Feminisering: het debat voorbij de pijngrens

Joehoe, lieve lezeressen en lezers,

Weet u het nog, dat artikel van sportjournalist Vissers over de toenemende ‘feminisering’ van afgelopen zaterdag in de Volkskrant? Iemand, we noemen haar x, schreef een inhoudelijke, kritische respons op het artikel; ze wijst daarin op allerlei genderclichés bij Vissers. de Volkskrant wees het stuk echter af. Blijkbaar vonden ze de repliek op Vissers van Sytze van der Zee belangrijker voor het debat. He ja, liever nóg eens iemand uit de eigen journalistenkring aan het woord! Zo babbelt de Volkskrant maar door over de veronderstelde ‘feminisering’, niet gehinderd door enig inzicht in de werking van stereotypen.gatekeeping (2)

Gelukkig kende x mijn blog en stuurde ze haar stuk naar mij door, zodat deze zinnige kritiek u alsnog kan bereiken! Grappig weetje: de auteur (vrouwelijk), kreeg een Volkskrant-afwijzing met als aanhef, geachte heer  x.

(Naam auteur is bij Lezeres bekend.)

Vrouwelijk leiderschap: geen gezeur

Regelmatig verschijnen in de Nederlandse kranten bezorgde artikelen over de toenemende ‘feminisering’ van onze cultuur, steevast door mannen geschreven. Dat vrouwen de macht overnemen is empirisch makkelijk weerlegbaar, maar het mannelijk onbehagen over een oprukkende vrouwelijke dominantie is blijkbaar zeer hardnekkig.

In Willem Vissers’ stuk ‘De vrouw heerst’ (de Volkskrant, 20 augustus) lijkt sprake van een  tegenovergesteld sentiment. Naar aanleiding van het succes van vrouwelijke sporters op de Olympische Spelen schreef hij een ‘ode aan de feminisering’. Hij presenteert de sportsters als nieuwe leiders en brengt hen in verband met vrouwen die volgens hem steeds meer de dienst uitmaken in andere domeinen van de samenleving (politiek, literatuur, economie). Het twee pagina’s lange stuk wordt opgesierd door een fotocollage vol juichende en stralende vrouwen, gegoten in de vorm van het vrouwelijke Venusteken.

Toch spat ook van Vissers’ stuk het ongemak over de toenemende feminisering af. Vrouwen worden consequent op één hoop gegooid, alsof zij een homogene groep vormen die allerlei eigenschappen delen. Die gedeelde eigenschappen zijn niet toevallig de bekende clichés waarmee vrouwen klein worden gemaakt.

Voor Vissers is de leidende vrouw gelijk aan de winnende vrouw, die hij drie kerneigenschappen toedicht (corresponderend met zijn drie tussenkoppen): ‘lef’, ‘pijngrens’ en ‘oergevoel’. Lef tonen sportvrouwen volgens Vissers in hun trainingsaanpak: ‘Sharon van Rouwendaal, kampioene op de 10 kilometer in open water, legde haar lot in handen van een Franse trainer.’ Een dappere vrouw is dus een vrouw die de leiding uit handen durft te geven aan de man (want de trainers, dat realiseert Vissers zich ook, zijn vrijwel altijd mannen). Het lef van de vrouw schuilt zodoende in haar overgave – en daarin is zij beter dan de man. Zij is geen Yuri van Gelder die het gezag ter discussie stelt door te drinken of trainingen te missen, maar is altijd ‘geconcentreerd en serieus’. Kijk maar naar de volleybalvrouwen: ‘Ze zeurden niet om meer vrijheid. Ze trainden gewoon. Ze luisterden. Ze verdroegen pijn.’ Die onderworpenheid duidt Vissers als het teken van vrijheid: ‘In Iran mogen vrouwen niet eens naar het stadion’, maar ‘de westerse vrouw is ontbolsterd en vrij’. Vrijheid is blijkbaar hetzelfde als niet zeuren.

Behalve van het lef tot overgave is het succes van vrouwen het gevolg van een hoge pijngrens, Vissers’ tweede kerneigenschap: ‘Vrijwel alle trainers…roemden de volharding van de vrouwen, hun hoge pijngrens’. De vrouw die fysieke signalen negeert, en dus haar lichamelijkheid durft te onderwerpen aan het mannelijke gezag, kan deel uitmaken van de ‘harem’ (zijn term) van succesvolle vrouwen. Het is een oeroud cliché: lichamelijke en mentale zelfopoffering vormt de weg naar vrouwelijk succes.

Maar de gemeenplaatsen zijn nog niet op. Op economisch gebied, betoogt Vissers, krijgen vrouwen – ‘de kasbeheerders van het huishouden’ – ook steeds meer voet aan de grond in de wereld van banken en bedrijven. Dat ze toch vaak minder verdienen dan mannen komt vooral doordat ze vaak parttime werken, omdat ze ‘voor de kinderen willen zorgen’. Dat hangt samen met het ‘oergevoel’, Vissers’ derde kerneigenschap. Het oergevoel staat dus op gespannen voet met het lef tot overgave en daarmee het leiderschap. Maar ook hier blijkt de zwakte van de vrouw haar kracht: het uitdragen van ‘typisch vrouwelijk omschreven eigenschappen’ zoals kwetsbaarheid en zorgzaamheid is voor Vissers een vorm van durf.

Dat wij nog moeten wennen aan deze ‘nieuwe wereld’ van ‘winnende, leidende vrouwen’ blijkt volgens Vissers uit de commotie rondom Dafne Schippers die haar schoenen wegsmeet. Maar Schippers was geen winnaar: zij was een verliezer die zich niet beheerste. Precies daarom was er ophef. Want de samenleving vraagt beheerste, conformistische vrouwen. Is dat oprukkend vrouwelijk leiderschap? Eerder een hardnekkig genderstereotype.

Nog een noot van De Lezeres: zie de volgende linkjes voor meer voorbeelden van de wijze waarop de Volkskrant het debat over feminisering voert:

Max Pam: http://www.volkskrant.nl/opinie/man-is-als-ijsbeer-in-krimpend-territorium~a4246015/

Dirk-Jan van Baar: http://www.volkskrant.nl/opinie/vrouwen-rukken-overal-op-ook-richting-top~a4236447/

Jort Kelder: http://www.volkskrant.nl/opinie/tip-voor-kelder-probeer-de-vrouwtjes-wat-serieuzer-te-nemen~a4350033/

 

 

 

Anatomische les van De Lezeres: Vaderlands seksistisch sportcommentaar

De Olympische Spelen zijn aan de gang en dus kunnen we ‘s nachts opblijven voor kleiduifschieten, BMX’en, zwemmen en rennen. En voor seksistisch sportcommentaar. Dat blijft niet beperkt tot Huffington Post-lijstjes, met beschamende Amerikaanse voorvallen van sportvrouwen die als de-vrouw-van met een medaille worden gefeliciteerd of wiens sportsucces aan hun mannelijke coach wordt toegeschreven. Die buitenlandse incidenten zijn inmiddels in Nederland al eindeloos gerecycled, van Opzij tot NRC (en bij Belgische collega’s). Mooi dat er aanstoot aan wordt genomen, maar nu we het gesprek dan tóch geopend hebben over seksisme in sportverslaggeving, is het tijd om eens nader te onderzoeken hoe ook Nederlandse gerespecteerde journalisten over vrouwelijke atleten schrijven en spreken. Een goed moment kortom om mijn leesbril van mijn nachtkastje te pakken en de zaken in onze Vaderlandse media eens wat nader te analyseren. Een paar voorbeelden.

 

Vrouwelijke commentatoren – ‘ladies night’
Sportstudio’s zitten vaak vol met mannen en als er eens vrouwen aanschuiven dan gaat dat niet onopgemerkt voorbij. Han Lips wijdde zijn column in Het Parool aan de NOS Rio Live van 8 augustus: er kwamen niet alleen veel vrouwen in actie, ze zaten ook nog eens in de studio en ‘dus’ moest Lips wel kijken naar deze ‘ladies night’:

‘Antoinnette Scheulderman juichte op Twitter: ‘Vier lekkere wijven die op NPO1 zinnig over sport praten!’ Lips ging er dus eens goed voor zitten en keek naar sporten waar hij normaal niet voor thuis zou blijven. [nog steeds Lips aan het woord, die over zichzelf in de derde persoon praat – LdV]’

Hartstikke slim van Lips om zich in te dekken met een ja-maar-hullie-doen-het-zelf-ook, maar hij slaat daarmee natuurlijk de plank mis (zie ook ‘geciteerd racisme’). Het is duidelijk dat Lips bij voorbaat niet van plan is om de vrouwen serieus te nemen en van het zinnige commentaar, waar het Scheulderman om te doen was, krijgen we dan ook niks te lezen. Wat hij wél het vermelden waard vindt: dat Lobke Berkhout haar vriend op de tribune zag zitten en dat Fatima Moreira de Melo zich afvroeg ‘waarom de Koreaanse tegenstanders van Nederland allemaal dezelfde rode lippenstift op hadden’ – door Lips laatdunkend ‘een typische vrouwenopmerking’ genoemd. Dat Berkhout, vijfvoudig wereldkampioen zeilen, en Olympisch kampioen Moreira de Melo niets zinnigs over hun sport te zeggen hadden, dat nemen we natuurlijk voetstoots aan. Het zijn tenslotte vrouwen. Chapeau, Han we hangen niet aan je Lips, voor het reduceren van een avond inhoudelijk sportcommentaar tot je eigen emancipatiekramp bij het zien van louter vrouwen op televisie.

Vrouwen op televisie, een aanstootgevend beeld voor Han Lips (Beeld: NPO)

De publieke dissectie van Dafne Schippers
Het lichaam is voor sporters een belangrijk instrument en het is dan ook niet vreemd dat het bij sportevenementen onder een vergrootglas komt te liggen: is het in vorm, waar zit de kracht, waar de zwakke punten? Maar sport is meer dan alleen fysiek en spreken over een lichaam is niet waardevrij: zo toont onderzoek aan dat bij zwarte sporters er veel vaker over hun fysieke kracht wordt gesproken terwijl succes van witte sporters significant vaker wordt toegeschreven aan spelinzicht. En ook over vrouwelijke sportlichamen wordt er allesbehalve waardeneutraal geschreven. Waarom is het mannelijke lichaam een instrument dat getraind kan worden en kan slijten (zie bijvoorbeeld dit stuk over Epke Zonderland en zijn ‘lijf’) en worden vrouwelijke lichamen beoordeeld op hun schoonheid en vrouwelijkheid (zie bijvoorbeeld dit stuk over ‘buurmeisje’ Dafne Schippers en haar ‘kont’)?

Schippers lijkt één groot projectievlak voor mannelijke sportjournalisten, maar de grootste stroom commentaar over Schippers komt van één man: Wilfried de Jong. Naar eigen zeggen is De Jong ‘gefascineerd’ door Dafne Schippers. Herstel, door het lichaam van Dafne Schippers. Hij kan er maar niet over ophouden. Hij zou ‘wel een keer op haar rug willen zitten. Zij op topsnelheid, ik met mijn benen geklemd om haar middel’, schreef hij al eens. Krijgt u van deze fantasie ook lichte stalker-vibes?  Het wordt nog fraaier: De Jong heeft er zelfs een radioserie op radio 1 aan gewijd ‘De Anatomische Les van Dafne Schippers’, waarin hij Schippers elke dag (!) publiekelijk dissecteert. Luister maar even mee (klik op het hoofd van Wilfried de Jong):

klik op De Jong

Is je reactie nu ook ‘what the fuck did I just listen to’? Dat kan kloppen. Vrouwen en anatomische lessen zijn geen grappige combinatie. Het is waar, ‘anatomie’ kan gebruikt worden als metafoor van een diepgravende analyse, waarbij verschillende facetten van een fenomeen zorgvuldig worden geduid. In dit specifieke geval echter is het onderwerp letterlijk het lichaam van een levende persoon en is de anatomische les geen metafoor meer, maar precies dat wat De Jong in taal doet. Het lichaam wordt in losse delen opgedeeld, nog niet eens met de technische blik van een medicus overigens, maar met die van de erotisch geobsedeerde ‘sportjournalist’ Wilfried het Jongetje.

Geen erotisch cliché wordt geschuwd. Thema van bovenstaande uitzending is: ik-heb-er-geen-woorden-voor-maar-goh-wat-ben-je-een-lekker-ding, en daarmee sprint deze man van middelbare leeftijd uit het domein van de sportjournalistiek rechtstreeks naar dat van de puberpoëzie, mij achterlatend met oprispend maagzuur. Als De Jong had proberen te beschrijven waarom Dafne Schippers zo goed kan sprinten, had de taal hem allicht prima uitkomst geboden.

Andere uitzending: De Jong beschrijft de billen van Schippers, waarin hij zich uitput in het verzinnen van  synoniemen voor dit lichaamsdeel, waaronder ‘het is een volmaakte erotische halve cirkel’ (luister hier)

In weer een andere episode beschrijf De Jong beschrijft het kapsel van Schippers (‘heel veel model zit er misschien niet in’). De sliertjes haar worden getemd, om vervolgens uit het gareel te springen tijdens de sprint: ‘de blonde sliertjes schieten alle kanten op’.

Ook in deze beschrijvingen bedient De Jong zich dus van een (quasi-)poëtisch discours. Zelf benadrukt dat hij zo “lyrisch” wordt van Schippers. Eerst een vrouwelijke sporter reduceren tot een ‘lekker ding’, en dan een literaire saus van zogenaamde ‘gevoelslyriek’ eroverheen gieten, maakt het allemaal niet minder kwalijk. Mistig in de verte turen is géén excuus voor seksisme.

Als De Jong bewondering heeft voor het lichaam van Schippers, dan kan dat, als hij er een beetje opgewonden wordt, dan kan dat ook. Maar als sportjournalist heb je de verantwoordelijkheid om die gevoelens niet leidend te laten zijn. Of zoals Lindy West zegt in een column met adviezen voor niet-vieze sportjournalistiek over vrouwen: ‘It is OK to have sex feelings. Just watch where you’re spraying them.’ Ongewenst sex feelings over je heen gesprayd krijgen aan de bar is al erg genoeg, maar dan kun je naar de wc gaan en niet meer terugkomen. In deze situatie is dat onmogelijk. Met andere woorden: de relatie tussen Dafne Schippers en Wilfried de Jong is in de ‘anatomische les’ niet gelijk. Vergelijk dat ook eens met de oudere televisieserie van De Jong waarin hij met sporters op de massagetafel (m/v) over hun lichaam sprak. Een mooie serie was dat, precies omdat dáár de sporter zelf aan het woord kwam en het lijf dus net niet machteloos aan commentaar van anderen werd uitgeleverd.

https://i1.wp.com/scriptio.nl/Nieuwsbrief/1502/tulp1.jpg
Het object van deze anatomische les gaat niks terug zeggen

(Overigens: als je het zo graag over sportlichamen wil hebben, kijk dan eens naar deze selectie.)

Mannen en meisjes, bobbels en broekjes
Dat ook mannen slachtoffer zijn van een blik die zich meer op hun lichaam dan op hun prestaties richt, is dit jaar ook opgemerkt. Getuige strakker wordende sprintbroekjes en een artikel in Cosmopolitan met een fotoserie van de ‘beste bobbels’ van de Olympische Spelen.

Dat (sport)mannen moeten voldoen aan schoonheidsidealen en dat die zich vertalen in de manier waarop er naar hen gekeken wordt, is zeker waar. Maar dat doet weinig af aan grotere patronen van ongelijkheid. Een schoonspringer kan door een tijdelijke omkering van de gaze dan wel met zijn bobbel in de Cosmopolitan staan, de kans dat zijn succes aan zijn echtgenote wordt toegeschreven is gering. Onderzoek toont aan dat gebruikte genderstereotypen, die zowel voorschrijven hoe er over mannen als hoe er over vrouwen wordt gesproken, gunstig uitvallen voor mannen. Ze zijn sterk, dapper en slim, terwijl vrouwen worden aangekeken op hun schoonheid en hun huwelijkse status. Vrouwen zullen vaker in traditionele termen als ‘meisje’ en ‘lady’ worden aangesproken (zie boven), terwijl mannen met neutrale termen worden aangeduid. Eén artikel in de Cosmo gaat daar niets aan veranderen en zal het niveau van de sportjournalistiek over mannen niet omlaag halen. En belangrijker nog: zo’n incidentele omkering van de patronen maakt de sportjournalistiek over vrouwen niet inhoudelijker.

 

Lippenstift, beachvolleybal bikini’s en de geseksualiseerde blik
Tot slot nog even terug naar de ‘typische vrouwenopmerking’ van Moreira de Melo, die heus niet zo dom is als Lips hem voorstelt. Want inderdaad, waarom dragen vrouwen lippenstift als ze hockeyen? Of dragen ze gekapt turnhaar en bijpassende lipgloss of beachvolleybalbikini’s? Seksisme is ook in de presentatie van sporten verankerd en Moreira de Melo kaartte dat aan. En al helemaal in de manier waarop dat vervolgens in beeld wordt wordt gebracht. Zo liet onderzoek zien dat de televisiebeelden van het vrouwen beachvolleybal op de Spelen van 2004 aanmerkelijk veel shots van billen en borsten bevatte, wat, zo stellen de auteurs, ‘leaves viewers with lasting memories of players’ bodies rather than of memories of athleticism’.

The revolution will not be televised, or radiolized, zo veel is duidelijk.

 

Geciteerd racisme

‘Ze maken nog een paar negergrappen op die speciale toon van hoogopgeleide mensen die heel goed weten dat die niet door de beugel kunnen.’

Franca Treur, De woongroep (2014)

‘Waarom houden Nederlandse journalisten zo vast aan dat woord’, zo vroeg ik me in mijn kritiek op Sander van Walsum af. Ja, waarom? Zoals altijd begon ik bij het kraken van zo’n harde noot met #lekkertellen. Daarom heb ik het woord ‘neger’, ‘negerin’ en (o tempora) ‘dobberneger’ ingevoerd in de digitale krantenbank LexisNexis bij vier kranten (en omdat LexisNexis niet compleet is, nog eens gezocht op de krantensites zelf), gemeten vanaf januari 2016 tot heden (6 maanden dus).* Hier de uitslag:

  • De Telegraaf: 5 artikelen
  • Algemeen Dagblad: 5 artikelen
  • NRC Handelsblad: 20 artikelen
  • de Volkskrant: 33 artikelen

Dat is een opmerkelijk verschil – wie zo min mogelijk met deze terminologie geconfronteerd wil worden kan dus op basis van de cijfers beter een abonnement nemen op De Telegraaf dan de Volkskrant. Getallen zeggen echter niet alles. Want vooropgesteld: een flink aantal hits komen voort uit het feit dat de Volkskrant en NRC veel uitgebreider dan de andere twee kranten schrijven over het antiracismedebat in Nederland (zo was in de onderzochte periode het veranderde onderschrift-beleid in het Rijksmuseum een veelbesproken onderwerp).

Dat het onderwerp leeft blijkt ook al uit het feit dat de Volkskrant een verstandig redactioneel commentaar schreef met bruikbare inzichten over schadelijk taalgebruik; daarin verkondigde de redactie het woord ‘allochtoon’ voortaan te zullen gaan vermijden. En ook: ‘Andere besmette woorden (homofiel, neger) zijn tevens uit het vocabulaire van de redactie verdwenen.’ Tegelijkertijd verdedigde hoofdredacteur Philippe Remarque onlangs te vuur en te zwaard zijn NRC-collega’s die onder vuur waren kwamen liggen omdat ze een romancitaat waarin het woord ‘nigger’ voorkwam tot kop hadden verheven.

Via Remarque komen we tot de kern: veel – maar overigens niet al! – het racistische taalgebruik in de artikelen is geciteerd racisme. Is echter dankzij de aanhalingstekens het probleem van tafel?

Dat ligt complexer. Ik ben daarom eens voorbij de getallen gegaan en heb in de hits gezocht naar de manieren waarop in NRC en de Volkskrant dit woord gebezigd wordt. Voor het overzicht ga ik eerst in op de opiniërende stukken (er komen 4 patronen aan bod), daarna zeg ik kort nog iets over de journalistieke berichtgeving. In wat volgt, zal ik zelf ook de citaten opnemen. Het is geen vreugdevolle lectuur, maar ik heb besloten dat wel te doen, omdat juist de veelheid van het materiaal kan laten zien hoe wijdverbreid dit is en van welke patronen er dus sprake is.

Geciteerd racisme in opiniërende artikelen

De grote verschillen tussen de Volkskrant en NRC enerzijds en De Telegraaf en Algemeen Dagblad anderzijds vallen voor een substantieel toe te schrijven aan de columnistiek. Hier zij overigens opgemerkt dat er in de hits zeker columnisten waren die zich op consciëntieuze wijze van problematische termen bedienden, bijvoorbeeld omdat ze werkelijk inhoudelijk iets wilden zeggen over racistisch taalgebruik (Jutta Chorus bijvoorbeeld, in de column ‘Racisme is altijd maar een grapje’).

Vaak echter lijkt er eerder van een ‘poging tot humor’ of juist tot een claim op onschuld sprake te zijn. Ik heb getracht 4 patronen te identificeren in de manier waarop opiniemakers in NRC en de Volkskrant dit woord inzetten.

Patroon 1: Vroeger kon je het nog zeggen

 Ooit was het een veel gebezigd woord, nu is het woord niet langer geaccepteerd (zie het al eerder genoemde redactionele commentaar van de Volkskrant of deze column van woord-deskundige Ewoud Sanders in NRC). Het vergt tijd voordat die verschoven norm ook bij iedereen tot praktijk is geworden, maar het is 2016 en de vraag is hoe vaak het columnisten-leger nog gaat opmerken dat vroeger de zaken anders lagen dan nu. Met andere woorden: dat het verschil tussen vroeger en nu onophoudelijk herontdekt lijkt te kunnen worden, lijkt behalve een teken van ideeën-armoede toch vooral een manier om het woord in circulatie te houden. Enkele voorbeelden:

  • ‘Bob (was) erg donker, ja, hij zag er zelfs uit als wat toen een “neger” heette.’ [1]
  • ‘Seedorf is een mooi mens. Een eindredacteur van de krant en ik hebben het sinds we samenwerken over “de grootste neger ooit”. Dat is hij natuurlijk niet en we weten dat het woord neger, hoewel het gewoon in Van Dale staat, tegenwoordig een negatieve connotatie heeft, onder meer door verwijzingen naar de slavernij.’ [2]
  • ‘Als politieke correctheid zich met ons taalgebruik bemoeit, ondervinden we daar hinder van. Vooral voor publicisten is het er niet makkelijker op geworden. Wanneer je vroeger een neger beschreef, mocht je volstaan met “neger” en wist iedereen wat je bedoelde. Nu moet hij met “zwart(e)” worden aangeduid, wat onduidelijker is omdat het ook “zwartharig: kan betekenen.’ [3]
  • ‘Een goed geschapen zwarte vrouw – zo’n vrouw die vroeger nog ongestraft negerin werd genoemd – zit naakt met geloken ogen op een verhoging’ [4]
  • ‘Zet een negerin op een reclameposter en half Nederland is ziedend. Zet er géén negerin op en ze zijn ook ziedend. Schrijf negerin en ze zijn ziedend’ [5]

In het laatste citaat zit geen directe verwijzing naar vroeger, maar in de context van de column past dit citaat heel goed binnen het patroon, want die column draait om een veronderstelde verregaande vertrutting van Nederland ten opzichte van ‘vroeger’, toen we ons nog niet zo druk maakten. 

Patroon 2: Nostalgisch racisme citeren

In het verlengde van voorgaande patroon ‘vroeger kon je het nog zeggen’: nostalgisch oude boeken doorbladeren.

  • Naar aanleiding van een racistische reclame in China begon een brievenschrijver in een brief getiteld ‘Negertje Flop’ totaal ongerelateerd heerlijk te mijmeren over Pa Pinkelman, waar de briefschrijver nog steeds ‘fan’ van is. [6] Met genoegen werd de inhoud van een racistisch stripje uit de jaren vijftig nog eens naverteld, zonder dat er enige conclusie werd getrokken of sprake was van voortschrijdend inzicht.
  • Op een soortgelijke manier als deze brievenschrijver was columnist Sylvia Witteman heerlijk aan het bladeren in een oude Kijk en zie eens wat er daar stond: ‘De tekst bleek hier en daar wat… ouderwets (“Negers blijken geen hoger IQ te hebben naarmate ze méér blank bloed in hun aderen hebben”) maar toch nog steeds goed leesbaar.’ [7]

Patroon 3: Weet je wie pas racistisch zijn? Mensen die De Telegraaf lezen!

Een vaste columnvorm onder Nederlandse columnisten is het opvoeren van een fictief gesprekje. Het zijn deze fictieve figuren die dan vervolgens racistische taal uitslaan. Dat zijn, als het om racisme gaat, opvallend vaak lager opgeleiden.

  • Een column waarin politieagenten werden opgevoerd die zogenaamd, vanwege het Typhoon-debacle, haastig geleerd kregen om niet raciaal te profileren. Een nogal wezenlijk onderwerp, maar de columnist Kuitenbrouwer vond het blijkbaar vooral een goed moment eens flink raillerend tekeer te gaan en eindigde met het volgende humoristisch bedoeld dialoogje tussen instructeur en politie-agent: ‘Wat zien wij hier?’ ‘Een skiënde neger?’ ‘Precies. Ik dank u wel.’[8]
  • In een recente column voert Youp van ‘t Hek een evident fictieve ‘goede Turkse vriend’ op, iemand die op een politiek incorrecte manier spreekt maar een hartje van goud heeft. In de column gaat dat als volgt: ‘Erol zei meteen dat hij weet dat het woord neger ook niet meer mag, maar dat elke mongool een neger gewoon een neger noemt. Vandaar. Hij wilde voortaan best zeggen dat mensen met een verstandelijke beperking nooit oerwoudgeluiden maken naar mensen met een donkere huidskleur. Dat is politiek volkomen correct, maar het is een nogal brede zin die niet lekker je mond verlaat en het klopt niet. Mensen met een verstandelijke beperking doen dat namelijk wel in een voetbalstadion. Mongooltjes doen dat niet.’ [9]

Patroon 4: Als je de denkfout van racisten typeert, kun je het woord zelfs zonder aanhalingstekens gebruiken

  • In een column over islamfobie van Jonathan van het Reve werd de denkfout van racisten als volgt samengevat: ‘precies zoals racisten eraan voorbij gaan dat niet elke neger of jood hetzelfde karakter heeft.’ [10]
  • Nog een column over de aanhouding van Typhoon en de racistische reacties die dit weer opriep. Eerst gebruikt Arnon Grunberg het woord ‘neger’ nog met aanhalingstekens, maar ten slotte doet hij een voorstel waarin de term gebruikt wordt in de Swiftiaanse satirische trant van a modest proposal: ‘Laten we om te beginnen de A2 neger-, moslim- en Jodenvrij maken. Daarna volgen de andere snelwegen.’ [11]

Geciteerd racisme in journalistieke berichtgeving

Ten slotte: ingewikkeld vind ik journalistieke berichtgevingen over racistische incidenten, waar door de journalist zelf omstandig racistische uitspraken van derden geciteerd worden. Dat wordt vaak gedaan om te laten zien hoe ‘schokkend’ en ‘erg’ de uitspraken zijn, en ik zie wel in dat het soms van belang is écht het talige geweld te laten zien. Wel lijkt het me goed om bij ieder geval opnieuw de vraag te stellen wat citeren toevoegt – je zou op de redactie ook kunnen afspreken dat het bijvoorbeeld volstaat te melden dat Sylvana Simons vele racistische opmerkingen te verduren kreeg op social media zonder die opmerkingen zelf ook nog eens uitgebreid te citeren. Via het citaat blijven die uitspraken immers circuleren, wordt Simons nóg eens onderworpen aan gewelddadig taalgebruik.

Enfin, deze kwestie lijkt enigszins op de vraag hoe je omgaat met gewelddadige foto’s, en een eenduidige richtlijn is hier misschien niet te geven, of zal van geval tot geval verschillen. Persoonlijk zou ik het van een goede journalistieke ethiek vinden getuigen als de kranten in gesprek zijn met de personen die de afgelopen jaren slachtoffer zijn geweest van massale racistische scheldpartijen en hún positie (het gescheld wel of niet citeren) hierin leidend laten zijn.

Te gemakkelijk wordt vergeten dat ook degene die citeert een verantwoordelijkheid draagt. Het feit dat iemand anders ‘begon’, om het in schoolpleintaal uit te drukken, is niet altijd een excuus. De aanhalingstekens maken het uiteraard anders dan als je zelf heel direct de term in de mond neemt, maar daarmee ligt er nog steeds de verantwoordelijkheid heel zorgvuldig af te wegen of het citaat werkelijk nodig is.

 

* deze getallen zijn indicatief maar niet heel hard. LexisNexis mist ook artikelen als je op zoekwoord zoekt, evenals de krantensites zelf.

[1] Sylvia Witteman, ‘Bob en Daphne’, de Volkskrant, 28 mei 2016

[2] Willem Vissers, de Volkskrant, 25 januari 2016

[3] Frits Abrahams, ‘Juffrouw’, NRC Handelsblad, 15 maart 2016

[4] Frits Abrahams, ‘Zwarte, blote borsten’, NRC Handelsblad, 21 juni 2016

[5] Christiaan Weijts, ‘De Islam, de paashaas en tietjes’, NRC Handelsblad, 17 maart 2015

[6] Geachte redactie, de Volkskrant, 4 juni 2016

[7] Sylvia Witteman, ‘OQ een IQ’, de Volkskrant, 21 mei 2016

[8] Jan Kuitenbrouwer, ‘Huurmoordenaar in Canta’, NRC Handelsblad, 25 juni 2016

[9] Youp van ’t Hek, ‘Verstandelijk beperkt’, NRC Handelsblad, 30 april 2016

[10] Jonathan van ’t Reve, ‘Islamofobie: onzinnig begrip’, de Volkskrant, 14 mei 2016

[11] Arnon Grunberg, ‘Voetnoot’, de Volkskrant, 2 juni 2016

Zes maanden #lekkertellen: het overzicht

Lieve lezeressen en lezers,

U wordt in de boekenbijlagen al enige weken om de oren geslagen met leestips voor de vakantie. Ook ik heb mijn praktische fleecetrui uit de kast gehaald en de fietstassen ingeladen: summer is here! Ik turf en tel natuurlijk wel trouw door deze zomer, want van wekenlang voor de tent sudoku’s invullen wordt een mens ook niet vlugger. De wekelijkse blogposts over de cijfers komen echter na de zomer weer (mijn favoriete natuurcampings hebben geen wifi).

Fig. 1 In de zomer sluit De Lezeres de tent
Fig. 1 In de zomer sluit De Lezeres de tent

Maar voordat het zomerreces werkelijk begint, terug naar de basis: #lekkertellen 2016, eerste semester. Voor iedereen die denkt dat het wel meevalt heb ik hier de harde cijfers van de afgelopen 6 maanden nog even voor u op een rijtje gezet. Tip: bestudeer ze met een olijke sombrero op en een margarita in de hand, dat helpt om de stemming goed te houden, want de cijfers gaan dat niet doen.

U kent me ondertussen en weet hoeveel ik van orde hou: daarom eerst een klassement met het aantal besproken vrouwen (A). Daarbij alvast opgemerkt: naar schatting is ⅓ van alle uitgegeven auteurs vrouw (ik heb dit nog niet #gelekkerteld). Stelt u zich op het wat Droogstoppelige standpunt dat boekenbijlages geen enkele rol te vervullen hebben in het verbeteren van de positie van de vrouwelijke auteur en slechts ‘de markt’ hoeven te volgen, dan zou je een boekenbijlage die rond de 33% vrouwen bespreekt representatief kunnen noemen. Laat mij u alvast verklappen dat slechts 2 boekenbijlages daarbij in de buurt komen.

Vervolgens een ranglijst van de boekenbijlages met de minste en de meeste vrouwelijke recensenten (B).

A. Percentage / aantallen besproken vrouwelijke auteurs

Een handzame grafiek

LdV_lekkertellen24_aut

Uitleg bij de handzame grafiek

8. Amsterdam is een stad gebouwd op palen…

en bij Het Parool is gemiddeld 80% van de besproken auteurs man en 20% vrouw. Opmerkelijk genoeg haalde het katern in de week met 100% mannelijke recensenten ook het hoogste percentage besproken vrouwen: 43%. Return of the repressed? Er zijn twee weken geweest zonder besproken vrouwen, het omgekeerde (dus geen mannen besproken) kwam niet voor.

7. de Volkskrant houdt van overzichtelijke cijfers…

maar mooi zijn ze niet. Over het geheel gezien was in dit katern drie vierde (75%) van de auteurs man en één vierde (25%) vrouw. Onder de besproken titels van vrouwelijke auteurs telde ik bovengemiddeld vaak thrillers, kinderboeken en zo nu en dan een dieet- of lifestyleboek. Niks mis met zulke genres, maar het betekent wel dat vrouwen in de categorieën literatuur en wetenschap nog sterker ondervertegenwoordigd zijn.Ook wanneer je de aandacht meet in kolommen krijgen mannen veel meer ruimte. De grote interviews, de recensies van een of meer pagina’s, het zijn zelden vrouwen die deze ereplaatsen binnen het katern bezetten. Regelmatig moest ik doorbladeren tot aan de rubriek ‘Kort & goed (of niet)’ voordat ik de eerste vrouw tegenkwam. In de rubriek ‘Signalementen’ was de verhouding vaak 7-1. In goeie weken 6-2. Maar nooit, nooit eens andersom.Laat mij u tot slot verklappen dat de Volkskrant een keer een hele bijlage wijdde aan de geboortedag van Gerard Reve én eentje aan de mannelijke lezer. Verrassende keuzes.

5/6. Vrij Nederland en NRC Handelsblad

In de afgelopen 24 weken heeft Vrij Nederland 9 (negen) edities gehad zonder besproken vrouwen…  Bij alle kleinere redacties (De Groene, Het Parool, De Morgen en De Standaard) komt dat wel eens voor (geen excuus overigens, want omgekeerd hebben ze nooit edities zonder mannen), maar VN is de koning van de bowlingbaan met deze strikes. Ik hield het niet systematisch bij, maar durf mijn leesbril erom te verwedden dat ook de speciale avondjes discobowlen met de Grote Drie de club van VN verdomd goed af zouden gaan. Het aantal besproken vrouwen na 6 maanden is 26%. Bekijk je het per week, dan valt op dat met een kleine redactie de percentages nogal schommelen, en zodoende is VN ook het enig blad dat drie keer een nummer had met meer besproken vrouwen (67%). Ga ik nu iets aardigs zeggen? Ik kijk in mijn margarita en bedenk: niet zo een royale compensatie voor gemiddeld 93% mannelijke recensenten (zie hieronder).

ldv_grotedriebowlen

 

Ook bij NRC Handelsblad was slechts 26% van de besproken boeken van een vrouw. Tsja, wat moeten we zeggen over deze bijlage door en voor de leden van het geheime Karel van het Reve-adoratiegenootschap?

4. De Groene Amsterdammer is een matige middenmoter

Gemiddeld aandeel boeken geschreven door een vrouw: 28%. Maar gelijkmatig over de issues verdeeld is dat niet, meer dan de helft van de edities (13 van de 24) werd er geen of slechts één boek van een vrouwelijke auteur besproken: 6 van de 24 weken werd er geen enkel boek geschreven door een vrouw besproken, en nog eens zeven van de 24 weken slechts één.

3. De Standaard bleef in de plooi

Het was een terugkerende deceptie bij De Standaard: waren de vrouwen stevig vertegenwoordigd bij het schrijven van de kritieken (zie verderop), lieten ze het bij de vrouwelijke auteurs nogal eens afweten. Maar liefst drie keer stonden er nul vrouwen op de teller, nog eens drie keer bleef het percentage onder de 20%. Wel zat er drie keer een score in de 50’s tussen, maar gemiddeld schoot de mv-verdeling echter terug in de hardnekkige 70/30-plooi: 29% van de besproken auteurs was vrouw, wat betekent dat 71% man was.

2. De Morgen geeft minder dan ⅓ van de taart aan vrouwen

30% van de besproken boeken was van een vrouwelijke auteur. Opmerkelijk genoeg is De Morgen daarmee de een na hoogste wat betreft besproken vrouwen (terwijl ze zoals straks zal blijken de een na laatste zijn in het klassement wat betreft vrouwelijke recensenten). Dat is natuurlijk nogal relatief met die 30%. Bovendien zijn het vrijwel altijd kleinere recensies, of (nog kleinere) signalementen. En af en toe een groot (openings)stuk over een boek van een vrouw, met steevast een aantrekkelijke auteursfoto erbij.

1. En de winnaar is Trouw

Trouw leek vooral in de maanden april en mei het goede voorbeeld te gaan geven. De aantallen vrouwelijke schrijvers en mannelijke schrijvers lagen vaak niet ver uiteen, hoewel er toch altijd wel iets meer mannelijke schrijvers werden besproken. In het katern van 28 mei werden voor een keer meer vrouwelijke dan mannelijke schrijvers besproken (12-9) door bovendien meer vrouwelijke recensenten dan mannelijke (11-8). Trouw bewees daarmee: het kan dus gewoon wel — maar dit was in deze gehele periode #lekkertellen wel het enige bewijsstuk dat ik hiervan verzamelde.Helaas zakte het dagblad daarna af met als dieptepunt de bijlage van 25 juni waarin, afgezien van twee (!) signalementen maar 1 boek van een vrouwelijk auteur werd besproken. De verdeling onder de besproken auteurs kwam zo in totaal uit op 63% man en 37% vrouw.

B. Percentage / aantallen vrouwelijke critici in de boekenbijlages

Nog een handzame grafiek

LdV_lekkertellen24_rec

Uitleg bij de handzame grafiek

8. Vrij Nederland negeert dapper de 21e eeuw

De hekkensluiter is Vrij Nederland. Uithoudingsvermogen kun je ze niet ontzeggen, want Carel Peeters zit er al sinds 1973 (negentiendrieënzeventig) en die tovert nog steeds elke week getrouw één of meerdere boeken van mannen achter zijn oor vandaan. Omdat de bijlage zo klein is en ook Jeroen Vullings als vaste medewerker heeft, bungelde VN consequent onderaan het lijstje. Gedurende de gehele #lekkertellen-periode bevatte het tijdschrift gemiddeld 93% mannelijke recensenten. In 19 van de 23 nummers schreef geen enkele vrouw over literatuur.

7. De Morgen is uit evenwicht

Interessant: De Morgen bespreekt relatief veel vrouwelijke auteurs, maar slechts 13% van de bijdragen werd door vrouwen geschreven. Ik schrijf expres ‘bijdragen’, omdat het hier niet alleen over recensies gaat. Het leeuwendeel van deze werd ingevlogen voor de rubriek op de achterkant van de boekenbijlage, waarin een schrijver wordt gevraagd iets te vertellen over een bewonderde andere schrijver. Of vrouwen schreven de kleinere recensies. 16 van de 24 weken was geen enkel of slechts één stuk van de hand van een vrouw. Feels like 1973 to me. De Morgen zit in hetzelfde concern als de Volkskrant, en neemt zeer regelmatig stukken van ze over voor hun boekenbijlage, steevast stukken van de hand van een man. Kan dat anders, vraag ik mij dan af. Wat zich hier wreekt, is dat bij de Volkskrant vrouwen óók in de regel niet de grote stukken schrijven. Dat probleem is groter dan De Morgen alleen, zoals we ook zullen zien bij de volgende publicatie in dit rijtje.

6. Het Parool blijft een mannenreservaat

Deze bijage is vrij consequent: alleen week 17 was een glorieuze uitschieter met 57% besprekende vrouwen, maar verder zit de boekenbijlage trouw rond het droevige gemiddelde van 76% besprekende mannen en 24% vrouwen. Verder doet Het Parool aan strikte arbeidsdeling: vrouwen schrijven voornamelijk kleinere recensies over poëzie en kinderboeken, de mannen doen de grotere artikelen over alle overige genres. En nu is de  kinderboekenrubriek sinds kort ook nog opgeheven, dus de vraag is of Het Parool de komende tijd af zal zakken richting Vrij Nederland-percentages — of zullen ze wat betreft de genderverhoudingen eindelijk door hun puberteit heengroeien richting volwassenheid? Het blijft spannend.

5. Groei in De Groene?

Bij De Groene was het gemiddeld aandeel schrijvende vrouwen 29%. Vijf van de 24 weken schreef er geen enkele vrouw voor de Groene. Er was niet één week waarin er meer vrouwen dan mannen boeken recenseerden; zes edities hebben een 50/50-verdeling. Zulke uitschieters (dan weer nul, dan weer 50/50) krijg je natuurlijk al snel binnen zo’n klein katern, maar het blijft jammer dat de 50/50 nooit overschreden wordt. Hoeraatje: wel nieuwe vrouwelijke critici gespot de afgelopen maanden, en ze gaven mijn leesbril de ruimte.

4. NRC lijkt ook koers te wijzigen…

In het midden van het klassement de NRC, krant voor gepensioneerde artsen en anderen. Dat heeft een van de grootste bijlagen die ik heb geteld en 30% van de recensies werd door een vrouw geschreven. De krant kreeg er in de eerste editie van #lekkertellen meteen flink van langs: ik had nogal wat rode wijn nodig om de treurige getallen weg te spoelen: 7% van de recensies waren van een vrouw. Dra gloorde er hoop: er doken recensies op van nieuwe critici, onder meer de auteurs Roos van Rijswijk en Shira Keller. Ook Niña Weijers kreeg de ruimte: zij mocht Chris Kraus interviewen. En: NRC sloeg zelf aan het #lekkertellen (zie dit artikel over literaire prijzen) en wijdde een stuk aan de vraag wat er zou veranderen als meer vrouwelijke critici zouden zijn. Wel nog met de nadruk op “zou”: vooralsnog bleven de heren week na week ruimschoots in de meerderheid. Dat komt ook omdat het non-fictiedeel van de bijlage grotendeels door heren wordt volgepend.

3. de Volkskrant doet u de groeten

Bij de Volkskrant was twee derde (67%) van de recensenten man en één derde (33%) vrouw. Wat wel mooi is: de Volkskrant heeft in een boekenbijlage nooit minder dan drie vrouwelijke recensenten gehad. Nou ja, mooi… Andersom waren er per bijlage nooit minder dan acht mannelijke recensenten, die bovendien bijna altijd grotere stukken schreven dan de vrouwen.

2. Trouw: niet bang voor evenwicht

Trouw geeft het goede voorbeeld (het rijmt niet voor niets op ‘vrouw’, merkte ik al eerder op) en zit wat betreft recensenten bijijijna op 50-50: over de hele periode genomen 54% man en 46% vrouw. Bovendien zat Trouw geen enkele keer onder 30% vrouwelijke recensenten, een percentage dat andere kranten met moeite halen als maximum!

1. De Winnaar: De Standaard!

Maar de meest gelijkwaardige verhouding vinden we bij De Standaard: 53% van de recensenten is man, 47% is vrouw. Die verdeling was geen wekelijkse wetmatigheid, de fluctuaties waren groot. Zo was er een week waarin de hele bijlage werd volgeschreven door mannen, maar daar stonden dan weer zes weken tegenover waarin de vertrouwde 70/30-verhouding in het voordeel van de vrouwelijke critici uitviel. De Standaard der Letteren werd dan ook gaandeweg dit semester mijn hoop in bange dagen: in deze boekenbijlage bleek het geen uitzondering dat een vrouwelijke recensent als Kathy Mathys of Marijke Arijs het openingsstuk schrijft, en meer dan eens turfde ik meer dan twee grote stukken van vrouwelijke hand – bijvoorbeeld van Maria Vlaar, Veerle Beel, Vanessa Joosen of Katrien Steyaert – achter elkaar.

 

De carrousel van de goede bedoelingen: Sander van Walsum

Sander van Walsum schreef dit weekend in de Volkskrant een veelbesproken stuk over de vertwijfeling waaraan hij als witte man van midden vijftig ten prooi is gevallen, nu het racisme-debat zo hoog oplaait. Van Walsum gaat onder meer in op White Innocence van Gloria Wekker, die betoogt dat Nederland in de koloniale tijd een feliciterend zelfbeeld heeft ontwikkeld dat we ook na de koloniale periode nooit echt hebben losgelaten.

Het stuk van Van Walsum verscheen niet toevallig rond 1 juli, de dag waarop we als Nederland de afschaffing van de slavernij gedenken. Hij stelt in zijn stuk twee herdenkingen tegenover elkaar: 4 mei en 1 juli, en beweert dat de groepen die deelnemen aan deze herdenkingen weinig tot niets met elkaar te maken hebben:

Zo maakt het feit dat bij de Nationale Dodenherdenking per se kinderen van ‘zwarte scholen’ moeten opdraven op mij een nogal geforceerde indruk. Omgekeerd heb ik tot dusverre nooit de behoefte gevoeld om een bijeenkomst bij het Nationaal Monument Slavernijverleden bij te wonen. Dat zou een betrokkenheid – of schuldgevoel – vereisen waaraan het mij simpelweg ontbreekt.

Hier knipt Van Walsum op een dubieuze manier de samenleving op in twee groepen. Zoals de naam al zegt, is de Nationale Dodenherdenking een nationale aangelegenheid. Dat betekent dat eenieder die onderdeel is van onze natie bij die herdenking betrokken kan worden, ongeacht huidskleur of herkomst van de ouders. Ik kwam zelf uit een (overigens witte) klas waar helemaal niemand direct geraakt was door de oorlog: geen kinderen van oorlogsslachtoffers en geen kinderen van collaborateurs. Tóch leerden wij dat het belangrijk was om deel te nemen aan 4 mei. Als het goed is kweek je immers bij iedere nieuwe generatie de bereidheid om zich verantwoordelijk te voelen voor de collectieve daad van het herinneren. Daar is omgekeerd een samenleving voor nodig die állen gelijkelijk op die verantwoordelijkheid aanspreekt.

Misschien heb ik het destijds allemaal verkeerd begrepen, maar gedenken op 4 mei heeft volgens mij alleen zin als je moeilijke kwesties niet uit de weg gaat, zoals de nogal beschamende rol van Nederland in de Jodenvervolging. Waartoe dient stilstaan als je niet bereid bent na te denken over welke Nederlandse structuren en mentaliteiten deze tragedie toen mede mogelijk maakten? En hoe kwalijk zou het zijn om die zelfkritische reflex alleen aan witte kinderen over te dragen, omdat het “geforceerd” zou zijn er “zwarte scholen” (wat dat overigens ook moge wezen) bij te betrekken!

Ook in het Nationaal Monument Slavernijverleden zit het woordje “Nationaal” verborgen. Ik zie niet in wat hier het verschil is met 4 mei: het zijn toch beide beladen hoofdstukken uit de Nederlandse geschiedenis? Of het nu de Tweede Wereldoorlog of het koloniale verleden is, de bereidheid te aanvaarden dat er een collectief gedeelde verantwoordelijkheid is om ons een pijnlijk verleden te blijven herinneren is identiek.

Maar daar zit bij Van Walsum nu net de crux. Omdat hij weigert die collectieve verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het één, maakt hij van de weeromstuit van 4 mei ook een herdenking die alleen “bepaalde” groepen aangaat. Alsof het onmogelijk zou zijn een nationale collectieve herinneringscultuur te creëren waar voor beide geschiedenissen ruimte zou zijn.

Een retorische tweedeling

Dit creëren van een tweedeling gebeurt ook in het begin van het stuk, waarin Van Walsum kwistig het woord “neger” rondstrooit. Daarmee sluit hij retorisch precies die mensen buiten die – overigens al decennialang – in niet mis te staan bewoordingen hebben laten weten van dat woord absoluut niet gediend te zijn. Zij worden geacht dit woord tóch maar weer te slikken en door te lezen, en zo niet dan staan ze als lezers buiten de deur. Waarom houden Nederlandse journalisten als Van Walsum (maar ook Sylvia Witteman, Frits Abrahams en Youp van ’t Hek, en ongetwijfeld nog vele anderen) zo vast aan dat woord? Omdat ze zo blind overtuigd zijn van hun eigen goede bedoelingen, beschouwen ze het doen van fundamenteel racistische uitspraken juist als bewijs van het ontbreken van racisme? Ik had dit niet kunnen zeggen als ik het niet, uiteindelijk, goed bedoel. Ondertussen laat je als schrijver aan een segment van je lezers direct weten dat je ze compleet negeert, omdat je hun bezwaren tegen het woord (dat inhoudelijk niets toevoegt aan je stuk) terzijde schuift.

Dat Van Walsum niet wenst te onderkennen dat zonder fel activisme het racisme van Zwarte Piet nog altijd in de blinde vlek was blijven zitten, is eveneens symptomatisch. Feitelijk troost hij zichzelf met de gedachte dat witte Nederlanders heus niet ziende blind waren, en heus niet al te arrogant dachten: ik zie het probleem niet, dus is er geen probleem. Zo wordt dus ontkend dat het heel lang genegeerde ándere perspectief cruciaal is geweest om Nederland te doen inzien dat deze figuur moet veranderen.

Hij maakt bovendien zijn eigen “onschuldige” jeugdherinnering tot hét nationale verhaal – alsof er niet allerlei mannen van zijn leeftijd zijn die tegenovergestelde herinneringen hebben aan het Sinterklaasfeest en vooral aan de racistische grappen die ze dankzij Zwarte Piet hebben moeten verduren. Waarom vertegenwoordigt zijn herinnering een “nationale” en “collectieve” herinnering en is daarin geen enkele ruimte voor de kindertijd-herinnering van die mensen die toen al voor Zwarte Piet werden uitgescholden?

Van Walsum slaat daarnaast het antiracistisch activisme uit de jaren tachtig en negentig volledig over, activisme dat toch van mede-Nederlanders kwam en net zo goed onderdeel is van ons collectieve verleden als Van Walsums herinneringen. Als er dan toch aan journalistieke zelfkritiek gedaan moet worden, dan ben ik eerlijk gezegd nieuwsgieriger naar hoe hij nu terugkijkt op zijn handelen als journalist in de jaren tachtig en negentig, dan zijn sentimentele verslag van een kindertijd waar hij nog over het kroeshaar van de ‘goedlachse’ George uit Tanzania mocht aaien.

Goede bedoelingen?

Ten slotte dit. Er zit een grote tegenstrijdigheid in het hele stuk. Ja, zegt Van Walsum, nu ik Wekker gelezen heb, zie ik wel dat het goede-bedoelingen-denken waarmee ik ben opgegroeid door en door paternalistisch en dus racistisch was. Echter: door de worsteling  van zijn generatie, van “de samenleving waarin ik ben opgegroeid” (alsof die samenleving toen een homogeen geheel was…) zo centraal te stellen wordt wederom het goede-bedoelingen-denken nieuw leven in geblazen, van de vijftiger Van Walsum in het heden dit keer. Immers: wie bezwaar aantekent tegen zijn woordgebruik en retoriek is af, omdat die lezer niet bereid zou zijn om de auteur een beetje krediet te geven. Zien we dan niet dat hij het goed bedoelt? En zo wordt er dus lippendienst bewezen aan de analyse van Wekker, om vervolgens de relatie tussen tekst en lezer precies te baseren op de “goede intenties van de witte man” waar Wekker haar kritische analyse op heeft gericht. Noem me een party pooper, ik vind niet dat we in het anti-racisme debat zo bijzonder veel progressie boeken.

 

Seks, macht en misbruik in literatuur: #nietzolekkertellen week 23

De week in cijfers

#lekkertellen week 25 (23)

Lieve lezeressen en lezers!

Was ik vorige week op zoek naar emoties, kwam ik zonder het vooraf te vermoeden uit bij seks. Deze week wilde ik het hebben over de manier waarop de boekenbijlages over seks schrijven, maar dat bleek een wat naïeve keuze. Het gaat dan al snel (alhoewel niet uitsluitend) over wat in onze samenleving nog altijd taboe is: seksueel geweld, incest. U treft mij dus in een ernstige bui deze week.

Vooraf dit: als het over dit precaire onderwerp gaat, leeft er vaak een nogal positieve kijk op de rol van de literatuur. Literatuur zou helpen om stem te geven aan dat wat anders stemloos zou blijven. Daar heb ik soms zo mijn twijfels bij. We raken hier aan de moeilijke vraag: wat is de verhouding tussen enerzijds esthetische vormgeving (al dan niet in een verhaal) en anderzijds dat wat traumatisch is? En dan heb ik het niet alleen over traumatisch op het niveau van het individu, maar op het niveau van een samenleving. Zoiets complex laat zich vaak niet eenvoudig met een verhaal of in esthetische vorm “rond” maken.

Kortom: een verhaal vertellen wordt vaak gezien als manier om het slachtoffer “stem” te geven, om iets dat in de taboesfeer zat kenbaar te maken. En die functie kan een verhaal zeker hebben. Maar het lastige is dat een verhaal ook “rondheid” suggereert: als iets dat zich laat vangen door een begin, midden en een einde. En het is precies die precaire spanning die de rol van kunst vaak zo lastig maakt, want verhalen (of, in bredere zin, vormen van esthetisering) kunnen juist ook problemen verhullen. Omdat alles wat niet “in” de verhaalvorm of het esthetische beeld past, alles wat er onaf en rafelig aan is, zo onzichtbaar dreigt te worden.

Ik begon hierover te denken door De Morgen, die gekozen heeft voor een ingewikkeld coverbeeld, dat gaandeweg de boekenbijlage een steeds sterkere associatie krijgt. Laten we bij het begin beginnen. ‘Het tijdperk van de vaders is afgelopen’, koppen witte letters in een groot zwart vlak, die de aandacht trekken nog voordat mijn oog valt op de billen en rug van een mannenlichaam. Door een streep licht steekt het naakte lijf af tegen een bakstenen muur, die onwillekeurig associaties oproept met een kelder. Benen en hoofd zijn onzichtbaar in het duister. Waar gaat die hand naartoe, vraag ik me af? Wie of wat bevindt zich daar in het donker? De foto blijkt van de Vlaamse fotografe Alessandra Ruyten, die de polaroid op haar Facebook-pagina heeft geplaatst met het bijschrift ‘a friend in the dark’. Een titel die iets lugubers krijgt wanneer je ziet op welk boek het omslagbeeld in eerste instantie betrekking heeft: ‘Franse succesauteur Christine Angot schrijft incestverleden van zich af’. Plotsklaps krijgt de erotische polaroid van Ruyten connotaties van seksueel misbruik, dat door de kop in een vloeiende beweging aan ‘vaders’ wordt gekoppeld. De Morgen kiest er dus voor om een delicaat onderwerp te esthetiseren middels één beeld.

De Morgen cover 22 juni

In Een onmogelijke liefde wordt er echter iets veel moeilijkers over incest gezegd dan vage suggesties met een kelder. In het boek onderzoek Angot het vernietigende effect van de incest door de vader: ‘[D]e incest van de vader is meer dan een seksuele daad. Het is ook een brutale, sociale agressie, die de idylle tussen moeder en dochter verstoort.’ Dan volgt de uitleg van het citaat dat De Morgen als streamer koos. Angot stelt dat in de jaren ‘50 en ‘60 de autoriteit van de vader onbetwist was: ‘Het is duidelijk dat we dit achter ons hebben gelaten. Het zijn de moeders die nu steeds meer de trom roeren.’

In de recensie van Kind van alle landen van Irmgard Keun door Christophe Vekeman blijven we bij de destructieve vaderfiguur, die gewelddadig is ten aanzien van zichzelf, zijn vrouw en zijn dochter. Uiteindelijk draait alles dan ook om hem: Kind van alle landen gaat ‘in weerwil van de perkeloze vrijheid die spreekt uit de titel, over drie mensen die onontkoombaar gevangen zitten: vrouw en dochter in de ketens waaruit de gezinsband bestaat, vader in de zeer duistere kerker van zijn eigen karakter.’ De insteek van de bespreking is echter niet zozeer de roman zelf, als wel de affaire die Keun in 1936 begon met Joseph Roth, een man die sterke gelijkenissen zou vertonen met de vaderfiguur van het 10-jarige hoofdpersonage uit haar boek. Zowel Arnon Grunberg in zijn voorwoord als Christoph Buchwald in zijn nawoord besteden aandacht aan deze relatie — en dat is begrijpelijk gezien de status van Roth, maar hiermee wordt opnieuw het verhaal van de vrouw gelegitimeerd via de band die zij met een beroemde auteur-annex-vaderfiguur had.

Het koord tussen seks, macht en misbruik wordt nog wat strakker aangetrokken in het signalement van de thriller Pluk een roos van M.J. Arlidge (m). De hoofdpersoon uit de boeken van Arlidge, de inspecteur Helen Grace, is ‘misbruikt in haar jeugd’ en laat zich ‘in haar vrije tijd vrijwillig afranselen door haar minnaar’. In deze editie maakt Grace ‘jacht op een seriemoordenaar die jonge vrouwen in een kelder opsluit’.

De seks in De Morgen draait deze week dus om de desastreuze psychologische gevolgen die de mannelijke seksualiteit voor vrouwen kan hebben, en per bovengenoemde recensie krijgt het coverbeeld een sterkere betekenis: Angot die het gevolg van incest op de moeder-dochterband onderzoekt, Keun die haar affaire met een schrijver verwerkt in een destructieve vaderfiguur en de schadelijke effecten op een kind, en de mannelijke schrijver die een verknipte vrouwenfiguur construeert die vroeger misbruikt is en nu een voorkeur heeft voor sm.

Over ingewikkelde covers gesproken: ‘Alleen al de omstreden cover maakt beducht, de foto van een ogenschijnlijk gepijnigde man. Portret uit de reeks ‘Orgiastic man’ van de Amerikaanse fotograaf Peter Hujar, die in 1969 mannen vastlegde — niet in pijn maar tijdens hun hoogtepunt. Het is schrijfster Hanya Yanagihara (VS, 1975) zelf die de foto erdoor drukt, niet als directe representatie van een van haar hoofdpersonen maar als beeld dat volgens haar veel, zo niet alles zegt over Een klein leven. Pijn en orgasme – een must read?’ Aldus Marjolein Cocq, als enige schrijvende vrouw, in Het Parool. Haar conclusie is dat het boek een must read is. Het boek is onder luid gejuich onthaald omdat het geen moeilijk onderwerp zou schuwen, maar precies hier vraag ik mij af of lege woorden als “mooi”, “prachtig” en “must read” die voortdurend vallen als het om dit boek gaat, niet precies van die one size fits all esthetische categorieën zijn waarachter de werkelijke pijn kan verdwijnen. Waardoor de consumptie van zo’n boek als pageturner een hele nare bijsmaak krijgt.

In Trouw gaat het in drie van de besproken boeken over seks en ook hier zijn in alle drie de gevallen de vrouwen objecten met wie de mannen hun nogal onaangename wil doen. In Richard Hemkers Hoogmoed beperkt de hoofdpersoon zich nog tot het ‘verlegen bepotelen’ van jonge vrouwen op zijn twijfelaar. Maar van alle bijvoeglijke naamwoorden waarmee hij die vrouwen beschrijft (verveelde, onverklaarbaar transpirerende, merkwaardig devote, overrompelend of ontnuchterend opgewonden, kribbige, al te stille, praatzieke, magere, mollige, onverschillige, overweldigende) is er niet één onverdeeld positief.

We zijn nog niet aan het einde van de relatie tusse seks, macht en geweld die we in de boekenbijlages aantreffen. In het non-fictieboek De barones en de dominee van Wim Coster heeft de getrouwde dominee Johannes van Rijn zijn 23-jarige minnares Jeannette Pruimers ‘als een overjarige loverboy’ helemaal in zijn greep. Nog griezeliger wordt het in Sergeant Bertrand van Aleksandr Skorobogatov. De schrijver liet zich voor dit boek inspireren op het waargebeurde verhaal van François Bertrand die in de negentiende eeuw de lijken van vrouwen opgroef om er seks mee te hebben. ‘Het genot in het samenzijn met een levende vrouw is niets vergeleken met dit genot,’ zei hij erover. Hoofdpersoon Nikolaj in Sergeant Bertrand is obsessief jaloers. Als hij denkt dat zijn vriendin is vreemdgegaan, loopt het uit op geweld. ‘Alleen met geweld kan Nikolaj zijn pijn de baas’, schrijft recensent Annemarié van Niekerk. Skorobogatov speelt in dit boek volgens haar met de even ‘verleidelijke als afstotelijke band tussen erotiek en geweld’. Interessant detail: hoewel het in dit boek gaat over Nikolajs ondraaglijke jaloezie, staat boven de recensie de kop: ‘Vera’s schoonheid is ondraaglijk’. Zo ligt de schuld voor het geweld toch een beetje bij de vrouw.

Dan, de laatste seks & geweld-bespreking: in Vrij Nederland recenseert Jeroen Vullings De Meisjes van Emma Cline. Ook in dit boek is seksualiteit een kernthema (iets waar in de bespreking van dit boek in De Groene deze week opmerkelijk genoeg geen woord aan gewijd werd). Of beter gezegd, dit boek richt zich op (citaat Vullings:) ‘universele thematiek: wat meisjes beweegt, in de fase van hun bestaan waarin weinig zeker is’. De meisjeservaring als zonder meer universeel, dat verwarmt mijn hart! Maar goed, terug naar ons onderwerp. Evie Boyd, de hoofdpersoon van De Meisjes blikt terug op 1969, toen ze zich als veertienjarige aansloot bij een sekte (die in vorm en inhoud enorm doet denken aan the Family, de moordende sekte rond Charles Manson). ‘Ze was een ideale prooi, een onzeker meisje dat net de bons had gekregen van haar beste vriendin, en dat in de greep van de hormonen hongerig aanliep achter de oudere broer van die vriendin. Haar nestverlatende vader hield het met een meisje van in de twintig; haar moeder ging na de scheiding onselectief op mannenjacht en hield zich verder vooral onledig met macrobiotische kuren en ­spirituele zelfzoekerij.’

De sekte waar Evie zich bij aansluit bestaat behalve uit de sekteleider vooral uit tiener- meisjes en jonge vrouwen, die seksueel gezien allemaal ‘van hem’ zijn. Vullings: ‘Seks is het wapen van dit roofdier tot verdeel en heers en ook de minderjarige Evie zal deel gaan uitmaken van zijn harem.’ Opvallend is hier hoe de focus ligt op de sekteleider als ‘roofdier’. Wat Evie, beweegt om zich bij de sekte aan te sluiten, daar gaat Vullings opvallend weinig op in. Hij beschrijft dus (zie citaat boven) haar omstandigheden, maar ingaan op de psychologische complexiteit die Cline probeert neer te zetten, werkelijk gefocaliseerd vanuit Evie, dat komt er niet van. Vorige week stond er in De Morgen een uitgebreid artikel over De Meisjes, plus een interview met Emma Cline, en daar was dat heel anders. De schrijfster vertelt in dat interview hoe ze in haar roman heeft geprobeerd weer te geven hoe wreed jonge meisjes kunnen zijn, ten opzichte van elkaar én van zichzelf. Hoe ze zichzelf plaatsen in seksueel gevaarlijke en gewelddadige situaties – dat ze zelf handelen, maar dat het misplaatst zou zijn om ze niet toch als slachtoffer van die gewelddadige situaties te zien.

Het mannelijke perspectief

Viel er ook nog iets mannelijke seksualiteit te lezen zónder dat er direct geweld mee gemoeid was? Marc Reynebeau schrijft in De Standaard over Pallieter, de eerste grote roman van Felix Timmermans (1886-1947): ‘In de Netevallei beleeft hij [hoofdpersonage Pallieter] de schepping volop als een ecologische en antiburgerlijke utopie, ook seksueel (“onvoorziene liefde smokt het best”). Hij krijgt er nooit genoeg van: “O, aarde mè a duzend borste! wannier zulde ma verzadige? noot ni!” Zijn vitalistische elan is zelfs letterlijk te nemen: zijn vrouw Marieke bevalt van een drieling. Aan het eind trekt hij met zijn gezin in een huifkar ‘de wijde wereld’ in (en neemt hij zich voor om zijn meid ‘mè ne neger’ te doen trouwen).’ Goed, we zijn hier dus op utopisch terrein beland, maar helaas: over het vrouwelijk perspectief in deze ‘utopie’ krijgen we niets te lezen, laat staan over de meningen van de vrouwelijke personages op het gebied van seks. Het citaat over ‘duzend borste’ was daarentegen blijkbaar zo inspirerend dat het de kop van het artikel werd.

Dat wegvallen van vrouwelijke perspectieven komen we ook tegen in De Standaard vertelt Astrid Roemer in een interview met Maria Vlaar vertelt dat mannen vaak over liefde en seks willen horen, maar dan wel maar over één soort: ‘Laatst werd ze geïnterviewd door een Surinaamse man die alleen maar wilde spreken over haar liefde voor Bill, haar zwarte Surinaamse minnaar over wie ze uitgebreid schrijft in Liefde in tijden van gebrek. Over de andere twee liefdes – met een zwarte Surinaamse vrouw, en met een Nederlandse blanke vrouw – wilde hij niets horen. Dat paste niet in zijn plaatje.’

Alleen heteroseksualiteit dus? Gelukkig niet alleen maar: in de Volkskrant een zweem van seks in de bespreking (door Edwin Krijgsman) van twee Italiaanse romans over homoseksualiteit: Gescheiden kamers, van de in 1991 aan aids overleden Pier Vittorio Tondelli en Schittering van Margaret Mazzantini  die schrijft over de verboden liefde tussen Guido en Costantino.

Kan het dan écht anders?

In de Volkskrant: trof ik een bespreking door Arjan Peters van de vertaalde Geheime gedichten van Guillaume Apollinaire. ‘Hij bezingt haar complete lichaam, tot en met de wenkbrauwen (bescheiden riethalmen) en wimpers (voelsprieten van genot). Zelfs roept hij ‘o okselbosjes’! Het vrouwelijk lichaam volledig geaccepteerd en geliefd, en niet eerst en vooral de vrouw als iemand waar een man zijn seksuele neurosen op mag uitleven — na alle voorgaande ellende is het zo’n opluchting dat ik het haast niet geloven kan. Maar het kan dus echt.

Ik ben niet boos, ik ben verdrietig: #lekkertellen week 22

  1. De week in cijfers
Welke emoticon benadert uw emotie over de M/V-verhouding in de boekenbijlage het meeste?

#lekkertellen 24 (22)

2. De gevoelens over de cijfers

Trouwe lezers! Deze week heeft U via een Twitter-enquete besloten dat het thema ‘emoties’ is. Peinzend over dit onderwerp moest ik denken aan de vijf fasen in rouwverwerking die Elisabeth Kübler-Ross heeft beschreven. Wellicht zijn er in gender-discussies ook wel stadia te onderscheiden.  Als ik me niet vergis, zijn we Fase één, van negeren, stilzwijgen en ontkennen, langzamerhand aan het afronden. Dat bleek vorige week al uit de reactie van Beatrijs Ritsema in Vrij Nederland, die duidelijk in een moment van boze afweer (Fase twee?) aan feministes als de Lezeres allerlei wonderlijke standpunten toeschreef, zonder toe te komen aan de feiten, noch aan de werkelijke argumenten.

Zag ik deze week Wilma de Rek in de Volkskrant een soortgelijke manoeuvre als Ritsema maken? De Rek stelde dat De Lezeres beweert dat romans “alleen gelezen (worden) door oudere vrouwen met kortgeknipt haar, platte schoenen en een leesbril”. Ik beweer dit natuurlijk niet, maar ze wenste duidelijk op geen enkele manier geassocieerd worden met dit beeld over vrouwen van haar en mijn leeftijd. Om te bewijzen hoe ver ze afstaat van mijn standpunt gaf ze in een special over ‘mannelijke lezers’ ruim baan aan… Maxim Hartman. Nu ja, dichter bij de bron van gemakzuchtige stereotypering kun je niet komen.

 

tilda 3

Fig. 1. Een oudere vrouw met kortgeknipt haar, platte schoenen en een leesbril

Goed. De toon is gezet en de sfeer zit er in. Door naar Aleid Truijens in dezelfde special, die in haar beschouwing de harde cijfers noemt (en als ik érgens dol op ben…): mannen lezen 46 minuten per dag, vrouwen 41. Vrouwen lezen 11 boeken per jaar, mannen 9. Mannen lezen per week 0,3 uur een literair boek, vrouwen halen 0,5 uur. Ze merkt bovendien op dat mannen nauwelijks geïnteresseerd zijn in de discussie over de verhouding tussen mannen, vrouwen en literatuur, maar heeft net daarover dan weer geen harde cijfers – als ik mijn Twittervolgers bekijk durf ik die stelling toch wel te nuanceren.

3. Emoties: De rem erop

Komen we dan nu bij het thema zelf: valt er iets op in de manier waarop Nederlandse recensenten over emoties schrijven? Jawel, en als u geduldig doorleest zal het patroon u zeker opvallen.

Beginnen we bij Arie Storm. Hij roemt in Het Parool het “eigenaardige universum van Maarten ’t Hart, waar het broeierig is” en concludeert: “Dit is kortom iemand die zich laat gaan, maar wel met de rem erop. Die zich altijd bewust is van het feit dat hij bekeken zou kunnen worden.” Storm bedoelt dat lovend, dat met die rem. Daarnaast typeert Storm de opwinding die ‘t Hart voelt over de melkklieren van een tiener als een ‘universeel’ gegeven. Universeel? Eerder meen ik dat deze post-gereformeerde twijfel en met schuld beladen en dus geremde seksuele verlangens, nogal generatie- en sekse-specifiek zijn.

Dat patroon zet zich voort in Vrij Nederland, in de recensie van Rob Schouten van Patrick Modiano. “[D]e mens is onkenbaar”, zo vat Schouten Modiano samen. Dat is te zien in de personages, volgens Schouten: “Zij blijven raadselachtig. Ook in hun diepere gevoelens.” Schouten waardeert deze onkenbaarheid als positief – en ik kan niet nalaten te denken, omdat het deze diepere emoties veilig in het afstandelijke domein van de epistemologische twijfel plaatst. De rem erop! Bedroefder is Schouten over het ontbreken van ‘“olala”-erotiek’ bij Modiano. Het scheelt niet veel of de interpretatie is teruggebracht tot de brandende vraag of Modiano’s personages het eigenlijk wel met elkaar doen. Twijfel en seks, we zagen het ook al bij ‘t Hart.

Nog meer seks: “Schitterende liefdeslyriek, teder en wreed, aangrijpend, verrassend, uniek. Het is Apollinaire op zijn hoogtepunt, zonder typografische kunstjes voortgedreven dier een stralende geilheid. Met de kanonnen van de Grote Oorlog als achtergrondmuziek.” Het is duidelijk waar in het oeuvre van Apollinaire de voorkeur van Luijters (Het Parool) ligt in deze achterflapwaardige samenvatting. Een van de pornografische gedichten die Apollinaire aan zijn verloofde Madeleine Pagès stuurde is getiteld “De negen poorten van je lichaam” en “Je hoeft niet te tellen om welke openingen het gaat” stelt Luijters samenzweerderig vast, maar zelfs na nog een paar glazen wijn had ik geen idee hoe die man toch op het getal negen kwam. Pagès is na het einde van haar verloving met Apollinaire natuurlijk niet meer interessant, alsof haar leven niet meer dan grondstof voor de grote dichter was.

Schermafbeelding 2016-06-20 om 23.54.09

Fig 2. Google zoekresultaten ‘de onkenbaarheid van het bestaan’

Apollinaire kan niet egotistisch genoeg schrijven, maar dat is niet voor iedereen weggelegd. Ger Groot lijkt in NRC vooral de emotie ‘irritatie’ te voelen bij het lezen van het werk van de Argentijnse Samanta Schweblin en de Mexicaanse Valeria Luiselli. De “literatuurderigheid” van de romans irriteert Groot, samen met het feit dat de boeken “egotistisch’” zijn “op het kokette af”. Koket, dat is een woord dat zelden valt als er een man besproken wordt, en geen wonder, want al sinds de negentiende eeuw is ‘koket’  een codewoord voor vrouwen die erotische gevoelens bij mannen oproepen die niet naar wens worden ingelost.  Hoezeer voor  Groot de man de norm is, blijkt wel als hij stelt dat “de lezer” tijdens het lezen dit of dat denkt, om later naar die lezer te verwijzen met “‘hij” en “hem”. Dé lezer? Zou het niet heerlijk zijn als critici gewoon ‘ik’ zouden durven te schrijven in plaats van dat quasi-objectiverende ‘de lezer’? Enfin.

in De Standaard schrijft Martin Michael Driessen een brief aan God: “Soms denk ik dat er in de kunst vaak sprake is van een moreel of esthetisch voorwendsel dat de schrijver in staat stelt over dat te schrijven waarover hij graag schrijft. Daarvan hoeft de kunstenaar zich niet eens bewust te zijn. Hij geeft zijn madonna een aureool, maar tevens de blote borsten waar het hem in het diepst van zijn ziel om te doen was.” Deze ‘de kunstenaar’ van Driessen kan ‘de lezer’ van Groot een hand komen geven. Ach, het is in ieder geval eerlijk, zullen we maar zeggen.

Ldv_tellen22_delezer

In Ger Leppers’ bespreking van De lanterfanter van Yusuf Atilgan in Trouw gaat het om de emotie ‘angst’. De hoofdpersoon heeft namelijk aan een traumatische ervaring met zijn vader een angst voor vrouwenbenen over gehouden. Vrouwenbenen, daar is de met angst omringde erotiek weer. De roman van Atilgan gaat echter over meer dan de emotie alleen, want staat in de traditie van de modernistische ‘twijfel’ (Leppers: “Het modernistische programma wordt, kortom, keurig afgewerkt.”) Dat modernisme is een traditie van Louter Mannen, iets wat Leppers niet problematiseert, als hij niet minder dan Stendhal, Kleist, Lermontov, Machado de Assis Orhan, Pamuk, Albert Camus, Freud, Simon Vestdijk en Gerard Reve (file also under: G3-alert) aanhaalt.

Met Leppers komen we tot de kern: het modernisme viert als maatstaf nog altijd hoogtij. En dat is een maatstaf die zelden tot nooit gunstig uitvalt voor vrouwelijke auteurs en vrouwelijke personages, want aan de modernistische horizon verschijnen bijna uitsluitend romans geschreven door mannen,  boordevol ‘erotische obsessies’ die eveneens uitsluitend vanuit mannelijk perspectief worden beschreven.

ldv_tellen22_seks

 

4. Uitglijders & Opstekers

G3: het houdt niet op, niet vanzelf

Mark Cloostermans construeert in De Standaard nieuwe G3’s: “In de tweede helft van de twintigste eeuw deed de succesvolle auteur aan mythevorming. Reve, Mulisch, ze creëerden hun imago. Hun literaire opvolgers zetten een nieuwe stap: ze doen aan mythe-ontbinding. Thomése is een goed voorbeeld, maar ook L.H. Wieners spel met vertelinstanties en dubbelgangers dringt zich op, en uiteraard Ilja Leonard Pfeijffer en diens gestoei met zijn imago. Dat schrijvers van de daaropvolgende generatie (Joost de Vries, bijvoorbeeld) dit verstoppertje spelen een tijdverdrijf voor bejaarden vinden, is ook weer begrijpelijk.”

Jonge vrouwen met halflang haar spreken zich uit!

In haar column in De Groene ergert Niña Weijers zich aan het gemak waarmee “een Amerikaanse schrijver” die verder niet bij naam genoemd wordt zich in zijn mannelijke referentiekader wentelt en zich de complimenten van de mannelijke interviewer laat aanleunen. Weijers heeft er genoeg van en blijkt, onbewust, zegt ze, alleen boeken van vrouwen (ook van Amerikaanse, overigens) mee te hebben genomen naar haar Berlijnse residentie.

En mannen met krullend haar ook

Opsteker: Arjen Fortuin bekritiseert in NRC de manier waarop het tijdschrift Adformatie lezen (dat tegenwoordig blijkbaar binge-reading heet) aan vrouwen koppelt. Boeken zijn “fokking hot”, vrouwen lezen geen literatuur (“Mulisch”), maar Young Adult-series (“Hunger Games”), en lezen die boeken niet alleen, “ze praten er ook nog over”. Fortuin is er niet over te spreken: “je krijgt bij dit soort stukken het idee dat ze zijn geschreven door iemand die nog nooit een boek van dichtbij heeft gezien  – en misschien ook wel nooit een ‘jonge vrouw’.”Kijk, now we’re talking.

De selecte club van Universelen: #lekkertellen week 21

Lieve lezeressen en lezers,

We beginnen deze week met de onomstotelijke feiten:

  1. De week in cijfers#lekkertellen 23 (21)
  2. Thema van de week: universele waarden, universele lezers

Twee weken geleden klom Beatrijs Ritsema voor Vrij Nederland in de pen om de ‘canon van dode, witte mannen’ (haar woorden) te verdedigen tegenover de Lezeres des Vaderlands. Dat deed ze met zoveel verve dat ik direct een instemmend knikkende Carel Peeters en Jeroen Vullings voor me zag, die er anders in hun wekelijkse verdediging van Shakespeare, Proust, de G3 en Kellendonk helemaal alleen voor hadden gestaan.

De critica en bewaakster van hedendaagse zeden creëert in haar column een stroman om U tegen te zeggen: volgens Ritsema beweren Jannah Loontjens (hier in NRC) en ik dat mannen alleen voor mannen schrijven – en dat dát de onrechtvaardigheid is waar we tegen ageren. Ritsema kon vervolgens triomfantelijk ‘onzin’ roepen, omdat Couperus bijvoorbeeld ook voor vrouwen schreef. Wie zou het willen ontkennen? Ik herhaal nog maar weer eens wat niet alleen de vrouwen betrokken bij het Amerikaanse VIDA, Loontjes en ik, maar ook deze Australische wetenschapper wél beweren: dat vrouwelijke auteurs stelselmatig worden ondervertegenwoordigd in de literaire kritiek, wat zowel hun culturele als hun economische positie nadelig beïnvloedt. Dat met je ogen rollen om dit obligate punt niet genoeg is blijkt wel uit het feit dat Ritsema toch weer sans gêne zo’n stukje tikt en met instemming van Vrij Nederland publiceert.

Desondanks was ik Ritsema dankbaar voor haar argumentensoepje, want dreef daar niet mijn thema van deze week? Leest u even mee:

Juist romanschrijvers zijn geïnteresseerd in psychologie, persoonlijke betrekkingen, de ontwikkeling van een individu, familieconflicten, wraak, tragiek, enfin, zaken die door sommigen tot het vrouwelijke domein worden gerekend, maar die in werkelijkheid bij het universeel menselijke horen. […] De schrijvers worden niet gewaardeerd omdat het briljante mannen zijn, maar omdat ze iets van universele waarde hebben mede te delen aan een universeel publiek.

En zo viel in een kort tekstje drie keer het woord ‘universeel’, geheel volgens de logica ‘what I tell you three times is true’. Het universele als argument in literaire kritiek, het fascineert me mateloos. Wanneer vindt dat wonder, dat overstijgen van het particuliere, het uittillen naar het universele, precies plaats? Wat ís universeel? Daarop wordt nooit gereflecteerd. Niet op de vraag waarom het universele beter is dan het particuliere, niet waarom het een er wel onder valt en het andere niet. En vooral niet welke lezer verondersteld wordt wanneer iets tot universeel wordt verheven.

Afb. 1: kosmische oersoep vanuit de Planck-sonde
Afb. 1: kosmische oersoep vanuit de Planck-sonde

Daarom besloot ik deze week eens te turven op ‘universeel’ en te kijken hoe er wordt geschoven tussen het particuliere en het universele.

Kent u die van die vrouw die een universeel boek ging schrijven?

De eerste hit vond ik – oh ironie – in Vrij Nederland, al was het niet in de boekenbijlage. Het succes van Chris Kraus gaf de problematiek rond universalisme de afgelopen weken al een opkontje. Simone van Saarloos voegt daar deze week in haar column aan toe dat de roman destijds – we spreken over de jaren negentig –  ‘te dagboekachtig gevonden [werd] om als literatuur te worden gelezen’. Dat oordeel hangt volgens Van Saarloos samen met de vooroordelen over het universele en het particuliere in boeken geschreven door mannen en vrouwen: ‘Met name de ik-vertellingen van vrouwelijke auteurs worden nauwelijks als representant van een breder maatschappelijk verhaal gezien, terwijl het ‘autobiografische’ of ‘persoonlijke’ verhaal van een mannelijke auteur universele waarde krijgt toegekend.’

Het patroon dat zich hier aftekent, verfijnt zich in De Morgen. Die opent met een interview van Els Maes (nota bene: de enige vrouwelijke recensent deze week) met de Amerikaanse schrijver Catherine Lacey. Laceys punt wijkt iets af van dat van Kraus, zij stelt vast dat ‘de vraag over autobiografische elementen vaker aan vrouwelijke auteurs wordt gesteld’ en noemt dat – heel terecht – ronduit ‘beledigend’: ‘Alsof een vrouw geen fantasie heeft en alleen iets kan baren wat over haar zelf gaat.’ (Zie vooral het essay dat Lacey twee jaar geleden voor Buzzfeed schreef.)

In Vrij Nederland viel er buiten de boekenbijlage nog meer te lezen over universalisme, namelijk in het interview met emeritus hoogleraar gender en etniciteit Gloria Wekker. In haar boek White Innocence (2016) legt Wekker precies uit waarom het heersende idee van ‘het universele’ niet klakkeloos als algemeen geldend kan worden aangenomen. Het idee van een universele blik, stelt Wekker, zit ingebakken in de Nederlandse identiteit. In het koloniale tijdperk waren Nederlanders ervan overtuigd dat hun perspectief en hun handelen het beste waren voor de ontwikkeling van iedereen. Na het verlies van de positie als koloniale machthebber stortte Nederland zich in het ontwikkelingswerk (‘Wij, Nederlanders, wisten nog steeds wat het beste was voor andere landen.’) Nog steeds heerst de overtuiging dat Nederlanders het beste voor hebben met iedereen. Behalve natuurlijk met die zeurders die systematisch de keerzijde blootleggen.

Beatrijs Ritsema beschuldigde De Lezeres van het bijhouden van ‘incriminerende statistieken’ – statistieken die slechts op bescheiden wijze want enkel voor de literaire kritiek het ‘gelijke-kansen-discours’ doorprikken. Wekker laat zien dat een dergelijke zienswijze, die veronderstelt dat alles goed komt als iedereen maar ‘zijn kansen’ zou willen benutten, blind is voor het feit dat die kansen vanaf het begin al niet zo eerlijk verdeeld zijn.

Yes, the universal’s here, here for everyone

Nu we dankzij Kraus, Lacey en Wekker het leesbrilletje op hebben waardoor we zien dat termen  als ‘universele waarde’ en ‘universeel publiek’ niet zonder problemen zijn, zien we des te scherper wat er gebeurt wanneer een criticus zulke etiketten wel ongecompliceerd wildplakt. In Trouw blinkt Rob Schouten uit in de gezwollen taal die recensenten uitsluitend lijken te reserveren voor Belangrijke Mannelijke Schrijvers (BMS’s). Zijn recensie over de nieuwe DeLillo opent klassiek: eerst krijgen we een hoofdstukje voorgelezen uit de onverbiddelijke bestseller Alleen maar mannelijke collega’s (Saul Bellow, John Updike, Philip Roth en Sybren Polet komen langs). Volgt een ronkend staaltje Universele Kwaliteiten:

Bij DeLillo is het bestaan nooit anekdotisch, hij is op zoek naar het geheim van onze existentie, het wezen van onze ervaringen, ver boven het dagelijks getoeter uit. Bij hem is een verkeerschaos geen incident, maar een autonoom moment, een kosmische gebeurtenis.

Inmiddels hebben we oog voor wat het procedé dat zich hier voltrekt: deze literatuur serveert de lezer geen particuliere verhaaltjes, beschrijft geen incident, neen, niet minder dan de kosmos is hiermee gemoeid. Geen recensent die DeLillo vraagt of hij inspiratie putte uit die keer dat hij zelf in de file stond, zoals ongetwijfeld bij Catherine Lacey wél het geval zou zijn.

Afb. 2 Zoek de auteur die over ‘het universele’ en de auteur die over ‘het particuliere’ schrijft (slechts één juist antwoord mogelijk)
Afb. 2: zoek de auteur die over ‘het universele’ en de auteur die over ‘het particuliere’ schrijft (slechts één juist antwoord mogelijk)

Neem dan de laatste alinea van de bespreking van de liefdesbrieven van Ingrid Jonker en André Brink van Annemarie van Niekerk, ook in Trouw:

Je [de Lezer, LdV] staat nu, samen met Ingrid Jonker, voor de verschrikkingen die het leven in petto heeft, voor je onvermogen om te ontsnappen aan het verlies en verraad, onverschillig of je daar nu de veroorzaker of het slachtoffer van bent. […] Die hele wirwar van tegenstrijdige emoties en ervaringen is te vinden in dit meeslepende en ontroerende boek.

Interessant is dat Van Niekerk niet vlucht in quasi-objectiverende taal, maar haar identificatieproces tijdens het lezen beschrijft. Die identificatie komt niet tot stand omdat het brievenboek iets ‘universeels’ over de liefde zegt, maar omdat de tekst haar de ruimte biedt diep door te dringen tot het het onoverzichtelijke, particuliere geval van deze ene liefde en zich ermee te vereenzelvigen.

Een recensent hoeft beslist geen bescheiden taalgebruik te bezigen. Maar het verschil tussen de opgeblazen stijl van Rob Schouten, dat het enorme belang van de BMS – en impliciet ook dat van de recensent – onderstreept staat in scherp contrast met de gloedvolle manier waarop Van Niekerk verwoordt wat de liefdesbrieven bij de lezer teweeg kan brengen.

Is het kortom wel zo vanzelfsprekend om de roman te verdedigen tegen de aanvallen van turvende feministes door het universum aan te roepen? Het ligt allemaal, zoals wel vaker, veel ingewikkelder. Wie canonieke auteurs als Charles Dickens en George Eliot leest, merkt onmiddellijk dat deze romanschrijvers heel bewust het particuliere geval centraal stelden en zo expliciet en impliciet het debat aangingen met de in hun tijd steeds dominanter wordende politieke en economische wetenschap die juist abstraheerden van de individuele gevallen.

Feministische en ook postkoloniale critici wijzen er op dat die humanistische romantraditie  leuk en aardig is, maar dat er nog altijd een hiërarchie in waardering voor individuele romangeschiedenissen bestaat. Er zijn nog altijd verhalen die al snel als ‘té particulier’ worden gezien, gemakkelijk gemarginaliseerd raken en nooit in de canon belanden. Alle romans zijn particulier, maar sommigen zijn meer particulier dan anderen. Dit type gender- en postkoloniale kritiek werkt nog altijd als een rode lap op een stier, en van de weeromstuit wordt de roman zeker in Nederland doorlopend verdedigd door er haast dwangmatig het woord ‘universeel’ op te plakken.

Het universele is, zoals de naam al doet vermoeden, een nogal veelomvattend begrip dat zo vaak wordt aangehaald dat ik er elke week wel over zou kunnen schrijven. Het is precies het soort glibberig begrip waarmee een smaakoordeel plotseling gepresenteerd kan worden als objectief oordeel. En ja, dat o zo objectieve oordeel valt wonderlijk genoeg bovenmatig vaak in het voordeel van mannelijke schrijvers uit. Let u er maar eens op, en stuur me interessante voorbeelden op onder de hashtag #BMS

  1. Uitglijders en opstekers

Onbekrompenheid over genre-verschillen

Sir Edmund van de Volkskrant opent verrassend met een groot interview met Manon Spierenburg, die YA-fantasy schrijft. Spierenberg zegt rake dingen over de misvatting dat literaire ernst altijd gepaard moet gaan met realisme, en ook dat er een veel te eenduidig beeld bestaat van het publiek voor fantasy, sci-fi en games. Een kolfje naar mijn hand!

BMS: laat het los, en mooie dingen komen op uw weg

De Zweedse bestsellerauteur Jan Guilloi beschrijft in een interview (afgenomen door  lentezonnetje Kester Freriks) hoe hij tot inzicht kwam. Wilde hij vroeger nog een BMS zijn, de ‘de geniale ongelezen schrijver’, nu is hij een bestsellerauteur die bovendien vrouwelijke spionnen wil rehabiliteren in zijn historische roman. ‘Oorlog is een mannenzaak. En de vrouwen die hun leven waagden, waren daar de dupe van,’ zegt hij. Good thinking Jan!

Oei, spannend, buiten de canon kleuren, NRC helpt!

De zomer is hier en dus nemen twee van de heren criciti van NRC even literaire vakantie. En let op, u mag ook best eens iets wat minder ingewikkelds lezen! Robert Gooijer is zeer te spreken over de nieuwe thriller van Harlan Coben, over een vrouwelijke militair met een posttraumatische stressstoornis. Geen literatuur natuurlijk, maar wel een ‘guilty pleasure voor op vakantiestranden’. Gelukkig ‘zanikt’ Coben verder ook niet te veel over het gevoel van zijn personages. Arjen Fortuin ging terug naar zijn jeugdliefde, de thrillers van Simenon en ‘verorberde Maigret en het dode meisje alsof het een nieuwe vertaalde Modiano was’. Alleen Simenon is Fortuin wat al te gortig, maar afwisselend een Modiano en een thriller is wél bon ton. Dus bestel die caipirinha op de Spaanse costa en geniet van de literette, het is u gegund! Als u na de zomer maar gewoon weer de BMS’s ter hand neemt, natuurlijk.  

De Vrouw als Lyrisch Subject: #lekkertellen week 20

Lieve lezeressen en lezers, Maar liefst drie grote opstekers voor vrouwelijke auteurs, afgelopen week! Eerst won Esther Verhoef de Gouden Strop. Zij is daarmee de derde vrouwelijke winnaar van deze prijs in 30 jaar — des te opmerkelijker omdat het genre ‘literaire thriller’ door vrouwelijke auteurs wordt gedomineerd, zoals we vorige week nog in deze rubriek zagen. […]

#lekkertellen literaire prijzeneditie

Dankzij #lekkertellen weten we dat vrouwelijke auteurs significant minder en kleinere recensies krijgen dan mannen. Maar nu is de vraag: hoe zit het met de verwerving van literaire respectabiliteit? Op de site van De Groene neem ik de proef op de som en tel ik de winnaars van literaire prijzen. Winnen vrouwen de laatste tijd vaker een prijs en is er sprake van een kentering, of moeten we niet te vroeg juichen? En welke sekse sleepte er zes miljoen euro meer aan prijzengeld in de wacht dan de andere (hieronder een hint)?

 

ldv_money

#lekkertellen literaire prijzeneditie

De Anna Bijns Prijs stopt ermee. De stichting (in 1985 opgericht door Renate Dorrestein, Anja Meulenbelt, Caroline van Tuyll en Elly de Waard) heeft haar doelstelling gewijzigd en gaat in plaats van de prijs uit te reiken publieksevenementen en discussies organiseren. Mede ingegeven door de wens om de enkelvoudige categorie ‘vrouw’ te ontstijgen, zo blijkt uit de verklaring die ze geeft:

De doelstelling is met de tijd veranderd: van een tweejaarlijkse prijs voor een Nederlandse schrijfster, verbreedt de stichting haar focus door meerdere stemmen aan bod te laten komen. Door een programmering waarin ook niet-westerse stemmen aan bod komen wil de stichting vrouwelijke schrijvers regelmatiger onder de aandacht brengen.

In 1985 werd de prijs opgericht om de ‘P.C. Hooftprijs een weerwoord’ te bieden en hij wordt sindsdien elke twee jaar aan een Nederlandse schrijfster uitgereikt. De winnaar kreeg een kunstwerk en tienduizend euro. In 2013 merkte de Anna Bijns Stichting nog op dat de prijs nog niet aan relevantie had ingeboet omdat vrouwen nog altijd ‘in de schaduw van literaire mannen’ verblijven.

Bij haar winst van de Anna Bijns Prijs voor De consequenties in 2014 deelde Niña Weijers die observatie, maar uitte ze ook kritiek op het bestaan van de prijs omdat die vrouwen als aparte categorie behandelt:

Het is ook niet ideaal, seksistisch zelfs, zo’n prijs alleen voor vrouwen. Alsof de vrouw een minderheid is, laat staan een aparte afdeling.

Eerder had Jamal Ouarachi al zijn pijlen gericht op literatuurprijzen voor vrouwen, maar vanuit een andere motivatie, namelijk dat vrouwen de lat niet hoog genoeg leggen. Anders dan een bijna verstikking door een wasabinootje heb ik hier verder geen aanstoot aan genomen en verwijs ik naar de bingokaart van loze argumenten voor het gebrek aan vrouwen.

Zijn de afschaffing van de Anna Bijns Prijs en de weerstand die succesvolle jonge vrouwelijke auteurs als Weijers ertegen voelen een teken dat prijzen voor vrouwen anno 2016 overbodig zijn geworden? Zou het kunnen dat er in literair prijzenland een verschuiving gaande is en kan de afschaffing van speciale prijzen die verschuiving misschien zelfs bespoedigen? Tijd voor een #lekkertellen: literaire prijzeneditie!

Lees verder op de site van de Groene Amsterdammer