De literaire canon

Lieve Lezers en Lezeressen!

U denkt misschien dat ik iets tegen de NRC heb, maar ik moet weer even over die krant beginnen. Als trouw abonnee vroeg ik mij af: heeft de erudiete Christiaan Weijts een punt? In een column in NRC van 14 januari trekt hij ten strijde tegen de literaire canon, die het lezen van literatuur voor een hele generaties middelbare scholieren tot een corvee zou maken. Weijts begon en eindigde zijn diepgaande onderzoek naar deze misstand bij een uitzonderlijke gymnasiumleerling, wiens leeslijst er als volgt uitzag: het waren ‘vier kantjes’, waarvan ‘tachtig procent’ in staat was ‘om je voorgoed bij de boekenkasten weg te jagen. Karel ende Elegast, Vondel, Hooft, Bilderdijk, Rhijnvis Feith…’ Genoemde leerling moet ‘uit elke periode wat lezen’.

Bewonderenswaardig, maar ook totaal niet representatief. Havo-leerlingen hoeven in het geheel geen boeken te lezen van vóór 1880 en vwo-leerlingen officieel drie (van de twaalf), maar er gaan stemmen op om dat aantal verder terug te brengen. En de boeken die Weijts noemt zijn evenmin representatief. Het overgrote deel van de havo- en vwo-leerlingen werkt met Lezen voor de Lijst, een website waarop leerlingen boeken kunnen vinden op verschillende niveaus. Feith en Bilderdijk staan daar in ieder geval niet op.

Kijken we naar de hedendaagse boeken waar Weijts voor pleit: ‘Geef ze Gimmick!, Tirza, Joe Speedboot. Geef ze Kartonnen dozen, Giph of De helaasheid der dingen.’ Welnu: deze boeken worden al aan scholieren gegeven. Van deze boeken staan alleen Giph en Gimmick! niet op Lezen voor de Lijst, maar kom, Gimmick! is inmiddels gedateerder dan Warenar. En van dezelfde schrijvers staan wel Phileine zegt sorry en Vals licht erop. Tirza en Joe Speedboot behoren al jarenlang tot de meest gelezen boeken op school. Weijts’ recentste genoemde titels komen trouwens uit 2006 terwijl Lezen voor de Lijst onder meer Kom hier, dat ik u kus (2014), Slaap zacht, Johnny Idaho (2015) en La Superba (2014) bevat. Er staan geen boeken van Weijts zelf op, da’s wel waar.

In plaats van een beetje onderzoek te doen, lijkt Weijts al zijn energie gestoken te hebben in het schrijven van een ronkende column. Immers: docenten die leerlingen Multatuli laten lezen moeten volgens Weijts naar een ‘strafkamp’, en Max Havelaar zelf is een ‘afgrijselijke monumentale baksteen, effectief moordwapen voor elk sluimerend vonkje literaire interesse.’ (Multatuli was inderdaad stilistisch niet begaafd genoeg om ‘Fuck het cultuurstelsel’ te schrijven, daar heeft Weijts wel een punt). De auteur heeft iets met geweld, zo lijkt het. En die agressie gaat dan nog eens een ongemakkelijk verband aan met seks in zijn stuk. ‘Fuck de canon’, schrijft hij tot twee keer toe, en hij verklaart de auteurs uit het verleden tot ‘vergeelde murmelaars van vroeger die in muffe kamertjes hun belegen aftrekfantasietjes neerpenden.’ Ah, dus er woedt in dit stuk een seksuele strijd tussen viriele mannen en halfslachtige, onanistische wezens, tussen echte mannelijke auteurs en nepschrijvers want nepmannen (géén vrouwen!). De tekst moet van Weijts ondertussen de gedaante aannemen van een verleidelijke vrouw, ‘opwindend’ en ‘genot’ veroorzakend – maar let wel: zonder dat dat genot omslaat in ‘angst en weerzin’.

Het venijn van Weijts’ stuk zit in de staart. ‘Geen enkel boek hoort het geestelijk equivalent te zijn van een besnijdenis.’ Excusez-moi? Het zou in lijn met Weijts’ pleidooi voor viriliteit zijn geweest als hij hier het woord ‘castratie’ had gebruikt, maar hij verspreekt zich op wonderlijke wijze. Hij weet toch wel het belangrijke verschil tussen die twee zaken, of komen hier plots de islamofobie en het antisemitisme het stuk binnen? Laten we hopen van niet. En laten we hopen dat Weijts’ pleidooi voor een ‘opwindende’ canon heimelijk en onbewust een verlangen prijsgeeft naar het incorporeren van vrouwelijke auteurs in zijn persoonlijke leeslijst. Want kom op, het noemen van zeven mannelijke auteurs en zeven boeken van mannelijke auteurs in een stuk van 469 woorden, zonder ook maar één vrouw te noemen, dat is zó 1860.

Het probleem dat Weijts benoemt, namelijk dat leerlingen zouden moeten worstelen met een canondraak, is dus grotendeels een schijnprobleem. Er zijn prangender debatten in onderwijsland: of het literatuuronderwijs niet zo ver in de marge is beland, dat leerlingen helemaal niets meer binnenkrijgen dat enige literaire waarde heeft. En of je dat probleem oplost door young adult-novels of fantasyboeken aan te bieden (zoals al grootschalig gebeurt) of zelfs door leerlingen games te laten analyseren (zoals bij een enkele avant-gardistische docent het geval is). Kortom: ieder debat over de literaire canon lijkt welkom voor middelbareschooldocenten, maar nu net níet op basis van deze verkeerde informatie.

 

 

 

 

Advertenties

2 gedachtes over “De literaire canon

Reacties zijn gesloten.