tafel zijn.

Deze verdringing van het thema ‘arbeid’ door middel van een simpele vergelijking ging en gaat er in Nederlandse letterkundige kringen nog altijd in als gesneden koek, want de Nederlandse literatuur is totaal gedepolitiseerd. Grunberg toeterde ook al zijn partijtje mee in zijn Voetnoot. Identity politics is een doodlopende weg, alle groepsidentiteit is een fictie, kroop Grunberg nog maar eens op zijn stokpaardje. Met die dooddoeners zouden natuurlijk alle emancipatoire bewegingen terug in hun hok gesneerd kunnen worden – maar los daarvan is het holle praat. Natuurlijk is de categorie ‘vrouw’ een fictie, precies de kern van A Room of One’s Own van Virgina Woolf. Al geschreven in 1929, enkele jaren voor de tot kunstopvatting verheven tapijtjes-anekdote. Wordt het niet eens tijd dat opiniemakers feministische klassiekers gaan lézen, in plaats van meningen over het feminisme te verkondigen zonder te weten wat er voor hun al gedacht is over dit thema? (Alweer een gratis tip)

Een volstrekt onoriginele gedachte van Grunberg dus, het feministisch denken draait nu net om de onderkenning dat zoiets als ‘dé vrouw’ een fictie is. Het calculerende, egocentrische en hedonistische individu waar Grunberg als alternatief altijd maar weer mee op de proppen komt is overigens evenzeer fictie. Constateren dat ‘groepsidentiteit’ een sociale constructie is, helpt de vrouw die zich hoopt te bevrijden van de vrouw-als-fictie niets: omdat iets een fictie is wil dat nog niet zeggen dat het geen dwingende en reële kracht is in onze samenleving. Ras is ook een fictie, maar mensen die met racisme te maken krijgen ondervinden de al te reële effecten van dat construct.

Wat te doen? Er is niet één strategie en van mij mag iedereen zichzelf tot individu verklaren. Er zijn dagen dat ik dat van alle ficties ook de meest aantrekkelijke vind. Maar dat iets aantrekkelijk is, wil nog niet zeggen dat het zonder meer effectief is, want hoe je met Grunbergs hedonisme de marginalisering van de groep waar je willens en wetens door de samenleving in bent gedrongen kunt bestrijden, blijft in nevelen gehuld.

De redeneringen van Grunberg en Van Mersbergen – en vrees ik, ook van Sicking – plaatst vrouwen in een Catch-22: je mag het niet over de maker achter het boek hebben want dan doe je aan ‘slachtofferdenken’ en ‘groepsdenken’ en negeren van ‘literaire kwaliteit’, en ondertussen is er een groep individuen die consequent twee keer zo weinig besproken wordt in de boekenbijlagen en ook twee keer zo weinig zelf de pen ter hand neemt in die bijlagen. Wat hebben die individuen gemeen? Niets anders dan dat ze vrouwen zijn. Bewustwording over deze feiten creëren is geen groepsdenken, maar precies dat: bewustwording. Het #lekkertellen-project is er vooral om te laten zien: kijk, zo weinig vrouwen komen er aan het woord ten opzichte van het algemeen heersende idee dat het wel min of meer eerlijk verdeeld is in letterenland. Zodra je de literaire wereld wijst op de empirie gaan sommigen lekker met hun gat op een tapijtje zitten, waarvan ze hopen dat het vanzelf gaat zweven, ver boven de modderige wereld van belangenverstrengelingen en oorverdovend seksisme uit. 

Toverstaf en Tijdmachine: hoe ons literatuuronderwijs vrouwen buitensluit

Op de website van De Groene Amsterdammer is een stuk van mijn hand gepubliceerd over de canon op de middelbare school en de gebrekkige positie die vrouwen daarin innemen.

 

Toverstaf en Tijdmachine: hoe ons literatuuronderwijs vrouwen buitensluit

Onlangs keek ik met Alice, mijn nichtje van zeventien, naar The Time Machine, een verfilming uit 1960 van het gelijknamige boek van H.G. Wells. Op zeker moment geeft de tijdreizende mannelijke wetenschapper een lange uiteenzetting aan een hoogblonde en hoogst onnozele jonge vrouw. Met knipperende ogen kijkt ze naar hem op en verzucht: ‘I do not understand you, but I believe you! Een bulderend gelach steeg op uit de keel van Alice. Het vrouwbeeld uit de sciencefictionfilm bleek allesbehalve futuristisch, maar ’t product van jaren-zestigseksisme waar zelfs een zeventienjarige tegenwoordig onmiddellijk doorheen prikt.

Gek toch, dacht ik later, dat in het specifieke geval van The Time Machine het seksisme zo zichtbaar was. Meestal vliegen stereotypen gemakkelijk onder de radar. Met literaire klassiekers ligt het helemaal ingewikkeld: daarbij wordt het vaak als een aantasting van het grote werk en de grote kunstenaar gevoeld als je vaststelt dat er tijdgebonden vooroordelen in voorkomen.

Lees verder op de website van De Groene Amsterdammer

Huwelijkscrisis in de boekenbijlagen: #lekkertellen week 13

Lieve lezers en lezeressen,

Als u na ruim drie maanden #lekkertellen dit blog nog trouw bezoekt, dan zult u net als ik overtuigd zijn geraakt van het nut van turven. Zou ik zeeën van tijd hebben, dan zou ik van tellen mijn beroep maken en niet alleen de boekenbijlagen, maar ook de catalogi van uitgevers onder de loep nemen, de literaire prijzen, en het liefste ook nog de verhoudingen in de romans zelf. Dat laatste leek me altijd een ondoenlijke klus en bovendien niet goed voor mijn huwelijk – mijn wederhelft wil me ook af en toe eens zien. Maar vandaag zag ik op Facebook interessant #lekkertellen-nieuws: we kunnen nu allemaal bijdragen aan dat grote werk! De Personagebank, een ‘literaire volkstelling’, is een initiatief van de Universiteit Utrecht dat personages in Nederlandse romans in kaart brengt. Wat blijkt, bijvoorbeeld:

Als we kijken naar verschillen tussen mannen en vrouwen op de fictieve arbeidsmarkt, dan blijkt dat de emancipatie ook in de literatuur nog niet voltooid is. Veelzeggend is het hoge aantal prostituees en huisvrouwen. De werkvloer in de fictieve ziekenhuizen is exemplarisch: artsen zijn vooral mannen, verpleegkundigen vrouwen.

Ik ga dit met veel belangstelling volgen en tel zeker mee. Terug naar de boekenbijlagen: die zouden, als ze een huwelijk waren geweest, inmiddels in een crisis zijn beland. De echtelieden elk met hun neus in een boek, de vrouw met een kritische blik op de man die onverstoorbaar verder leest. Want de getallen liegen er deze week weer niet om: slechts 30% van de besprekingen is door een vrouw geschreven, 26% van de besproken auteurs is een vrouw. Het echtpaar kreeg dit weekend bezoek van een schaapsherder, een potentiële ‘knuffelallochtoon’, een feminist en van de passerende huisvrienden ‘jonge schrijver’ (m), W.F. Hermans en… Harry Mulisch! Stapt u weer in voor een korte tour langs de hoogte- en dieptepunten van de scènes uit een huwelijk?

LdV_infographic_week15-01

 

Het Parool

Het Parool gaat gebukt onder ingesleten patronen en zet de gebruikelijke verdeling van 28% recenserende vrouwen onverdroten voort. Waarbij de vrouwen nooit een openingsstuk schrijven maar wél stukjes mogen tikken over poëzie en jeugdliteratuur. Van de 7 stukken in dit katern gaat er precies één over een schrijfster (15%), namelijk de biografie van Svetlana Alliloejeva (dochter van Stalin) door Rosemary Sullivan.

In alle stukken worden in totaal 17 namen van mannelijke auteurs genoemd, 3 van vrouwen, dat is eveneens 15%. Toch interessant eens te kijken hoe deze name dropping van auteurs eruit ziet. In het openingsinterview mag een schrijver lekker janken over het uitblijven van verkoopsucces, terwijl hij toch baanbrekend schrijft over Europa, vindt hijzelf. De tien (!) overige auteurs die in dit interview genoemd worden zijn allemaal man en blank. Tja, wat is een schrijver zonder verongelijktheid en hulp van de canon?  En – verrassing! – twee van de grote drie worden ook even genoemd.

De enige twee andere vrouwen die in de rest van het katern (minimaal) ter sprake komen, Connie Palmen en Hanya Yanagihara, worden allebei negatief besproken. Een recensie verder schrijft Arie Storm dat Wessel te Gussinklo “zich teweer stelt tegen modieus geschreeuw van deze tijd – ‘dat vreselijke gekrijs over racisme en discriminatie’” en hij “vraagt zich af of het werk van Connie Palmen tot de literatuur gerekend kan worden”. Storm weet hier listig via het werk van Te Gussinklo even een trap na te geven aan minderheden en vrouwen. Chapeau! Dan is er de vertaling van Hanya Yanagihara’s Een klein leven, Maarten Moll grijpt die vertaling aan om te laten zien dat uitgevers doordraven in hun marketingtechnieken. James Salter daarentegen is gewoon goed en heeft al die flauwekul niet nodig. Een flutboekenkatern van Het Parool verdient misschien niet zoveel ruimte, maar niet alleen komen er nauwelijks vrouwen aan het woord, op geniepige wijze worden hier ook reactionaire ideeën over schrijfsters en discriminatie geserveerd. Zou dit huwelijk nog wel te redden zijn?

NRC Handelsblad

In NRC staat deze week een groot interview met Abdelkader Benali en Robert Vuijsje, die in hun nieuwe boeken allebei schrijven over racisme en discriminatie in Nederland en hun woede laten blijken over het ontkennen of bagatelliseren daarvan. ‘Wat ik pas wegkijken vind,’ zegt Vuijsje ‘[is] wanneer je niet erkent hoe de Nederlandse bevolking is samengesteld. Als je de Nederlander definieert als blond en wit, kies je ervoor om miljoenen mensen niet mee te tellen.’ Volgens deze definitie kijkt NRC behoorlijk weg, want de besproken Nederlandse auteurs zijn behalve Benali allemaal wit en verderop bedient Toef Jaeger zich zonder blikken of blozen van het woord ‘knuffelallochtoon’. De Pakistaanse Mohsin Hamid zou er één zijn, mocht hij in Nederland hebben gewoond. Het woord ‘knuffelallochtoon’ is natuurlijk geen compliment, maar impliceert dat ‘allochtonen’ zich over het algemeen niet weten te gedragen en een ‘allochtoon’ pas geaccepteerd wordt als hij of zij zich zo gedraagt dat ‘autochtonen’ hem of haar durven te knuffelen en te betuttelen. Waarom dus dit woord?

De sfeer in de echtelijke sponde is onderkoeld, want zowel het aantal schrijvende vrouwen als het aantal gerecenseerde vrouwen in NRC blijft behoorlijk achter deze week. Van de besproken vrouwen die ik telde schreven er 2 samen een kinderboek en zijn er 2 afkomstig uit respectievelijk de column van Arjen Fortuin (die een hele trits schrijvers noemt) en een verzamelbundel over Jeroen Bosch. Dat betekent dat er slechts één boek van een vrouw overblijft dat wordt besproken: Evi Wyld (Brits), besproken door Shira Keller. Die opmerkt dat Wyld het hoofdpersonage in Overal Vogelzang ‘van haar vrouwelijkheid [heeft] ontdaan’.

de Volkskrant

de Volkskrant pakt dit weekend flink uit met een reportage van vier pagina’s over een schrijvende schapenboer en drie pagina’s interview met voormalig Philips-topman Cor Boonstra. (In dat kader: las u vanmorgen de rake column van Sheila Sitalsing in de Volkskrant? Ik kan het u aanbevelen.) Het eerste boek geschreven door een vrouw staat pas op pagina 17 van de boekenbijlage: de biografie die Mariska Tjoelker schreef over Mien van Bree, wielrenster in de jaren dertig, toen fietsende meisjes met blote benen nog onsmakelijk werden gevonden. Ja, lieve lezers, de jaren dertig, toen vrouwen in de sport niet serieus werden genomen, het was wat. Daarnaast een bespreking van de roman van Sara Stridsberg en van de nieuwe Nicci French (die eigenlijk maar een halve vrouw is). Op de laatste pagina treffen we op de valreep nog een signalement aan van de roman Drie dagen van Nina Roos. De overige zeven titels die op deze pagina gesignaleerd worden zijn – zucht, verrassing – van mannen en dat geeft de verhouding deze week uitstekend weer: 22 besproken mannen versus 4 vrouwen. We overwegen Korrelatie te bellen.

Trouw

Gelukkig blijft Trouw – nomen est omen – deze week een rolmodel voor een goed huwelijk, met evenveel recensies door vrouwen als door mannen. Bij de auteurs van de besproken boeken is de verhouding 44% vrouw om 56% man: iets minder dan vorig week, maar vergeleken met andere kranten en tijdschriften nog steeds een zonnig resultaat. Van Jann Ruyters een uitgebreid stuk over de bundel Vrouwen schrijven niet met hun tieten, samengesteld door Wiegertje Postma, met daarin essays van een twintigers en dertigers over feministische kwesties. Ruyters las ze met interesse, maar niet zonder stiekem te verlangen naar ‘iets stevigers, minder vrijblijvends’. Misschien een generatiedingetje, vroeg ze zich af, om vervolgens te verwijzen naar de Lezeres zelve (immers van middelbare leeftijd) ‘die de oh-zo-ingewikkelde kwestie van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw vooral terugbrengt tot de harde cijfers. Eerst maar eens zorgen dat de verdeling van aandacht evenwichtig is.’ Dat zou de relatietherapeut volmondig beamen. Overigens veel vrouwen in titels deze week: in de afdeling non-fictie wordt Er stond een vrouw in de tuin van Anne Mieke Backer gesignaleerd, een verzameling essays ‘over de Nederlandse tuinhistorie “met de vrouw als gids”’. Je moet elkaar ergens vinden, zou de relatietherapeut zeggen.

De Standaard

Ogenschijnlijk presenteert De Standaard deze week een volledig uitgebalanceerde boekenbijlage: alle scores zijn 50/50. Maar achter een harmonieuze façade kunnen man en vrouw elkaar het leven zuur maken, en gelijkwaardigheid in harde cijfers betekent nog geen gelijkwaardige aandacht. De column van Peter Jacobs over The Library of Luminaries, de verstripte biografieën van Virginia Woolf en Jane Austen, begint voorspoedig: Zena Alkayat schreef de teksten, Nina Cosford maakte de illustraties. Maar voor het eerstvolgende boek van een vrouw moet ik bladeren tot pagina 12: daar tref ik een bespreking van Vilette van Charlotte Bronte. Woolf, Austen, Brontë, het lijkt de Grote Drie wel. En wat krijgen we daartussenin gepresenteerd? Wel: er zijn twee pagina’s voor Gie Bogaert, tweeënhalve pagina voor Laurent Binet, een pagina voor de Mandarijnen van W.F. Hermans (goh), anderhalve pagina voor Jan van Hove over de impressionisten, een halve pagina over Pamuk en tweeënhalve pagina over de schapen van James Rebanks (bééh). De overige vrouwen vinden we in een kort signalementje van een boek over Brontë, in een kort signalementje over de stijger en daler van de week en in de brief van Heleen Debruyne aan – eh, verrassing? – Simone de Beauvoir. Dit huwelijk is death warmed up.

Vrij Nederland

‘Jonge schrijvers over de oorlog’, zo wordt het stuk van Daan Heerma van Voss aangekondigd op de cover van Vrij Nederland deze week. Er komt echter geen jonge schrijver in voor, behalve Heerma van Voss zelf. Hoe om te gaan met een positie van ‘gênante onwetendheid’ over hoe het is om WOII meegemaakt te hebben, een oorlog die de wereld zoals die er nu uitziet gevormd heeft en nog steeds aanwezig is? Helaas komt Heerma van Voss niet veel verder dan enkele clichés.

Het zoeken naar een verhouding tot WOII blijkt in hoge mate een zoektocht te zijn naar een verhouding tot de oeuvres van schrijvers die ‘literair gezien […]  voor jonge Nederlandse schrijvers de vaderrol [vertolken]’: Hermans, Mulisch en Reve. Het stuk opent met een twee pagina’s grote foto van Mulisch in een nazi-pak, en op de volgende bladzijde Hermans die met nazi-pet op een guitige kop trekt. We zijn weer thuis, mensen! Een week geen Grote Drie, een week niet geleefd. Geen enkele vrouw ook, in dit essay, buiten een cameo voor Frida Mulisch en een beschrijving van een spandoek waar iemand ‘Merkel is Hitler’ op had geschreven. Niets over Merkel zelf en hoe zij omgaat met de WOII-erfenis. Geen enkele vrouwelijke schrijver, geen enkel vrouwelijk familielid wordt genoemd in Heerma van Voss’ eigen familieverhaal, geen vrouwelijke historica, politicus, filmpersonage, niemand. Aan ‘de jonge schrijver’ wordt gerefereerd als een man, aan de jonge burger die zich tot de geschiedenis moet verhouden wordt gerefereerd als een man. Ik kan alleen maar denken: Daan, jongen, spreek voor jezelf.

Verder een bespreking van ‘Op een nacht’ van Anne Eekhout – a.k.a. de vrouw zonder haakje – door Jeroen Vullings, Carel Peeters over het pleidooi voor open grenzen van Marli Huijer en Martin van Hees en een lang essay van Rob Schouten over de zelfmoord van dichters Wim Brands, Joost Zwagerman en Rogi Wieg. Een essay over drie mannen, maar een waarbij het belachelijk zou zijn om te willen dat hij over meer vrouwen zou schrijven.

De Groene Amsterdammer

Was er maar een datingapp voor vrouwen die een pen vast kunnen houden. Konden ze vorige week bij De Groene geen vrouwen vinden om over te schrijven, deze week waren de recensentes onvindbaar. Dus precies 0% schrijvende vrouwen en 25% besproken vrouwen, wat een droevige representatie in totaal van 12,5% oplevert. Vier stukken door vier mannen, drie over de Engelse bard ter gelegenheid van zijn vierhonderdste sterfjaar. “Shakespeare heeft ons geleerd wat het is om een mens te zijn” schrijft Joost de Vries, waarmee hij toch wel enkele millennia van globale menselijke beschaving tekort doet, dunkt me. En een mooi stuk van Cyrille Offermans over de memoires van Marceline Loridan-Ivens, wiens lange leven overschaduwd werd door haar tijd in concentratiekampen en de dood van haar vader in Auschwitz.

En de Loden Leesbril gaat (opnieuw) naar… De Morgen

Hoe prettig zou het zijn als de boekenbijlage van De Morgen eens níet zou voldoen aan het beeld dat er de 13 weken dat ik nu aan het tellen ben is ontstaan? De cover is voor een foto van Israëlische schrijfster Zeruya Shalev, en de cijfers lijken niet onder het gemiddelde, maar zijn toch behoorlijk droevig – vijf vrouwelijke auteurs krijgen aandacht, drie daarvan middels een ultrakort signalement (de wekelijkse babbelrubriek ‘de boekenkast van…’ wordt niet meegeteld). Zeer kwalijk is ook de m/v-verdeling wat betreft wie schrijft. Slechts één van de negen bijdragen werd door een vrouw geschreven. De Loden Leesbril gaat daarom opnieuw, zeer verdiend, naar De Morgen. Redacteuren aldaar, u kunt met uw verzameling Loden Leesbrillen inmiddels een Specsavers beginnen: is dit soms de Belgische variant van de VOC-mentaliteit?

#lekkertellen 15 (13)_def

 

Voorjaarsklassieker met de Lezeres: #lekkertellen week 12

Buiten wordt het weer steeds beter, binnen wordt het droever en droever. Ik zal de cijfers voor zich laten spreken: drie van de acht boekenbijlagen bespraken deze week geen enkele vrouwelijke auteur (Groene Amsterdammer, Het Parool en De Standaard). Moet u er ook even van bijkomen? Nog eens drie bespraken er maar één (in De Morgen) of twee, in NRC en Vrij Nederland (die laatste scoorde dan in % uitgedrukt weer wel goed omdat ‘t een kleine boekenbijlage is).

Het gemiddelde percentage stukken over vrouwelijke auteurs deze week was 21%, maar haal ik daar de twee best scorende publicaties af (Vrij Nederland en, trouw als altijd, Trouw), dan wordt het 11%.

Maar zag ik nu met een schuin oog Parijs-Roubaix op de televisie? Omdat ik van de mannelijke managers in mijn leven geleerd heb dat sportmetaforen altijd een ronkende overtuigingskracht hebben, laten we de berg eens opfietsen. We sukkelen aanvankelijk in slaap bij ‘t eentonige landschap van louter mannen, om via ‘t vals plat van één of twee vrouwen uiteindelijk dan toch door good old Trouw met sterke benen de berg te beklimmen.

Geen vrouw te bekennen in…

1. De Groene Amsterdammer

Het startschot klinkt, maar we vallen haast van verveling van de fiets bij de slechtst scorende bijlage deze week: De Groene. Tja. Geen enkel stuk over een vrouwelijke schrijfster, en slechts één stuk deze week geschreven door een vrouw. Wat valt daar verder nog over te zeggen? Valse start.

2. De Standaard

Bij De Standaard der Letteren lijken we van het zadel te komen, als ze openingsstukken laten schrijven door Kathy Mathys en Maria Vlaar de nieuwe roman van Mohammed Benzakour laten recenseren. En we koersen lekker verder als ze ruim twee pagina’s vrijmaken voor een essay van Katja Petrowskaja over de aanslagen in Brussel, Colm Tóibín laten opmerken dat zijn moeder veel feministische auteurs las en dat hij het belangrijk vond dat Maria in zijn Het testament van Maria een eigen stem kreeg. Helaas, lekke band en gebroken frame: deze week werd geen enkel boek van een vrouw besproken.

3. Het Parool

Vijf stukken van mannen en twee door vrouwen in het literatuurkatern van het Parool, wat het bedroevende, maar gemiddelde percentage van 28% schrijvende vrouwen oplevert. Ketting eraf en smeer in het haar bij het aantal besproken vrouwen: 0%. Het katern opent met verslag van een snoepreisje voor recensenten naar Berlijn om het nieuwste ‘filmische’ thrillerboek van de Duitser Sebastian Fitzek te bespreken. Vervolgens een zeer obligaat stukje over Imre Kertész, herlezing of serieuze beschouwing van dat belangrijke oeuvre kwam vermoedelijk in gedrang door voornoemd snoepreisje. Zelfs een bespreking van de onvolprezen kinderboekenschrijver Hans Hagen door Marjon Blok kon niet als meldonium fungeren.

Zowaar één vrouw te bekennen in…

4. De Morgen

Jawel, één vrouw! Het katern leest als een wielrenner met een verstopt motortje in ‘t frame: wie trapt hier nu nog in? Verder kan ik dus over De Morgen alleen maar kort zijn: slechts één van de acht stukken werd door een vrouw geschreven. Kan iemand ons een bidon aanreiken, zo’n gelletje in een zakje?

En dan gaat het langzaam bergopwaarts in…

5. de Volkskrant

Acht foto’s van vrouwen deze week in de boekenbijlage van de Volkskrant. Dat belooft wat. Helaas zijn zes van de acht geportretteerden geen schrijfsters maar zangeressen, die, gehuld in netkousen en roze laklaarsjes, koket hun billen naar achteren steken. Nicki, Rihanna, Taylor, Ariana, Britney en Katy zijn bedoeld als eye candy bij de bespreking van The Song Machine van ‘journalist en oude rocker’ John Seabrook. Besproken door Clara van de Wiel, dat dan weer wel. Verder houdt het weer niet over deze week. De cijfers zijn zelfs geflatteerd omdat ik het zes (6) pagina’s tellende wierookvat dat de Volkskrant over Reve uitwasemde niet heb meegeteld – die vallen buiten de officiële boekenbijlage. Ook is de naam van de recensent weggevallen die Dagboek van de duivel, een biografie over nazi-ideoloog Alfred Rosenberg door Robert K. Wittman en David Kinney, heeft besproken. In theorie zou dat natuurlijk een vrouw kunnen zijn. Voordeel van de twijfel dus. Welke vrouwen wisten wel door te dringen? Jannah Loontjens kreeg de ruimte om de lof te zingen over De pompoeneter van Penelope Mortimer, een taboedoorbrekende roman uit 1962, en Arjan Peters pakt uit met twee pagina’s over de dagboeken van Doeschka Meijsing. Kijk, dan beginnen er gaten te vallen in de waaiers van mannen.

6. NRC Handelsblad

De cover van de boekenbijlage wordt gesierd door een tekening van Doeschka Meijsing: aanleiding is het verschijnen van haar verzamelde dagboeken en aantekeningen. Ze krijgen ruim de aandacht van Arjen Fortuin, die ‘de sturende werking van schaamte’ als leidmotief in haar leven en werk herkent. De illustratie op de spread toont Meijsing te midden van boeken, drank en drugs (Valium, Seresta). Voilà, alle ingrediënten voor een getroebleerde schrijfster. In zijn column neemt Fortuin de Grote Drie-beurt op zich: Reve is nu al tien jaar ‘wel heel erg dood’ merkt merkt hij op. Maar hoe dood is iemand die tien jaar na zijn overlijden Felix Meritis uitverkoopt, een DWDD-item krijgt & bij de Volkskrant-buren 6 (zes) pagina’s, en ook verder in de boekenbijlagen nog steeds haast wekelijks als referentiepunt opduikt? Dan is Hella Haasse doder, of Doeschka Meijsing. Het lijkt erop dat NRC de balans in zijn recensentenbestand steeds beter in de gaten houdt, want de verhoudingen tussen mannelijk een vrouwelijke recensenten is bijna 50-50. Toch slaat de verzuring in de benen acuut toe bij het aantal besproken vrouwen: naast Meijsing wordt slechts één boek van een vrouw besproken, het ooggetuigenverslag van Sara Rijziger van de oorlog in Jemen.

BelgischerKreisel
Elkaar uit de wind houden?

7. Vrij Nederland

Deze week bespreekt Vrij Nederland één boek en interviewt het tijdschrift één schrijver en in beide gevallen staat een vrouw centraal. Jeroen Vullings interviewde Mensje van Keulen (inclusief foto’s zes pagina’s) en Jeroen Vullings bespreekt Pussy album van Stella Bergma. ‘Waarom zou zulk proza alleen door en vanuit de zienswijze van mannen geschreven kunnen worden?’ vraagt Vullings zich terecht af. Carel Peeters houdt elders in het nummer echter vast aan zijn mannelijk blik als Armstrong aan zijn bloedtransfusies. In zijn Literaire kroniek beziet hij de vluchtelingencrisis enkel door de bril van twee witte mannen (Abram de Swaan en Paul Scheffer). Ook zeer jammer dat deze week geen enkele vrouwelijke recensent of interviewer aan het woord komt over boeken.

Gelukkig is er altijd nog Neerlands hoop in bange dagen…

8. Trouw

Het publiek is in grote getale op komen dagen en juicht De Lezeres naar de finish: net een tikkeltje minder uitgebalanceerd dan vorige week, maar toch ziet de m/v-verhouding in Letter&Geest er weer heel behoorlijk uit. We tellen 48% vrouwelijke auteurs tegenover 52% mannelijke, en 43% door vrouwen geschreven stukken tegenover 57% stukken door mannen. De grootste recensie is bovendien gewijd aan de dagboeken van Doeschka Meijsing, die Rob Schouten omschrijft als een ‘niet te missen egodocument’ van ‘een van onze beste schrijvers van het eind van de vorige eeuw’. Verder ook een bespreking van Een droomjeugd van de Franse schrijfster Catherine Millet. Ger Leppers stelt daarin de vraag of we haar moeten zien als een vrouwelijke Casanova of als een vrouwelijke Don Juan – wat uw Lezeres deed afvragen of een vrouw met een fors libido geen op zichzelf staand fenomeen kan zijn? Fijn ook dat er bij de signalementen eens meer boeken staan van vrouwen dan van mannen – dat kan dus gewoon, Volkskrantredacteuren! Ook leuk: Sofie Messeman beoordeelt de nieuwe spionageroman van Jan Guillou als ‘feministisch’. Guillou brengt in Blauwe ster een eerbetoon aan de vrouwen die in de Tweede Wereldoorlog voor de Zweedse geheime dienst als prostituee werkten om informatie los te krijgen van Duitse militairen. Nooit erkenning gekregen, natuurlijk. De hoofdpersoon in dit boek verzucht: ‘Alle mannen die ik de afgelopen jaren heb ontmoet, zijn idioten’. Zo ver zou ik niet gaan, maar van werkelijke sportiviteit kan ik ze vooralsnog ook niet betichten.

We zijn over de finish, en over de uitslag hoeft niet te worden gediscussieerd: we persen De Groene Amsterdammer, De Standaard en Het Parool gedrieën in de Zwarte Trui.

lekkertellen week 14 (12)

Vrouwen op één hoop: iets over de filosofie achter #lekkertellen

Naar aanleiding van de column van Marja Pruis iets over de filosofie achter het #lekkertellen project. Iedere emancipatiebeweging heeft te maken met de volgende paradox: als achtergestelde groep word je ongeacht je individuele kwaliteiten en interesses in één doos gegooid, waarop de groep die van oudsher de norm stelt met viltstift heeft geschreven ‘vrouw’ (of ‘homoseksueel’, of ‘allochtoon’, of vul maar aan*). En nadat je dat etiket hebt gekregen, volgen allerlei eigenschappen die je geacht wordt te internaliseren. In het geval van ‘vrouw’: emotioneel, hysterisch, niet rationeel, babbelziek – enfin, u kent de stereotypen.

De mensen die de norm belichamen zitten op een stoel en verkondigen luidkeels een Uniek Denkend Individu te zijn dat diep over de toestand in de wereld peinst. Zij stellen vervolgens vast dat bij de mensjes die zij ooit bij elkaar in een doos hebben gegooid het zo jammerlijk ontbreekt aan een  op hun gelijkende indrukwekkende individualiteit. Dan buigen ze zich eens over die doos om vast te stellen: ‘goh, ze lijken allemaal zo op elkaar hé, die vrouwen met hun emoties en hun gebabbel.’

Voor mij gaat #lekkertellen uiteindelijk om het losbreken & slopen van dit apart stellen van vrouwen, én om het bekritiseren van individualiteit zoals deze nu is gedefinieerd – want die is direct gerelateerd aan ongelijke machtsverhoudingen. Wat er finaal nodig is, is  het opeisen van het recht om op gelijke voet mee te kunnen praten over wat we onder individualiteit verstaan. Evenals het recht om  op eigen voorwaarden je te verhouden tot je sekse.

Maar om die strijd te kunnen voeren, zul je – althans, dat is mijn diepste overtuiging – onderling solidair moeten zijn.

Lastig aan negatieve stereotyperingen is immers dat ze zo buitengewoon hardnekkig zijn  – met als vervelend gevolg dat je op ieder moment er weer mee om de oren kan worden geslagen, als je onverhoopt op de verkeerde tenen gaat staan of teveel de norm uitdaagt. Je denkt en schrijft helemaal niet als een typisch meisje!, is dan het hoogste compliment waarachter altijd het dreigement schuilgaat: morrel je teveel aan de bestaande verhoudingen dan constateer ik alsnog: je bent maar een meisje.

Als ik dus zelf tabellen maak met links ‘mannen’ en rechts ‘vrouwen’, dan is dat niet omdat ik die vrouwen en die mannen gescheiden wil houden, en vrouwelijke auteurs tot het einde der tijden wil opsluiten in de categorie ‘vrouwelijke auteurs’. Het tegendeel is waar. Het einddoel is ingesleten vooroordelen uit het hoofd van uitgevers, critici, lezers en schrijvers te halen. Om bijvoorbeeld ervoor te zorgen dat in kritieken ook vrouwelijke auteurs ten voorbeeld gesteld kunnen worden aan mannen (Pieter Pen is de nieuwe Haasse!). Of om ervoor te zorgen dat critici bij een vrouwennaam op de kaft niet onbewust associaties hebben als ‘gebabbel’ of ‘klein huiselijk leed’ die al weerlegd moeten worden voordat het boek ook maar enigszins serieus genomen kan worden, terwijl bij een man die  persoonlijke sores beschrijft onmiddellijk woorden als ‘dapper’ en ‘ontluisterende visie’ omhoog komen borrelen.

Zo ver zijn we nog lang niet. En alhoewel er meerdere manieren zijn om om te gaan met het dilemma – ik wil als individu gezien worden maar ik word ongevraagd in een niet door mij gedefinieerde groepscategorie geduwd – heb ik onder meer in navolging van VIDA voor een specifiek probleem (de literaire kritiek) gekozen om zelf ook groepsbenoeming te hanteren. Het is slechts een middel om te laten zien waar we nu staan. Dan is het paradoxaal genoeg wel nodig ook zelf een doos te maken, daarop ‘vrouw’ te schrijven en te gaan turven. Voor mij was dat een  manier om zichtbaar te maken dat dat onderscheid nog steeds zeer sterk gemaakt wordt, en dat voor degene die in het hokje ‘vrouw’ terechtkomen dat allerlei negatieve gevolgen heeft. Bijvoorbeeld: veel minder kans om in een groot stuk gerecenseerd te worden. En: veel minder kans werkelijk op individuele kwaliteiten beoordeeld te worden.

#lekkertellen is daarom niet iets van het verleden, omdat sekse-ideologie niet van het verleden is. Volgens mij is dat denken juist aan een heftige come-back bezig, en ik denk dat die ontluisterend normatieve column van Van Mersbergen precies illustreert dat dat zo is.

*het ligt natuurlijk allemaal nog ingewikkelder: die etiketten bestaan niet los van elkaar maar werken ook onderling op elkaar in. Zie wie ik hier zeg over VIDA en hun uitgebreide telwerk.

#lekkertellen week 11: One third of the pie en een Gouden Leesbril

Lieve Lezers en Lezeressen,

Deze week verscheen de VIDA Count 2015, waarin onderzoeksorganisatie VIDA voor ‘Women in Literary Arts’, aan het #lekkertellen gaat in 26 Amerikaanse boekenbijlagen uit 2015. De Count is, full disclosure, geen onbelangrijke inspiratie voor me geweest (VIDA telt als sinds 2009). VIDA’s motivatie om te tellen is dan ook simpel en gelijk aan de mijne: het is belangrijk om te laten zien dat en welke vrouwelijke stemmen ondergerepresenteerd worden en om je daarbij af te vragen waarom dat zo is en wat de mogelijke consequenties daarvan zijn voor bijvoorbeeld de ‘public imagination’ en het tot stand komen van stereotypes. Het onderzoek is omvangrijker dan het mijne en let niet alleen op de gender van de besproken auteurs, maar ook op hun seksuele identiteit, ability (of iemand een beperking heeft of niet) en ras en etniciteit. VIDA hanteert daarmee een intersectionele benadering waarin duidelijk wordt dat ondergeschikte posities tot stand komen op het spreekwoordelijke ‘kruispunt’ van identiteitscategoriën (een zwarte vrouw ervaart niet op dezelfde manier machtsongelijkheid als een witte vrouw, bijvoorbeeld). Een dergelijk uitgebreid onderzoek zou voor Nederland zeker geen overbodige luxe zijn, want zo kleurenblind als Nederland zichzelf graag ziet, zo kleurloos zijn haar boekenbijlagen. Mocht ik een onderzoeksinstituut zijn, dan zou ik zo’n onderzoek graag uitvoeren.

Vergelijken we de uitkomsten van de VIDA Count met #lekkertellen van de afgelopen tijd, dan valt op dat het percentage besproken vrouwelijke auteurs niet ver uit elkaar ligt: VIDA telt dat in 2015, ‘women make up just about one-third of the pie, at 34 percent overall’. In Nederland krijgen de vrouwen nog minder taart: het gemiddelde aantal vrouwen in #lekkertellen tot nu toe blijft steken op 27%. De ‘silver lining’ is voor VIDA dat de meerderheid van het aantal interviews met vrouwen is. Dat heb ik helaas niet precies bijgehouden, maar mocht het in Nederland en Vlaanderen ook het geval zijn dan vraag ik me af: waar gaan die interviews over en waarom betalen die zich niet uit in besprekingen?

Voorlopig ga ik nog even trouw verder met waar ik mee bezig was: ook deze week spitte ik weer 8 boekenbijlagen door en telde ik het aantal recensies voor boeken van een vrouw en het aantal vrouwelijke recensenten. Het reeds ingezette patroon zet stug door, wat betekent dat een gebrek aan vrouwen zich steeds helderder aftekent. Maar ook wordt steeds duidelijker dat er één bijlage is die positief uitsteekt boven het gortdroge maaiveld van mannen van middelbare leeftijd. Die bijlage krijgt daarom een Gouden Leesbril.

 

piechart.jpg
#lekkertellen is altijd smullen voor de heren, die krijgen gemiddeld 73% van de besprekingen

NRC Handelsblad

Een betere illustratie van mijn analyse dat de Republiek der Letteren bevolkt wordt door mannen van middelbare leeftijd die somberen over de oppervlakkigheid van de hedendaagse cultuur, had ik me niet kunnen wensen dit weekend. Zo schrijft Sebastiaan Kort zonder ironie dat hij met de roman Poubelle van Pieter Waterdrinker (over een would-beschrijver – zat dat niet ook al in de nieuwe Anker?)

 

niet minder dan een Grote Nederlandse Roman in handen [dacht] te hebben. Vergelijkbaar met Buwalda’s Bonita Avenue, ook zo’n boek waarin een schrijver de dilemma’s van het moderne leven bij een stuurse man van middelbare leeftijd in de maag splitste.

 

Op blijdschap kon ik me niet betrappen bij deze inwisseling van de Grote Drie voor de Grote Buwalda. In de LUX-bijlage (niet in de telling opgenomen omdat die geen onderdeel van de boekenbijlage uitmaakt) werden we vergast op een lunchinterview met Cees Nooteboom – met Nieuw-Zeelandse wijn en glaasjes water van €5. De auteur reist met zijn 82 jaar nog de hele wereld over en, berg u!, maakt zich zorgen over onze cultuur: weten mensen uit niet-westerse culturen ‘de enormiteit’ van de heilige drie-eenheid op een schilderij van Bosch nog wel te herkennen? En hoe zit het eigenlijk met ‘dat andere, voor hem steeds onbekendere en almaar groeiende volk: de jeugd’. Opvallend is dat er in NRC geen enkel boek van een vrouw door een man werd besproken en geen enkel boek van een man door een vrouw. Terwijl dat in een land vol Pieters en Peters toch geen overbodige luxe zou zijn.

 

De Volkskrant

Het boekenkatern van Sir Edmund is deze week ouderwets volgepend door mannen. Ranne Hovius krijgt een pagina, Persis Bekkering en Danielle Serdijn allebei een kolommetje – en dan stokt de score op een kleine 19%. Dan kan Arjan Peters nog zo lovend zijn over Het loopt het ademt het leeft – en dat onder de kop ‘Hoe ze de tuthola in zichzelf eronder krijgt’, een mens zou bijna gaan denken dat ‘t ergens iets te maken heeft met zijn opvattingen over wat een vrouw is en zou moeten zijn – van de 82-jarige Helen Knopper, een peilloze moeheid overvalt me bij het doornemen van dit katern. Want met de vrouwelijke auteurs is het al niet veel beter gesteld: los van de signalementen komt die score deze week uit op 22,2%. Een foto van Pieter Waterdrinker minder en een recensie over een vrouw extra, is het nu zo moeilijk?

 

De Standaard

Het openingsstuk van De Standaard der Letteren is er eentje uit de categorie Zo Zien We Het Graag: Maria Vlaar bespreekt de verhalenbundel die Hans Maarten van den Brink samenstelde bij de Jeroen Bosch-tentoonstelling en licht daarin een evenwichtige selectie van mannen en vrouwen uit, die hopelijk exemplarisch is voor balans in de bundel van Van den Brink. De Vlaamse krant weet inmiddels de vrouwelijke recensenten wel te vinden, met 54% stukken van vrouwelijke hand. Nu nog ruimte voor boeken van vrouwen. Twee (!) titels van een vrouwelijke auteurs levert een score van 22% op. Zie ik niet graag.

 

Vrij Nederland

In de VN van deze week bespreekt Carel Peeters weer getrouw een boek van een man, namelijk De ontdekking van de wereld, waarin Peter Venmans over Hannah Arendt schrijft. In een langer essay (opgenomen in de sectie ‘de cultuur’) bespreekt Jos de Mul de boeken van Richard Dawkins en zijn criticus Denis Noble. Daarnaast heb ik de ‘rondgang’ meegeteld, waarin VN schrijvers en filosofen vroeg naar hun analyse van ‘Brussel’: hoe de aanslagen te duiden en wat nu te doen? Van de 9 mensen die werden geraadpleegd is er slechts één een vrouw. Er worden enkele verstandige dingen gezegd, maar waarom moeten we de voorspelbare Leon de Winter horen verkondigen dat de radicale Islam een massapsychose is en blijven de analyses van intelligente vrouwelijke auteurs en filosofen achterwege? Waar zijn de stemmen van Joke Hermsen, Annelies Verbeke, Marli Huijer, Tinneke Beeckman en Alicja Geschinska, om maar eens een binder full of women open te trekken?

 

De Groene Amsterdammer

Na de Loden Leesbril van vorige week herpakt de Groene zich met een m-v-verhouding van drie om vier (3V en 4M) wat betreft zowel de recenserenden als de auteurs van de besproken boeken. Marja Pruis opent Dichters & Denkers met een groot stuk over Svetlana Alexijevitsj, en daarmee is direct de toon gezet: vrouwen schrijven over vrouwen, mannen over mannen. Apart is dat toch.

 

De Morgen

Van alle stukken in de boekenbijlage van De Morgen deze week werd er geen enkele geschreven door een vrouw. Ik heb even teruggekeken in mijn excel-sheet, en het gemiddelde percentage bijdragen geschreven door een vrouw aan De Morgen-boekenbijlage, in 11 weken dat ik nu aan het tellen ben, komt op een schamele 11%. Niet eens een derde van de taart dus maar net een tiende. Treurnis.

 

Het Parool

Maarten Moll leest elke dag een fantastisch boek van een man, daarom zijn fantasy, sf, horror en als we zijn keuzes moeten geloven, boeken van vrouwen, totaal overbodige genres, aldus zijn nieuwste column. Ik heb alle schrijvers die hij noemt meegeteld, aangezien dat misschien een meer realistisch idee van de vanzelfsprekende weergave van uitsluitend mannelijke auteurs die hij in Het Parool, week na week, geeft. ‘Ik ben geen snob’, verzekert Moll ons, en ik geloof het graag, maar een ander bijvoeglijk naamwoord dat begint met een s lijkt me langzamerhand prima van toepassing. In het hele katern is één critica, Joukje Akveld, en die bespreekt de enige vrouwelijke auteur: Georgien Overwater en haar prentenboek Amsterdam. Voor iedereen die denkt dat #lekkertellen ouderwets en overbodig is: wat voor beeld van literatuur denk je dat het spreekwoordelijke marsmannetje zou krijgen na het lezen van dit literatuurkatern?

 

En de Gouden Leesbril gaat naar… Trouw

Laten we hopen dat het marsmannetje Trouw onder ogen zou krijgen. De boekenbijlage van dit weekend zou hem werkelijk doen kunnen geloven dat de vrouwen de helft van de wereldbevolking vormen: 12 vrouwelijke tegenover 13 mannelijke auteurs (als we de signalementen niet meetellen was het zelfs gelijk spel: 8-8). Ook zijn er beduidend meer stukken door vrouwelijke recensenten geschreven dan door mannen: 11 om 8. Het leidde tot een prachtkatern met een voorpublicatie van het nieuwe boek van filosofe Marjan Slob, die zich terecht afvraagt waarom de mannelijke representatie van het menselijk lichaam in het Visible Human Project zo veel meer aandacht trok dan de vrouwelijke, en een bespreking van de nu vertaalde autobiografie van Hilary Mantel: ‘Een witty, originele denker’ volgens Vrouwkje Tuinman. Mooi ook dat de twee non-fictie boeken van mannelijke schrijvers over vrouwen gaan, dat zie je niet veel. De Hongaarse schrijver Sacha Batthyány schreef over zijn puissant rijke oudtante, bekend als de ‘nazigravin’. En Ernst Timmer liefdevol over zijn 88-jarige moeder.

Trouw komt keer op keer uit de bus als de boekenbijlage die het meeste aandacht aan vrouwen besteedt en vrouwen het meeste ruimte geeft voor kritische bijdragen. Daarom krijgt Trouw van mij deze week een Gouden Leesbril. Houd een plekje vrij aan de muur, op de boekenplank of op je nachtkastje want hij komt naar jullie toe!

 

#lekkertellen 11
#lekkertellen in week 13 van 2016