Het poldermodel tussen lezer en schrijver

 

Je moet literatuur niet tot een morele boodschap willen reduceren, zo luidde de boodschap  van de column van Niña Weijers in De Groene Amsterdammer. Weijers ving in de trein een gesprek op tussen twee meisjes die over On Chesil Beach van Ian McEwan spraken. Een roman waar, o kosmisch toeval, Weijers zelf drie dagen van slag was geweest. Het ene meisje zocht naar een concrete levensles bij McEwan, had deze niet gevonden en vond de roman dus een teleurstelling. U begrijpt dat Weijers als lezer tegenover dergelijke meisjes-onnozelheid zelf een stuk diepzinniger afstak.

Maar Weijers is een veel te scherpzinnige auteur  om het bij deze retorische manoeuvre te laten, en dus kiest ze een alinea verder een veel steviger opponent: Rebecca Solnit. Die schreef een stuk over een lijst ‘boeken die mannen zouden moeten lezen’ door Esquire opgesteld. Op de lijst van tachtig romans komt slechts één vrouwelijke auteur voor. Het invloedrijke mannenblad leert zijn lezers dat een echte man alleen maar mannen leest – en uit onderzoek weten we dat veel mannen inderdaad weinig vrouwelijke auteurs lezen, terwijl omgekeerd de meeste vrouwen wel veel literaire werken van mannen lezen.

Solnit wil in haar stuk duidelijk terugduwen tegen dit ‘ijzeren gordijn’ van gender-essentialisme. Ze stelt dat de lijst van Esquire veel beter omgedoopt zou kunnen worden tot ‘boeken die geen vrouw zou moeten lezen’. Solnit bedoelt niet dat er in alle ernst een zwarte lijst zou moeten zijn (‘I believe everyone should read anything they want’) maar wél dat je je kunt afvragen wat de negatieve effecten van vrouwbeelden in de literatuur kunnen zijn:

I just think some books are instructions on why women are dirt or hardly exist at all except as accessories or are inherently evil and empty. Or they’re instructions in the version of masculinity that means being unkind and unaware, that set of values that expands out into violence at home, in war, and by economic means.

Waarop Weijers dan weer reageert:

Ik begrijp Solnits woede, en haar typering van Hemingway is eerlijk gezegd behoorlijk raak, maar het probleem van haar betoog is dat ze romans blijft zien als instructies. Noem me een estheet, maar ik vind dat net zo killing als William Burroughs die zijn vrouw een kogel door haar hoofd schoot.

 

 

Weijers poneert  dat romans niet als instructies gezien moeten worden. Blijkbaar heeft zij daarmee Solnits constatering dat romans treurig genoeg vaak instructies in vrouwenhaat zijn, van tafel geveegd.  Wat wonderlijk is, omdat ook Weijers onderkent dat canonieke auteurs soms volstrekt clichématig over mannen en vrouwen schrijven. Alleen impliceert haar stellingname dat die stereotypen op het ideologische vlak niets uitrichten bij de lezer.  Waarom eigenlijk niet? Omdat die lezer door een eenvoudig poëticaal wilsbesluit over een soort magisch anti-ideologisch schild beschikt? ‘Ik heb bedacht dat Grote Literatuur niet normatief op mij kan uitwerken, en dus werkt deze roman ook niet normatief op mij uit.’ Zoiets?

Toegegeven, zelfs maar op een speelse manier schrijven over een ‘no reading list’ roept allerlei negatieve associaties met censuur op. In Nederland doet het onmiddellijk denken aan een tijd waarin er vanuit religieuze hoek geageerd werd tegen auteurs als Hermans, Reve en Wolkers. Ik durf er overigens mijn leesbril onder te verwedden dat dit religieuze verleden tot op de dag van vandaag het debat over de Nederlandse literatuur in de greep heeft.  Het beeld is toch dat mensen die literatuur gevaarlijk vinden types zijn met een dichtgemetseld wereldbeeld die precies weten hoe het zit met moraal, seksualiteit en God. Want waarom is er in Nederland geen equivalent voor Rebecca Solnit te vinden? Mij lijkt het antwoord: die intellectuelen zijn er wel, maar hun kritische positie dringt heel moeilijk tot de mainstream door, omdat we nooit écht aan het ezeltjesproces tegen Reve voorbij zijn gekomen.

In de ogen van de mainstream is zoiets als feminisme toch een soort religieuze orthodoxie maar dan vertaald naar politieke strijd: die feministen zouden ook geen twijfel kennen over hoe je ‘politiek correct’ over mannen en vrouwen moet schrijven, en alles wat daarbuiten valt komt onmiddellijk op de zwarte lijst terecht. De kaarten zijn dus geschud. Aan de ene kant heb je de collectieve en dogmatische overtuiging (religieus danwel politiek) die je voorschrijft hoe je over zaken x,y en z moet nadenken. Aan de andere kant heb je de individuele stem van de literatuur, die dat dogmatische denken ondermijnt. Zo bezien komt literatuur al snel als de sympathieke underdog uit de strijd.Als Lezeres des Vaderlands vroeg ik mij vooral af wat de relatie is tussen goed lezen en niet lezen. Een vreemde combinatie, ik geef het toe. Want ik moest door deze discussie denken aan Andreas Burnier, waar net een mooie biografie over is verschenen. Die besloot op zeker moment Gerard Reve niet meer te lezen. Helemaal niet vanuit een feministische of theologische redenering overigens, maar vanuit een ander type morele overweging. Zijn romans vond ze te verontrustend om ze te kunnen consumeren als vermakelijke ironie. Die weigering van Burnier om Reve ironisch te lezen is me altijd bijgebleven. Alhoewel ik zelf Reve altijd ben blijven lezen, spookt sindsdien de vraag wel door mijn hoofd of Burnier niet een veel betere Reve-lezer was dan dat leger aan adepten dat al begon te gniffelen als Reve aanstalten maakte een scheet te laten. Wat nu als er in dat oeuvre inderdaad iets wordt gevierd waar we om goede redenen in buitenliteraire context helemaal niet om gniffelen?

Nu zult u zeggen: precies daar is de literatuur voor, om binnen de grenzen van het boek ons te verhouden tot zaken die we buiten het boek ver van ons moeten houden. Jawel, maar dan blijft nog altijd de vraag hoe we het gewicht en de inhoud van die grensoverschrijdingen in zicht krijgen, als we altijd maar blijven steken in de constatering dat Reve zo’n groot stilist was? (Nog afgezien van het feit dat de stijl onderdeel is van de inhoudelijke transgressies).

Het interessante is in dit geval dat het juist Burnier is die tegen het collectief in durfde te denken, als individu. De weldenkende goegemeente had bedacht dat Reve een groot schrijver was die tot De Grote Literatuur behoorde. En Burnier besloot geheel in haar eentje dat dat te makkelijk was. Soms is het de literaire wereld zelf die er een dichtgemetseld beeld over esthetiek op nahoudt, en is het de individuele lezer die dat doorkruist.

Een boek wordt interessant als je voelt: dit boek had ook niet geschreven kunnen worden. De auteur heeft schaamte moeten overwinnen, haar of zijn zelfcensuur, om tóch dit verhaal te publiceren. De mogelijkheid van niet-schrijven geeft aan literatuur gewicht. Maar misschien is het omgekeerde ook waar. Misschien is er een lezer nodig die de mogelijkheid van niet-lezen altijd openhoudt om scherp te kunnen lezen. Als we bij voorbaat al vaststellen dat boeken ‘geen instructies’ bevatten en dus per definitie nooit verworpen kunnen worden, dan wordt het een obligaat spel waarvan de uitslag vaststaat.

Het lijkt mij een zegening voor een levende literatuur als er geen poldermodel bestaat tussen boek en lezer. Dat wil zeggen: als we niet bij voorbaat het er al over eens zijn dat literatuur geen instructie bevat, of een transgressie waar de lezer besluit nee tegen te zeggen.

 

Advertenties