#lekkertellen 45 Ironie als troostdekentje

Lieve lezers, voordat ik in de boekenbijlages duik (ik waarschuw nu alvast: als u niet tegen het geluid van het G3-alarm kunt, plaats dan vanaf de vierde alinea uw handen over uw oren) sta ik kort stil bij twee #lekkertellen-dieptepunten buiten de kranten en tijdschriften om.

Dieptepunt #1: de Tsjechische EU-commissaris Vera Jourova maakte deze week bekend dat een kwart van de Europeanen vindt dat seks zonder toestemming (lees: verkrachting) geoorloofd is als de vrouw dronken is, provocerend gekleed is, niet heel duidelijk nee zegt of zich niet verzet.

Dieptepunt #2: Radio 2 maakte deze week de complete lijst DJ’s bekend die dit jaar de Top 2000 zullen presenteren. Voor het eerst in 18 jaar wordt het populaire radioprogramma mede door vrouwen gepresenteerd. Hoera? Nou… Evelien de Bruijn en Marisa Heutink zijn de enige twee vrouwen (tegenover 9 mannelijke DJ’s) and guess what, ze hebben de geweldige, levendige, goed beluisterde timeslots toebedeeld gekregen van 00:00 tot 02:00 uur en van 02:00 tot 04:00. Uit solidariteit zal ik mijn best doen mijn ogen op te houden wanneer ik van onder mijn fleecedekentje de middelbare wittemannenmuziek door probeer te komen.

En dan nu, een volledig G3-alarm!

De biografie van Boudewijn Büch is all over de boekenbijlagen en daarmee ook de ‘Reve-tapes’, de opnamen van een interview met Gerard Reve uit 1983 die Büch-biograaf Eva Rovers mocht beluisteren. En wat blijkt: Büch had de racistische opmerkingen van Reve niet verzonnen (goh).

 

lekkertellen 45 - reve rebus
Figuur 1. De ReveRebus

Reve was aanhanger van de negentiende-eeuwse koloniale mythe van het ‘lege land’. Europese kolonisten beweerden dat vóór hun kolonisatie Zuid-Afrika grotendeels onbewoond was en dat er van gestolen land door dus geen sprake kon zijn. Het latere Apartheidsbewind maakte gretig gebruik van deze mythe (Reve: “De legende is dat er blanke overheersers naar Zuid-Afrika kwamen om de bruine en de zwarte mensen te onderdrukken. Dat is helemaal niet waar. De blanken vonden een totaal leeg land!”).Ook onderschreef Reve het standpunt van het Zuid-Afrikaanse Apartheidsbewind dat de zwarte bevolking democratie niet ‘aankon’. Stemrecht aan ze geven zou het einde van de democratie betekenen “Als je die zwarten en kleurlingen laat meestemmen, heb je direct de laatste verkiezingen.”

Ik ben Zuid-Afrika-kenner noch Revoloog, maar mij lijkt het dus evident dat Reve hier ideologische standpunten van het Apartheidsregime overnam. Misschien iets om eens een eerlijk debat over te hebben, als literaire wereld? Ik vrees echter nu al dat het debat (mocht er al een debat van komen…) blijft steken in de vraag of Reve het nu wel of niet ironisch bedoelde. Bert Wagendorp geeft er in zijn Volkskrant-column alvast een creatieve draai aan: ook als Reve in ernst al die dingen beweerd heeft, dan valt het de Nederlandse intelligentsia te prijzen dat ze zijn uitspraken altijd ironisch hebben opgevat, want daarmee zou Reves racisme onschadelijk zijn gemaakt. Racisme ironisch opvatten zou volgens de columnist een veel verstandiger strategie zijn dan die van hedendaagse anti-racisme activisten, die altijd alles ernstig nemen en mensen vervolgens ‘op de strontkar door het land rijden’. Hij stelt voor om ook alles wat Wilders zegt ironisch op te vatten. Ironie als een soort magisch schild tegen racisme: volgens mij zijn we hier eerder in het domein van het wensdenken dan in dat van de concrete analyse.

mm-week-47-meme
Figuur 2. Alanis Morissette en Grumpy Cat leggen het nog één keer uit.

Ten overvloede: een eerlijk debat over ideologische pijnpunten bij een literaire auteur is niet hetzelfde als de strontkar. In de nieuwe biografie van Piet Mondriaan wordt zijn antisemitisme ook onomwonden behandeld – het doet niets af aan de vernieuwing die Mondriaan in de schilderkunst bracht.

Dan, doorrrr naar W.F. Hermans. Criticus Edwin Krijgsman beweert in de Volkskrant over het vierde deel van Elena Ferrante’s Napolitaanse romancyclus dat ze op “Hermansiaanse wijze met het motief van het contrast” speelt. Fijn dat Krijgsman het contrastrijke olijke duo Dorbeck/Osewoudt ongetwijfeld vers in het geheugen heeft, maar helaas valt de manier waarop Ferrante nauwkeurig blootlegt hoe diep seksisme en patriarchale systemen ingrijpen in twee vrouwenlevens in de recensie vrijwel geheel weg.

Maria Vlaar schrijft in De Standaard over de rondleiding die ze van Robbert Ammerlaan kreeg door de werkkamers van Harry Mulisch, in het kader van Zijn eigen land, een tussenboekje van Ammerlaan voor de echte biografie, over vondsten uit de parafernalia uit Mulisch’ nalatenschap. Vlaar zit duidelijk in een spagaat, enerzijds die van de bewondering (of in ieder geval een vorm van eerbied), anderzijds zit ze — als vrouwelijke critica? — in haar maag met des schrijvers aperte vrouwonvriendelijkheid:

Wat ook opvalt in de boekenkast: op het eerste oog geen enkele vrouwelijke schrijver. De rol van de vrouw in Mulisch’ leven is een ander thema dat de biograaf nog wel wat hoofdbrekens zal kosten. De man die in zijn sporadisch bijgehouden dagboeken opschept dat hij met drie vrouwen per dag naar bed gaat (19 mei 1958: ‘Namiddag T. wederom en dadelijk weggewerkt.’) en halverwege de jaren 70 een feest geeft om zijn tweeduizendste verovering te vieren, liet geen vrouwen toe tot de discussies in de ‘herenclub’ waarmee hij eens per week dineerde, en heeft verder ook geen hoge dunk van de intellectuele vermogens van vrouwen.

Het zal mij benieuwen hoe deze kant van Mulisch er in de biografie van af zal komen. Kleine voorspelling: frivole literaire playboy met pijp.

Laat ik eindigen met een hoogtepunt: Mineke Bosch maakt in De Groene Amsterdammer met deskundige voortvarendheid gehakt van Ewald Engelens De mythe van de gemaakte vrouw. Engelen dacht in zijn boekje ‘het’ feminisme kritisch onder de loep te nemen, maar Bosch wijst feilloos op zijn blinde vlekken. Een paar malse brokjes uit de bespreking:

[W]at hij hap-snap over De Beauvoir te berde brengt oppervlakkig is en tegenstrijdig. […] Dat [verwijt van machtsbeluste mantelpakjesfeminisme – LdV] is er zo helemaal naast, en het is een zo ongelooflijk neerbuigend oordeel over al die pogingen om overal de genderverhoudingen te veranderen dat het mij direct deed denken aan de verbeten aanvallen van onze grote socialistische voorman Troelstra op de burgerlijke feministen rond 1900.

Burn, zoals we in de 21e eeuw zeggen.

Ten slotte de cijfers van deze week:

mm-week-47-tabel

 

 

#lekkertellen week 44: Arnon, je haar waait

Lieve Lezeressen en Lezers,

Terwijl een stormdepressie door het land trok met windstoten van soms wel 100 km/uur, was in het literaire landschap zoals gewoonlijk geen zuchtje wind te bekennen. De Jan Campert-Stichting bekroonde naar oud gebruik vier mannelijke schrijvers van middelbare leeftijd (of ouder), geprezen om de ironie en troosteloosheid in hun werk. Dit ter aanvulling op de lijst van laureaten die toch al overwegend uit mannen bestond.* In de meeste boekenbijlagen, zoals iedere week, vooral veel mannen over mannen, weliswaar met hier en daar het verfrissende geluid van een vrouwelijke stem (maar niet koel genoeg om de halfnaakt poserende Grunberg zijn kleren terug in te jagen, zie onder).

Wat de cijfers betreft wilde ik u deze week toch enige verandering presenteren en daarom heb ik de kolommen in de tabel maar eens omgewisseld: ladies first en daarna pas het mannelijk geslacht.

*Sad Fact: sinds 1947 zijn de Jan Campert-prijzen 282 maal uitgereikt, waarvan drie keer aan een organisatie, 226 keer aan een mannelijke auteur en slechts 53 keer aan een vrouwelijke schrijver (waarvan 15 keer in de categorie jeugdliteratuur). In percentages: 19% vrouwen, 80% mannen, 1% organisaties.

Fun Fact: de nieuwe jury van de VSB Poëzieprijs volgt duidelijk een andere koers en nomineerde afgelopen week drie vrouwen en twee mannen. Kunt u zich voorstellen hoe opgetogen mijn nichtje Vivianne was over deze resultaten!

tabel-week-44

Dieptepunt: op de achterkant van De Morgen schrijft kunstenaar, danser en filosoof Elisabeth van Dam over Van Ostaijens sjimpansee, en strooit ze vrolijk rond met het n-woord, alles in ‘gedurfde’ sfeer.

Gemiste kans: NRC organiseert deze week een poëzievertaalwedstrijd maar helaas zijn alle vijf afgedrukte gedichten ter vertaling van een man, te weten James Joyce, Bob Dylan, Peter Rühmkorf, Louis Aragon en Frederico Garcia Lorca. De vertaalcanon is blijkbaar mannelijk.

Gemiste kans: Het Parool besteedt aandacht aan de bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer: Dieuwertje Mertens noemt evenveel vrouwen als mannen in haar openingsstuk, maar wat doet Maarten Moll… die noemt alleen maar mannen in zijn bespreking van dezelfde bloemlezing.

Gekkigheid: Arnon Grunberg met de handen in het haar in de Volkskrant:

Figuur 1: man van middelbare leeftijd
Figuur 1: man van middelbare leeftijd

Hoogtepunt: veel aandacht voor Zadie Smith (die zichzelf een vrouw van middelbare leeftijd noemt in NRC, yeay!)  en haar nieuwste roman Swing Time. Ze wordt in verschillende bijlagen uitgebreid geïnterviewd, onder meer door Niña Weijers in NRC en door Annelies Beck in De Standaard.

Meer hoogtepunten: Trouw laat zien dat het echt wel kan en bespreekt deze week meer vrouwelijke dan mannelijke auteurs!

Een bijzonderheid in Trouw: Medina Schuurman, die samen met Isa Hoes een boek over de overgang schreef, getiteld Te lijf – de kunst van het mooi ouder worden, zegt in een interview met Nicole Lucas: ‘We zijn tot het besef gekomen dat we de nieuwe feministen zijn. Nee, we gaan niet de barricades op of acties voeren als baas-in-eigen-buik. Maar er is nog genoeg te doen aan het vrouwenvraagstuk. Met dit boek hopen we vrouwen krachtiger te maken.’ Dat is prachtig gezegd, maar waarom hebben de schrijfsters er mee ingestemd dat de cover van hun boek (dat nota bene over de overgang gaat) geïllustreerd is met twee onrealistisch slanke, strakke vrouwenfiguren die nog het meest lijken op Barbies? En dan nog een vraag: waarom zou je ‘mooi’ ouder moeten worden? De schrijfsters bevestigen hiermee de eis van onze maatschappij dat vrouwen altijd jong en mooi moeten ogen.

Het G3-alarm: stond voor een derde AAN deze week! Robbert Ammerlaan heeft een boek over Mulisch geschreven en daar moet natuurlijk veel aandacht aan worden besteed, bijvoorbeeld door vol lof te roepen dat het boek ‘in de geest van Harry geschreven’ is (Jeroen Vullings in Vrij Nederland).

Gaaaaaap.

Lieve Lezeressen en Lezers, ik kruip terug onder mijn nieuw gebreide dekentje – kopje thee, iets te knabbelen en een laatste hoofdstukje Zadie Smith – maar niet voordat ik afsluit met het volgende bemoedigende bericht:

De dichter Tjitske Jansen kreeg de vraag voorgelegd waarom zij niet in de bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer opgenomen wilde worden: ‘Pfeijffer heeft mij ooit, na een literaire avond waarop wij allebei hadden voorgelezen, uitgenodigd het bed met hem te delen. Ik heb deze uitnodiging beleefd afgeslagen. Vervolgens heeft hij op zijn website gezet “Tjitske Jansen is natuurlijk niets”.’

Shout-out voor Tjitske Jansen en alle andere dichters die zich publiekelijk distantiëren ‘van de Hollandse drinker in Genua, en diens buitengewone prestaties in de kroeg, op papier en in bed.’ De Lezeres hoopt dat velen hen zullen volgen!

Niet klagen maar turven en vragen om kracht: #lekkertellen 43

Lieve Lezeressen en Lezers,

Het is 2016 en nog steeds is de wereld niet klaar voor een vrouwelijke president. Heeft u het ook als u ‘s morgens wakker wordt, die halve seconde van unheimische onwetendheid, het omineuze gevoel dat er iets is, wat was het ook alweer, tot het als een natte handdoek keihard in uw nog kreukelige gezicht slaat? Een racistische en seksistische xenofoob komt makkelijker aan de macht dan een intelligente en capabele vrouw. Ik kan er niet aan wennen.

clinton

Sheila Sitalsing gaf daags na de uitslag een kleine proeve van de verschillende vormen van vrouwenhaat die Clinton tijdens de verkiezingscampagne met een bijna buitenaards incasseringsvermogen had weten te verstouwen. Met bewondering schrijft Sitalsing:

Ze heeft er niet over geklaagd, want klagen over seksisme garandeert enkel nog meer seksisme, bakken vol. Dus heeft ze zich er ijzerenheinig doorheen geslagen. En ongetwijfeld heeft ze ondertussen geturfd: jij en jij, jij ook, en hij daar. Een lange lijst vrouwenhaters tegen wie ze in gedachten een dikke, lange middelvinger zou opsteken, wanneer zij dáár zou staan en met haar hand op de Bijbel het hoogste ambt zou aanvaarden.

Hoezeer ik de loftuiting van Sitalsing aan het adres van Clinton ook onderschrijf – want ga er maar aanstaan -, het causale verband dat ze trekt baarde me zorgen. Had Clinton niet zonder nadelige gevolgen iets kunnen zeggen van de seksistische bagger die ze over zich uitgestort heeft gekregen zonder dat het als klagen was gezien? En als het benoemen en bekritiseren van manifest seksisme onherroepelijk tot nog meer seksisme zou leiden, welke manieren resten ons dan nog om er iets aan te doen?

Terwijl ik daarover peins, doe ik wat Clinton hoogstwaarschijnlijk ook deed: turven.

schermafbeelding-2016-11-15-om-08-51-31

NB. Er verscheen deze week geen Groene Amsterdammer wegens een dubbelnummer vorige week.

Young Boys Network: #lekkertellen week 42

Lieve Lezers & Lezeressen,

Nog één (twee?) nachtje(s) slapen en dan weten we of de nieuwe wereldleider een vrouw zal zijn, dan wel een sadistische kleuter who would love to watch the world burn. Maar voor het zover is, eerst iets over politiek in het klein: aanstellingspolitiek bij krantenredacties.

Via de social media bereikte mij het bericht dat de NRC-boekenbijlage een nieuwe boekenredacteur heeft aangesteld. Het is de vierde jonge witte man op rij die daar een plek krijgt. Kijken we naar bijvoorbeeld de Groene Amsterdammer, dan zien we dat ook daar veelal mannelijke critici schrijven. En bij de Volkskrant? Een vrouw staat er aan het roer, maar de vaste redacteuren zijn mannen (Erik van den Berg, Arjan Peters), net als veel freelancers (bijvoorbeeld Olaf Tempelman). Vrij Nederland, Parool: we kennen de patronen.

Het is, kortom, niet alsof er een tekort is aan mannelijke boekenredacteuren in ons Vaderlandje. En het behoeft geen uitleg dat degenen met een vaste aanstelling meer invloed hebben dan de freelancers, meer zullen schrijven en zo ook het ‘gezicht’ van het boekenkatern bepalen. Daar komt nog bij dat voor sommigen de boekenredactie een instap is om door te groeien naar allround essayist die ook politieke onderwerpen onder de loep neemt.

Het gaat mij niet om de individuele kwaliteiten van de personen in kwestie. Die zullen meer dan in orde zijn. Het gaat mij ook niet om de eenvoudige aanname dat een vrouw, of een persoon met een biculturele achtergrond, direct ook inhoudelijke diversiteit meebrengt, terwijl deze jonge mannen dat niet zouden kunnen doen. Maar het is natuurlijk wel een verschil of diversiteit een van de onderwerpen is waar je over schrijft, of iets waar je niet omheen kunt. De afgelopen tijd heeft de NRC-boekenredactie veel aandacht besteed aan het diversiteitsdebat. Samen met andere deskundigen werd ik geïnterviewd over de vraag hoe de kritiek er uit zou zijn als er meer vrouwen criticus zouden zijn. Amatmoekrim kwam aan het woord over ‘cultural appropriation’. Arjen Fortuin schreef een gewetensvolle column over de neiging van critici om in jury’s te gaan zitten en er geen been in te zien aan zeer nabije collega-critici prijzen uit te reiken.

De repliek van Jamal Ouariachi op deze jureringskwestie was: de literaire wereld is nu eenmaal klein. Alsof die kleinheid een natuurgegeven is! Neen, de literaire wereld maakt zichzelf klein. Want was er met een openbare advertentie geworven voor een nieuwe literaire redacteur? Heeft NRC gepoogd in zo breed mogelijk kring kenbaar te maken dat ze een plaats vrij hadden en wílden ze ook werkelijk iets doen aan de interne diversiteit? Misschien wel en  is mij dat volledig ontgaan. Toch vrees ik soms dat  de ‘kleinheid’ van het eigen netwerk nog altijd niet als voldoende urgent gevoeld om het net breder uit te werpen, ondanks alle stukken die er tegelijkertijd aan het onderwerp diversiteit gewijd worden. If you talk the talk, walk the walk!

Het betekent wel dat de Nederlandse literaire wereld bereid moet zijn om uit de eigen comfort zone te stappen. Toen Sylvana Simons in mei 2016 bij DENK ging, twitterde een gezaghebbend criticus guitig dat hij jaren geleden Simons had geïnterviewd toen ze haar boekenprogramma Kaft had. Ze kon van ‘de Grote Drie niet 1 favoriet boek noemen’. (Overigens is het interview op LexisNexis na te lezen. Simons roemt daarin Nescio, en zegt alleen van W.F. Hermans niets gelezen te hebben. Dat het werk van Reve bol staat van het expliciete racisme en daarom allicht niet direct voor ‘favoriet boek’ in aanmerking kwam, was helaas geen onderwerp in het interview). De criticus zag de Grote Drie als ultieme maatstaf voor belezenheid, zodat de vraag niet eens gesteld werd of Simons er toevallig een andere canon op nahoudt, waarin, ik noem maar iets geks, Bea Vianen, Edgar Cairo of Toni Morrison de absolute must reads zijn. Waarmee ik maar wil zeggen: als je één stap buiten Nederland zet weet niemand meer wie de Grote Drie zijn – misschien ook goed om te beseffen en de criteria voor belezenheid net ietsjes ruimer te nemen. Een diversere staf betekent niet automatisch, maar wel zeer waarschijnlijk, ook dat je een redactie krijgt met een ander cultureel referentiekader. Dan gaan ook de lacunes en al te gemakkelijke aannames in het éigen referentiekader meer opvallen.

grote3fruitmachine

Zo’n aanstelling heeft bovendien een nog breder effect. Alle jonge vrouwen die nu een letterenstudie volgen hebben geen jonge vrouwelijke boekenredacteur (mét vaste aanstelling) tot voorbeeld. You can’t be what you can’t see, (#UcantBwhatUcantC, zoals Janneke van Heugten twittert). De jongens die zo’n studie volgen hebben voorbeelden te over. En wat schetst onze verbazing? Jonge mannelijke studenten voelen zelden enige belemmering om te gaan recenseren – je hoeft de literaire tijdschriften maar open te slaan en te zien wie daar in schrijven. Voor jonge vrouwelijke studenten is het vermoedelijk vaak wel een grote stap, want al zijn ze in de meerderheid in de collegebanken, als jonge scribenten zie je ze veel minder. Wellicht ligt hier een taak voor het onderwijs, maar óók voor de redacties, anders kan dit patroon zich iedere generatie opnieuw herhalen.

Ondertussen twitterde de kersverse nieuwe mannelijke redacteur een foto van de NRC-redactie, alwaar een meer dan levensgroot portret van Reve hing. Die ongetwijfeld zag dat het goed was. Ik schonk mezelf nog wat rode port in en zakte ondertussen diep weg in mijn chesterfield.

Lieve lezers, ik geloof dat ik soms mijzelf stiekem op de gedachte betrap: schrijf dan maar liever niet over diversiteit. Is het gewoon een onderwerp waarmee je kunt bewijzen dat je ‘bij de tijd’ bent? Dat je heus weet hoe de wind waait? Maar ondertussen draait de wereld gewoon door en blijft het jongensclubhuis nog altijd intact. Zonder structurele veranderingen nu, zijn we over een paar jaar weer terug bij af, wanneer het onderwerp diversiteit niet meer hip & happening is en weer als marginaal p-c geneuzel wordt weggezet. Al deze argumenten zijn namelijk in de jaren tachtig en negentig ook al over tafel gegaan, en er is sindsdien een hoop veranderd, maar toch ook nog een hoop niet of te weinig.

Grote Drie-alarm-jackpot. Dacht u dat met de Reve-poster op de NRC-burelen het Grote Drie nieuws van deze week #lekkertellen wel op zou zijn? Dan gaat u niet door voor de koelkast. De Grote Drie-fruitmachine geeft namelijk de mega-super-jackpot deze week: in de van mannen vergeven boekenbijlage van de NRC heb ik Hermans, Reve en Mulisch allemaal op een rij. De bijlage opent met Arjen Fortuins column die, ondanks dat een zombiebewerking van Max Havelaar de aanleiding is, de dubbelgangers Osewoudt en Dorbeck in de titel, die overigens ook al door mannelijkheid zijn geobsedeerd (ziet u, ook ik veronderstel hier enige kennis van het oeuvre van de machtige [vul hier naam in]). Nog op dezelfde openingsspread neemt Frank Westerman het Genie Reve als aanleiding voor zijn betoog over feit en fictie in zijn Verweylezing, die in ingekorte versie is afgedrukt. Helemaal achterin treffen we dan eindelijk Mulisch: zijn voormalige uitgever Robbert Ammerlaan publiceerde een voorproef van zijn biografie over Mulisch, die weinig meer lijkt te doen dan de Mulisch-mythe te omarmen. Ik zin om op middelen om mijn jackpot prijzengeld nuttig te besteden en de drie zuilen waarop de Nederlandse republiek der letteren gebouwd is omver te werpen.

In Het Parool zelfs een zwijmelende opening over het boekje van Ammerlaan, dat enkel bedoeld is om de fans warm te houden voor de geplande Grote Biografie. Interessantste detail: ‘Nee hij was geen groot lezer, en geen groot brievenschrijver.’ Waarom verbaast me dat nou niet? Maar het wordt erger, Maarten Moll dist ook nog een ‘smakelijke’ anekdote op in zijn eigen column over het voorstel per brief aan Bomans door Mulisch voor een duel ‘op de vrouw’ (bij voorkeur een tweeling); om de door Mulisch verspreide geruchten over impotentie bij de gepikeerde Bomans te ontzenuwen en er meteen een wedstrijd van te maken. Was natuurlijk niet in ernst van Mulisch. Grappig hè?

Opmerkelijk: witte vrouw met zwart perspectief. Christine Otten mengt zich in de discussie over culturele toe-eigening naar aanleiding van de lezing van Lionel Shriver (die stelt dat de schrijver alle personages mag opvoeren die ze maar kan gebruiken – een ander perspectief aannemen is als het wisselen van hoedje) en Karin Amatmoekrim (die van mening is dat het niet zonder meer mogelijk is voor witte schrijvers om zich in een zwart perspectief te verplaatsen). Zelf heeft Otten namelijk net (opnieuw) een boek gepubliceerd waarin ze schrijft vanuit een zwart perspectief, We hadden liefde we hadden wapens en ze voelt de noodzaak uit te leggen waarom. Nu vind ik de kop van het stuk niet tactvol – het n-woord komt erin voor terwijl er ook ‘zwart perspectief’ o.i.d. had kunnen staan – maar Ottens stuk zelf is een stuk genuanceerder. Hoewel Otten wat snel terugvalt op identificatie met haar zwarte personage (in de moeilijke zwarte vader herkent ze haar eigen problemen met haar psychotische vader) en een wel erg groot vertrouwen in de literatuur stelt (de schrijver kan zich volgens haar eigenlijk overal in verplaatsen), stelt ze zichzelf de nodige voorwaarden voordat ze een ander hoedje opzet. Een respectvolle omgang met het personage en zijn of haar geschiedenis staat daarbij centraal: Otten sprak met haar hoofdpersonages (gebaseerd op echte mensen) en verdiepte zich in hun culturele bronnen. Dat dit voor haar essentieel is, illustreert het verschil met Shriver, die in haar voorbeelden van gekleurde personages vooral benadrukt dat ze zo handig zijn als instrumentele plotelementen. Daarbij lijkt het me ook niet onbelangrijk dat Otten ook buiten de grenzen van de fictie practices what she preaches: tijdens haar literaire avonden (Bijlmer Boekt) is ze zelf weliswaar de showmaster, ze geeft het podium aan gekleurde auteurs met verschillende achtergronden waarbij ze ook nieuwe stemmen een kans geeft.

Gekkigheid: reversed sexism. Elfie Tromp schrijft in Vrij Nederland een reportage over de Frankfurter Buchmesse en Mano Bouzamour (wiens achternaam ze foutief spelt als Benzakour): ‘Mano is een schrijver waar andere schrijvers graag op afgeven; met zijn parelwitte glimlach, sixpack en suède schoenen lijkt hij het succes aan zijn gespierde kontje te hebben hangen.’ Uhm, een schrijver reduceren tot een geseksualiseerd lichaam? Ik zie hier niet onmiddellijk de feministische winst van in.

Dieptepunt: heel weinig vrouwen in NRC. Het is een slechte week voor NRC. In de bijlage blijft het percentage besproken auteurs en het percentage recensenten ver onder de 25% bungelen.

Dieptepunt verdiept zich: fashionshoot in vermomming als interview. Ik ga nog even door over NRC, want de maandelijkse bijlage Het Blad van stond in het teken van schrijvers (en van dingen die je kunt kopen en eten, zoals altijd). De besproken auteurs: 7 mannen, 2 vrouwen. Er staan dus wel wát vrouwelijke auteurs in, maar op de covers staan 3 mannen, de grote stukken zijn gewoon aan mannen gewijd of door mannen geschreven (er is een groot interview met Ian McEwan, een reisverhaal van Auke Hulst over Ernest Hemingway en een voorpublicatie van Christiaan Weijts).  

Het aantal vrouwelijke recensenten is daarin aanzienlijk hoger dan in de reguliere bijlage: 2 mannen, 7 vrouwen (Hulst en Weijts zijn daarbij als ‘recensent’ geteld, omdat zij de schrijvers van de stukken zijn en niet het onderwerp, Ernest Hemingway is als gerecenseerde auteur geteld). Het hoge aantal vrouwelijke recensenten komt vooral vooral doordat moderedacteur Milou van Rossum haar hart mocht ophalen door ‘s lands schrijvers aan te kleden en leuk neer te zetten in hun natuurlijke werkomgeving. Een klein interviewtje ernaast over wat ze graag dragen als ze schrijven en hop, de reclame voor Uniqlo zou bijna ongemerkt voorbij gaan (maar toch niet helemaal, want zelfs ik begon me af te vragen of ik mijn Peter Hahn-gids in kan leveren omdat het Japanse Uniqlo binnenkort een winkel in Amsterdam zal openen). Ik stel voor om Het Blad om te dopen tot De Lifestyle, net zo obligaat, maar veel toepasselijker.

Op de bodem van het putje. Géén (nul, 0%) vrouwelijke recensenten in Het Parool. En een hele duidelijke oorzaak: A) de besproken poëziebundel is mede samengestelde door Dieuwertje Mertens, die meestal de poëzie bespreekt, B) de laatste kolom die normaal voor jeugdliteratuur is gereserveerd werd nu gevuld met bovenstaande anekdotes van Maarten Moll over Mulisch. Tjsa.

schermafbeelding-2016-11-07-om-23-02-30

#lekkertellen week 41: boek vooruitgang, zusters!

Lieve Lezeressen en Lezers,

U treft mij deze week in een vertwijfelde bui. Heb ik de herfstblues, is het de wintertijd? Begin ik in mijn kenmerkende monterheid ten prooi te vallen aan defaitisme? Dit is de 41e editie van #lekkertellen en wederom zijn de cijfers teleurstellend: 35 procent vrouwen, 65 procent mannen. Ik zal u opbiechten dat ik een stemmetje moet onderdrukken dat lispelt ‘wat heb ‘t allemaal voor zin?’ wanneer Excel de totalen tevoorschijn tovert.

lekkertellen-week-41

Op andere momenten meen ik te geloven dat de dingen heus ten goede veranderen. Vorige week liep BNR-presentatrice Petra Grijzen weg uit een radio-uitzending nadat ze 68 procent van haar werkdag erop had zitten. Ze protesteerde daarmee tegen het feit dat vrouwen nog altijd minder betaald krijgen dan mannen voor hetzelfde werk, een krachtig statement.

Dit weekend kon ik de goede berichten amper bijbenen, terwijl ik toch geen ongeoefend wandelaar ben. Eerst kreeg Marja Pruis de J.L. Heldringprijs uitgereikt voor haar columns in De Groene Amsterdammer. Net had ik uitgevonden dat de Heldringprijs daarmee meer vrouwelijke dan mannelijke laureaten heeft, of ik hoorde dat Elisabeth Leijnse de Libris Geschiedenis Prijs had gewonnen voor haar biografie van de zussen Cécile en Elsa de Jong van Beek en Donk.

Een sympathiek vrouwelijk personage.
Een sympathiek vrouwelijk personage.

In de live-uitzending van OVT wees presentator Jos Palm erop dat de prijs in de afgelopen 9 jaar slechts één keer naar een vrouw is gegaan, en hij vroeg de juryvoorzitter hoe dat toch kwam. Die stelde dat vrouwen maar meer moeten schrijven – mij een wat al te mager antwoord, zoals u inmiddels zult begrijpen. Vervolgens mochten de verschillende juryleden toelichten waarom de vijf genomineerde boeken zo goed waren, waarop een jurylid zich liet ontvallen dat hij in eerste instantie weinig zin had om te beginnen aan het boek over twee freules.

Zag het jurylid misschien op tegen een boek over twee wellicht niet voldoende sympathieke feministes? Ik dacht even aan een uitspraak van Chimamanda Ngozi Adichie in de boekenbijlage van De Standaard afgelopen week: ‘Lezers hebben nog steeds andere verwachtingen van vrouwen en dat is behoorlijk frustrerend. Van schrijfsters wordt verwacht dat ze sympathieke personages neerzetten, met name wanneer het gaat over de vrouwelijke karakters. Over Ifemelu uit Amerikanah zeiden velen dat ze niet aimabel genoeg is.’

Ik was erg blij met de bekroning van Cécile en Elsa, strijdbare freules. U moet weten dat ik, om dat fluisterende stemmetje te bezweren, nog wel eens Hilda van Suylenburg (1897) van mijn nachtkastje pak, de feministische roman van Cécile de Jong van Beek en Donk. Aan het einde van het verhaal, wanneer Van Suylenburg inmiddels succesvol advocate is, schrijft zij in een brochure over de noodzaak van vakverenigingen voor vrouwen: ‘Want sterke vakvereenigingen zullen op den duur er ontzaglijk veel toe kunnen bijdragen om den toestand der arbeidsters te verbeteren, vooral ook door een einde te maken aan die groote onbillijkheid, dat voor gelijken arbeid de vrouw veel minder loon ontvangt dan de man. Ach, dat mindere loon! Is dat niet juist één van de kankerplekken in het arbeidersleven!’

Als Petra Grijzen af en toe blijft opstaan op driekwart van haar uitzending, als Marja Pruis erop zou letten dat er óók vrouwelijke recensenten voor De Groene Amsterdammer schrijven wanneer zij zelf geen boek bespreekt, en als Hanneke Groenteman ons snel Maxim Hartman doet vergeten, dan bied ik weerstand aan de moedeloosheid en tel verder.

‘Nuff said.

Dieptepunt: In Het Parool twee vrouwelijke recensenten. Eentje voor poëzie en eentje voor kinderliteratuur. Quelle surprise!

Dieper dieptepunt: Voor de tweede week op rij dus geen vrouwelijke recensent in De Groene Amsterdammer. Ook worden alleen boeken van mannelijke auteurs besproken. Hierom draag ik mijn leesbril aan een koordje om m’n nek: van pure ellende glijdt-ie af.

Hoogtepunt: Een mooie en tot verder nadenken stemmende recensie van Maggie Nelsons De Argonauten in De Morgen. Helaas was het wel de enige door een vrouw geschreven recensie in deze boekenbijlage.

Nog een hoogtepunt: In De Standaard is het merendeel van de recensies geschreven door een vrouw, ook de interviews met mannelijke intellectuelen.

Hoger hoogtepunt: Hanneke Groenteman verlost ons van Maxim Hartman in de Volkskrant!

Gekkigheid: Wonderlijk dat recensent Paul van der Steen in Trouw concludeert dat de Juliana-biografie van Jolande Withuis ‘doet verlangen naar een soortgelijke onbevangen beschrijving van het hele leven van de prins gemaal’. Een biografie over een vorstin is leuk, lieve lezers, maar wat we écht willen lezen is natuurlijk nog een boek over haar man.

Een wonder: Carel Peeters schrijft in zijn column in Vrij Nederland daadwerkelijk over een boek geschreven door een vrouw (Heilige identiteiten door Machteld Zee)! Maar ik heb te vroeg gejuicht:  Peeters vindt het nodig om te benadrukken dat de visie van Zee wordt ‘gesteund door vertrouwde namen’, de mannen ‘Paul Cliteur (Zee’s promotor) en Afshin Ellian’. Als kritiek kiest hij ervoor om Zee’s toon ‘wel erg huiselijk’ te noemen.

Grote Drie-alarm: In NRC Handelsblad interviewt Sebastiaan Kort de Duitse auteur Frank Witzel (man, 1955) en wat schetst de verbazing? De man las Hermans en Reve! En vond ze goed! Kort is er zo mee in zijn nopjes dat het lijkt of de Duitse Witzel zijn inspiratie volledig bij de Hollandse heren vandaan heeft – de Grote Drie (of Twee) blijven in onze vaderlandse bijlagen natuurlijk de meetlat der meetlatten en vegen met gemak een hele Duitse traditie opzij.

#lekkertellen week 40: Gekrenkte Mannelijkheid

Lieve Lezers en Lezeressen,

Bestudeert u eerst het verstopte doucheputje dat de cijfers ook deze week weer zijn, in de tabel alhier. Want warning: deze #lekkertellen is ouderwets #lekkerlang, omdat het nodig is wat langer bij de Volkskrant stil te staan.week-40

N.B. Deze week is er geen Vrij Nederland verschenen. De Groene Amsterdammer-bijlage over Crossing Border is niet meegeteld.

Een knauw voor je mannelijkheid

De meest onthullende quote vond ik deze week in de Volkskrant, in een interview met Britse auteur en televisiemaker Tim Samuels:

Voor mij betekende het werkende leven een proces van ontmannelijking. Andere mensen, zoals bazen, hebben controle over wat je doet, hoeveel je verdient en hoe je je voelt… Het verlies van vrijheid dat ik ervoer, betekende een knauw voor de mannelijkheid.

Mannelijkheid wordt zo dus alleen in de vorm van een verlies bespreekbaar. Als vrouw was ik overigens verbluft: hoezeer moet Samuels voordien in een geprivilegieerde mannelijke autonomie-bubbel hebben geleefd? Ik bedoel: hoezeer moest hij zich zó compleet heer en meester over eigen leven hebben gevoeld, om het ontvangen van opdrachten in een doodnormale werksituatie al als een krenking te ondergaan? Hij is er wel eerlijk over, zullen we maar zeggen.

Samuels is niet de enige auteur die zich over mannelijkheid buigt: het onderwerp hangt duidelijk ‘in de lucht’. En met reden, want zowel Brexit als Trump laten zien dat mannen significant vaker voor populisten stemmen dan vrouwen. Bovendien is het discours over doorgeslagen ‘feminisering’ en gekrenkte masculiniteit een belangrijke inhoudelijke component van veel populisme; zie wederom Trump en hier ten lande bijvoorbeeld Baudet.

En zo kwam ik bij de gehele boekenbijlage van de Volkskrant uit. Want áls we constateren dat gekrenkte mannelijkheid voorwaar geen grap is – maar dat in zekere zin een groot deel van onze politieke toekomst afhangt van hoe dit probleem te analyseren en te begrijpen – dan verbaast mij de lichtzinnigheid waarmee deze bijlage uiteindelijk terugvalt op clichébeelden over de man. Een probleem inzichtelijk willen krijgen is niet hetzelfde als het probleem voeden, beste Volkskrant.

Maxim Hartman heeft nog altijd zijn rubriek en Chef Boeken Wilma de Rek, zo bleek deze week, staat daar volkomen achter. Hartman is in mijn ogen de man die gewild is in VPRO/Volkskrant kringen omdat hij ze de illusie geeft dat ze óók heus de ‘gewone man’ weten te bereiken. Dat ze kiezen voor een auteur wiens retorisch vermogen niet verder reikt dan Hurt them before they can hurt  onthult ongewild hoe diep er toch nog altijd op die gewone man wordt neergekeken.

Hartman had geschreven over ‘Christenhonden’ (hallo, Theodor Holman ca. 1995??). Later volgde er iets spitsvondigs over ‘achterlijke Friezen’. Wilma de Rek verdedigde de Hartman-rubriek vurig, in het stuk dat de VK-ombudsvrouw hierover schreef (het regent namelijk klachten bij de Volkskrant, hoera, wakkere lezers!). In haar antwoord beroept De Rek zich – verrassend eerlijk – op een calculerend doelgroepdenken, plus bijbehorend stereotiep manbeeld dat tot tien jaar geleden hooguit bij bladen als Panorama en Nieuwe Revue de norm was:

Bij die keuze houden we rekening met hem [= Hartman, LdV] als vertegenwoordiger van een bepaald soort doelgroep: doorsnee man, geen enorme lezer, houdt van sport maar pakt ook weleens iets onverwachts uit de schappen.

Nu, ik begrijp dat boekenbijlages voortdurend onder druk staan om meer en dus een ander type lezers te bereiken. Maar waarom niet gedacht in precies de omgekeerde richting, namelijk die van een diversere doelgroep in plaats van richting de ‘doorsnee man’? En denk je die man wérkelijk te bereiken via iemand die consequent zijn eigen mannelijkheid alleen maar vorm kan geven door vrouwen – en anderen – te kleineren? En belangrijker nog: waarom wil je dat?

Dat was echter nog niet alles, want interessant genoeg was er voor gekozen om Harry Mulisch op de voorkant van de Sir Edmund te zetten (plus groot artikel), en Jan Cremer als opening van het boekenkatern (plus groot artikel). Er zal geen bewuste strategie achter zitten, maar alles bij elkaar opgeteld leek het één groot pleidooi voor de fantasie van de autonome man zoals deze ooit in de Letteren de dienst uitmaakte.

Over de nadelige effecten van deze juist in de literatuur groot geworden illusie van brute mannelijkheid wordt geen gesprek gevoerd. Terwijl het zó nodig is, maar we komen er pas aan toe als de boekenbijlages kritischer gaan kijken naar de keuzes die ze maken op het gendervlak.  Tot slot wil ik daarom de Volkskrant, en bij uitbreiding alle Grote Drie-Fetisjisten die de Vaderlandse boekenbijlages volpennen wijzen op Christophe Van Gerreweys bespreking  Korte gesprekken met afgrijselijke mannen van David Foster Wallace in De Standaard:

In 1997, twee jaar voor dit boek in Amerika verscheen, schreef Wallace een negatieve recensie over een roman van John Updike, die hij met Norman Mailer en Philip Roth als de ‘Grote Mannelijke Narcisten’ omschreef, omdat ze enkel over hun eigen problemen en seksualiteit schreven. Dat geldt ook voor Korte gesprekken met afgrijselijke mannen, met dat verschil dat deze mannen, en Wallace evenzeer, verloren lopen in de woorden en daden waar rollenpatronen hen toe aanzetten […].

Grote Mannelijke Narcisten, daar hadden ze het in Amerika in 1997 al over! Gaat het kwartje hier in 2016 dan ook vallen? A girl can hope… en een vrouw van middelbare leeftijd ook.

Zo dat is er uit, en dan nu nog een korte rijtje dieptepunten, gekkigheden en hoogtepunten.

Dieptepunten: Deze week worden er in De Groene Amsterdammer 0 vrouwen besproken en komen er 0 vrouwen als criticus aan het woord.

Voor meer dieptepunten: door naar De Morgen. Op de voorpagina van de krant wordt melding gemaakt van het onderzoek van Rekto Verso naar seksisme in de culturele sector. Mooi! Helaas staan er in het boekenkatern dan meteen een aantal zaken die recht dat onderzoek in hadden gekund. Te beginnen met de cartoon die als illustratie bij het hoofdartikel van het katern (over de Frankfurter Buchmesse) dient. Vier mannen aan een statafel, lege wijnglazen, vrouw komt hen meer wijn brengen, tekst: ‘Maaike, vlug, hoe zeg je “Achterwaards in de poes naaien” in het Duits?’.  

Schijn bedriegt: Voor het eerst in de #lekkertellen-geschiedenis van De Morgen worden er meer vrouwen dan mannen besproken! O, maar wacht, schijn bedriegt: geen van deze 9 schrijfsters kreeg een volledige recensie. Relatief gezien kregen de mannelijke auteurs dus alsnog meer aandacht. De Morgen veranderd? Who am I kidding?

Terug bij af: Na twee betrekkelijk evenwichtige weken voor Sir Edmund zijn we weer terug bij af. Drie vrouwen worden besproken in het Booker Prize-verhaal van Hans Bouman (keurig 3-3 dit jaar). Verder duiken ze pas op bij Kort & Goed (4).

De Grote Drie maar niet die drie: In Het Parool haalt Dirk Jan Arensman de Amerikaanse grote 3 light + 1 van stal in een lyrisch-vergoelijkende bespreking van debutant Nathan Hills Nix:

Maar iets ontwapenends heeft het wel: een debutant die een sociale en politieke satire, historische fictie en een coming-of-age-roman wilde schrijven, die thematisch en stilistisch in de voetsporen treedt van John Irving, David Foster Wallace, Michael Chambon en Thomas Pynchon en die het verwezenlijken van die tomeloze ambitie welbeschouwd nog een heel eind komt.

Gekkigheid: In Iets in ons boog diep van Jan Lauwereyns hebben we, volgens de samenvatting van de Groene-recensent, weer eens een man te pakken die meer emotionele respons heeft op een sekswerker die hij per toeval tegenkomt, dan op de mensen in zijn leven:

Vervolgens ziet hij een meisje lopen dat hij kent van een tijdje terug, Ayaka, het Cleopatra-meisje, toen hij balletklassen volgde. Hij volgt haar, het uitgaansleven in [helemáál niet als een griezelige stalker, LdV]. Hij ontdekt dat ze in een bar werkt, praat met haar, leeft van haar op, tot een yakuza-achtig figuur haar geld biedt om aan haar borsten te mogen zitten.

Et cetera. Zucht.

Hoogtepunten: diversiteit In De Groene schrijft Lofti El Hamidi (buiten de boekenrubriek) over Black Minds Matter, naar aanleiding van het rapport van de diversiteitscommissie van de UvA. Ik las ook het interview met Gloria Wekker over datzelfde onderwerp in de Volkskrant van deze week. En dan was er in NRC een paginagroot interview met Chimamanda Ngozi Nadichie, opdat wij maar nooit meer terug hoeven denken aan dat Buitenhof-interview met haar.

Dylan en DWDD

Lieve lezeressen en lezers, come gather ‘round people, wherever you roam, en doe mee aan dit gedachte-experiment: hoe is het om als vrouw fan van Bob Dylan te zijn? De Lezeres is large, she contains multitudes. Ik heb vele verschijningsvormen en vandaag verschijn ik voor u in de hoedanigheid van bona fide Dylan-fan.

Ik kwam op het idee van dit gedachte-experiment door de uitzending van DWDD. Nu had ik me voorgenomen om afgelopen donderdag, de Nobelprijs-dag, niet (niet!) naar DWDD over Dylan te kijken. Een vriendin vermaande mij echter dat de eretitel ‘Lezeres des Vaderlands’ niet alleen lusten maar ook lasten met zich meebrengt. En of we het leuk vinden of niet: het programma is het meest bekeken en daarmee kwantitatief gezien het meest invloedrijke culturele programma van Nederland. Kortom, I took one for the team, en zo heb ik Uitzending Gemist aangeslingerd.

Dat sloeg op mij!

Een korte (-ish) impressie van de uitzending. Tafeldame is Hanneke Groenteman. In de rol van aangeefster introduceert zij meteen in de eerste minuut de invalshoek van waaruit deze bekroning besproken zal worden:

V. Nieuwkerk: ‘Om 13.00 uur, precies om 13.00 uur, klokke 13.00…’

    Groenteman: ‘kreeg jij de Nobelprijs voor de literatuur!’

Het item dat volgt is inderdaad grotendeels gewijd aan de sterke identificatie van Van Nieuwkerk met Dylan. Ook de andere mannen aan tafel (Freek de Jonge en Henk Hofstede, zanger en gitarist bij De Nits) hebben het niet over Dylan zelf, maar over hun band met Dylan. Van Nieuwkerk wisselt gelijk bij het begin van het item maar even van stoel met De Jonge, aangezien hij zo veel kwijt wil (nee, móet) over Dylan dat hij feitelijk gewoon te gast is in zijn eigen programma.

    V. Nieuwkerk: ‘Bob Dylan was mijn leidsman, dat was de Bijbel, daar pleegde ik bijna exegese op. Dat sloeg op mij.’

    [Freek de Jonge mompelt iets over The catcher in the rye van JD Salinger.]

V. Nieuwkerk: ‘Dat was een boek dat ook daarbij aansloot.’

    De Jonge: ‘Hij is op het juiste moment in ons leven gekomen.’

Nota Bene: ons leven. Wiens leven? De Jonge benoemt hier wat in dit hele item gaande is: de ervaringen van De Jonge, Van Nieuwkerk en Hofstede waren wel individueel in die zin dat ze door individuen werden beleefd, maar in wezen hetzelfde. Een groepservaring.

dwdddylan_vruchtwater
Een groepservaring

Van Nieuwkerk vervolgt; over zijn grote ontroering toen hij Dylan in 1978 voor het eerst in concert zag:

 ‘En ik dacht, daar loopt ie, nee, daar loopt Hij, bijna. Nu zeg je, is overdrijven, maar het was Echt Zo. (…) [De schrijver van] die nummers die zoveel voor mij betekenden, of het nou ging over de verhouding tot mijn ouders, de wereld, weet ik veel, meisjes, ik weet het niet.’

Van Nieuwkerk plaatst Dylan dus duidelijk boven zichzelf. Dylan is iemand die op hem lijkt maar die verder is dan hij in zijn ontwikkeling, Dylan is iemand die beter is dan hij, en dus Leidsman kan zijn.

(Terzijde: Van Nieuwkerk zegt op zeker moment over dit concert: ‘Het was niet lang na Woodstock.’ HET WAS NEGEN JAAR NA WOODSTOCK, MATTHIJS!)

Freek de Jonge gooit hier nog een schepje bovenop, en benadrukt op ‘subtiele’ wijze zijn gelijkenis met Dylan. Na een fragment uit ‘The Hurricane’, waarin Dylan zingt met een violiste op de achtergrond: ‘bent u daarmee bekend, het fenomeen zang met viool?’ Wink, wink. Achter De Jonge zit Hella in het publiek stil te glimlachen.

Kortom, Van Nieuwkerk en De Jonge maken hier van hun Dylan-ervaring de Dylan-ervaring. In deze broederschappelijke sfeer wordt aan vrouwen een specifieke, dienstbare rol toegekend. Hanneke Groenteman neemt de rol op zich van de vrouw die met moederlijk genoegen en vertedering zit te kijken naar hoe ‘de jongens’ opgaan in hun Dylan-bewondering.

Er is hier geen sprake van evident, flagrant seksisme, maar iets veel en veel subtielers. Dat blijkt pas goed bij een fragment over Joan Baez, waar het echt lelijk wordt.

    Van Nieuwkerk: ‘Joan Baez, toen zijn muze, zijn vrouw, zijn minnares – toch, zoiets?’

    Henk Hofstede: ‘Bwah, ze was eigenlijk een beetje gedumpt…’

    Van Nieuwkerk: ‘Ja, uiteindelijk is ze gedumpt’

    Hofstede: ‘…tijdens de film, uiteindelijk komt ze wel tevoorschijn, maar…’

    Van Nieuwkerk: ‘Maar dan zie je hém… schrijven! Op die hotelkamer.’

    Hofstede: ‘Die hotelkamer, ja prachtig.’

    Van Nieuwkerk: ‘Laten we even kijken.’

Na afloop van het bekende fragment uit Don’t Look Back, waarin de gespannen verhouding tussen Dylan en Baez inderdaad voelbaar is, zegt De Jonge: ‘Maar zij heeft hem wel als het ware gelanceerd. Ze is wel zijn muze geweest enige tijd, maar als je dan ziet… als je dan zit te werken, en iemand op de achtergrond zit [gitaar te spelen en te zingen, LdV], dan begrijp je wel waarom ze wat minder in elkaar opgaan.’

Iedereen gniffelen. Merk ook hier weer op: de identificatie van De Jonge met Dylan. ‘Als je zit te werken.’ Alsof Dylan niet net zo hard door háár gitaarspel heen zit te tikken en haar daarmee ergert. En daarbij, Baez als zijn ‘muze’, zijn minnares? Pardon? Blijkbaar is het erg moeilijk om een muzikale samenwerking te begrijpen als dat: een muzikale samenwerking. En om in meer dan een bijzinnetje recht te doen aan de verhouding Baez-Dylan: toen Baez en Dylan samen begonnen op te treden was zij een grote ster en hij een volstrekt onbekend figuur. Om haar rol in zijn muzikale loopbaan toch vooral te beschrijven als een situatie waarin zij de muze-minnares was, is een geval van geniepige geschiedvervalsing.

Hierna zingt Freek de Jonge ‘Forever Young’. En dan zeggen ze dat ironie dood is.

If you don’t underestimate me, I won’t underestimate you

Terug naar de vraag van ons gedachte-experiment: hoe is het om als vrouw fan te zijn van Bob Dylan?

Als je DWDD bekijkt en geen zin hebt in de moederlijke rol à la Groenteman; geen zin om jezelf als muzikant te presenteren en jezelf daarmee open te stellen voor geschiedvervalsing en laatdunkende opmerkingen zoals Baez die hier heeft mogen ontvangen; geen zin om alleen naar Dylans liefdesliedjes te luisteren en jezelf in de rol van de bezongen vrouw voor te stellen (en dat jouw betrokkenheid bij zijn muziek dan daar zou beginnen en eindigen); geen zin in dit alles, wat dan? Je komt al snel uit op de gedachte dat Dylan gewoonweg niets voor jou is. Preciezer gezegd, volgens DWDD zou Dylan niets voor jou moeten zijn.

Ik heb als Lezeres vaak betoogd dat de eenzijdige aandacht voor het Grote Mannelijk Genie onze cultuur armer maakt (zie ook: Grote Drie-alarm). Dat is echter slechts één kant van het probleem. De andere kant is dat de relatie die je kunt aangaan tot die grote cultuur vaak  ‘beladen’ gebied is, omdat mannen bezig zijn zichzelf te projecteren in dat Genie, die dan tot Leidsman wordt gebombardeerd. Terwijl, pijnlijk genoeg, Dylan als geëngageerde zanger juist laat zien dat engagement niets te maken heeft met Alle Antwoorden Hebben en die dan vervolgens uitventen. En wat dat LeidsMAN betreft, Dylans werk kent vele momenten die juist uitnodigen tot nadenken over genderidentiteit en uitnodigen om die identiteit als meer fluïde te zien (bijvoorbeeld in ‘Dink’s song’ en zijn versie van ‘House of the Rising Sun’).

Er gebeurt hier iets ingewikkelds. Het is niet alsof mannen Dylan helemaal voor zichzelf opeisen. Er is, zoals ik al schreef, ruimte om als vrouw fan te zijn, hetgeen simpelweg blijkt uit het feit dát er vrouwen fan zijn. Maar wie als vrouw fan van Dylan is, of meer in het algemeen veel met muziek bezig is, kent vast het compliment ‘ik ken weinig vrouwen die zoveel van muziek weten als jij’. Het is een variant op het ‘compliment’: ik ken weinig vrouwen die zo goed kunnen schrijven, weinig vrouwen die zo’n gevoel voor humor hebben etc. Het is vast aardig bedoeld, maar het heeft toch een zure bijsmaak.

Wie tot man gesocialiseerd wordt, ontdekt dat er een culturele ruimte is die heel erg sterk met ‘mannelijkheid’ geassocieerd is. Op een bepaalde manier met popmuziek bezig zijn, goed schrijven, gevoel voor humor hebben: het ‘hoort’ bij mannen – dat is althans de sociale constructie die wordt overgedragen. Het is voor mannen dus een comfortabele ruimte: als man kun je je daar, zo lang je je aan bepaalde codes houdt, vanzelfsprekend in bewegen. Als daar bij uitzondering een keer een vrouw in opduikt is dat niet vervelend of bedreigend, doorgaans, maar zelfs wel aardig. Kijk, wat leuk,  daar heb je die ene uitzondering.

Ondertussen vragen we ons als cultuur niet af hoeveel vrouwen die ruimte maar helemaal niet betreden omdat ze het signaal ‘jongensclubhuis’ heus wel begrepen hebben. En het is precies dit signaal dat DWDD in knipperde kapitalen boven nagenoeg al hun items over cultuur aanzet.

#lekkertellen 39: een koude herfststorm, zoals eigenlijk altijd

storm
Als koude regen in je gezicht, mijn bril besloeg van de cijfers deze week.

Joehoe! De blaadjes zijn deze week verkleurd van groen naar oranje en rood, en guess what, de meeste boekenbijlagen blijven in het rood steken, zonder ooit groen te zijn geweest. Vooral NRC Handelsblad en De Standaard sloegen als koude regen tijdens een herfststorm in mijn gezicht want daar bleef het percentage vrouwen deze week onder 20% steken. Al met al bleven de cijfers deze week gemoedelijk rond het gemiddelde schommelen: 72% van de recensenten en 73% van de besproken auteurs was van het mannelijk geslacht. Reden genoeg om weer onder mijn fleecedekentje te kruipen, maar niet voordat ik mijn trouwe lezers en lezeressen wat hoogte- en dieptepunten en gekkigheden heb voorgeschoteld.

De cijfers

lekkertellen39

Hoogtes, dieptes, gekkigheden

  • Gekkigheid: vrouwen in VN
    In VN gaan alle recensies over een vrouwelijke auteur! Dat zijn maar 3 stukken, maar toch, het is een unicum; zelfs Carel Peeters heeft een vrouw uit de stapel recensie-exemplaren op zijn bureau gevist, hij besprak het nieuwe boek van Denker des Vaderlands Marli Huijer. Way to go Carel (al is het een negatieve bespreking)! Alle drie de stukken werden wel door een man geschreven, maar daar is het VN voor.
  • Hoogte: een vrouw in ere hersteld
    Rob Hartmans prijst in NRC een boek van Biancamaria Fontana over Germaine de Staël, die in de nasleep van de Franse revolutie een belangrijke bijdrage leverde aan het politieke denken. Die bijdrage werd lange tijd klein gehouden door te wijzen op de invloed van haar man en vader, maar Fontana laat in haar boek zien dat De Staël wel degelijk originele ideeën had. Rob Hartmans weet dit eerherstel in zijn recensie op waarde te schatten.
    Verder, in diezelfde NRC-met-de-treurige-cijfers: een mooi en groot openingsstuk van Joyce Roodnat over het laatste deel van de Napolitaanse reeks van Elena Ferrante (die nu ook langzaamaan in Nederland de aandacht krijgt die ze verdient).
  • Diepte: boys over Dylan
    Het zal niemand ontgaan zijn dat de Nobelprijs voor de Literatuur de afgelopen week aan Bob Dylan werd uitgereikt. U weet wel, van die liedjes. Nu is daar veel over te zeggen en dat gebeurt in de boekenbijlagen dan ook volop, maar wat mij vooral opvalt is de gender van de enorme schare jubelende Dylan-fans. Dat zijn namelijk allemaal jongens, mannen, bedoel ik. Zo komen er in NRC maar liefst vier mannen aan het woord over Dylan (en geen enkele vrouw) en zit ook de stamtafel van De Standaard vol heren. Online mocht ook Saskia de Coster aanschuiven voor een frisje, maar van de pullen bier mocht ze niet meedrinken; in de papieren editie is ze nergens te bekennen.
    Ook op de teevee kunnen ze er trouwens wat van. DWDD nodigde enkel mannen uit om over Dylan te praten. Daarover morgen meer in een apart blogje, stay tuned!
  • Diepte: n-woord-alarm
    In De Standaard trof ik het n-woord in de titel. Heel onnodig, blijkt ook na nadere lezing van de recensie: het gaat om een graphic novel van een vrouw (eigenlijk heel wat voor recensent en notoir vrouwennegeerder Toon Horsten) over een Duitse vrouw die in 1934 naar Londen verhuist en daar vriendschap sluit met een man van Barbados, een van de eerste zwarte studenten aan Oxford. Why, waarom, warum, pourquoi deze titel gekozen? Voor achtergrond bij het gebruik van het n-woord zie mijn blog over geciteerd racisme, hier.
  • Gekkigheid: goed interview met rare uitschieter
    In NRC Handelsblad wordt Karin Amatmoekrin geïnterviewd door Toef Jaeger over haar nieuwe boek Tenzij de vader (overigens een van de weinige bijdragen over een vrouwelijke auteur deze week in deze krant). In het interview gaat het ook over de moeizame positie van Amatmoekrim als gekleurde schrijver (waarom wordt er voor haar boek een recensent met Suriname als specialisme gevraagd en niet ‘gewoon een literair recensent’, vraagt ze zich bijvoorbeeld af). Jaeger geeft Amatmoekrim de ruimte om haar standpunt naar voren te brengen, maar wel nadat ze haar heeft gevraagd of het gevoel gediscrimineerd te worden een belangrijk thema is in Amatmoekrims roman. Gelukkig antwoordt Amatmoekrim: ‘Dat is geen gevoel, dat is de praktijk.
  • G3-alarm
    [klik hier] De Grote Drie zijn te huur voor al uw feesten en partijen, dus ook voor de uitreiking van de Nobelprijs. Nu is Harry Mulisch dood en Gerard Reve ook, maar als ze nog geleefd hadden, dan hadden ze er wat van gevonden. Nu interesseert dat mij persoonlijk net zo veel als de mening van Statler en Waldorf, maar voor al die andere G3-fetisjisten is er gelukkig een kadertje in NRC waarin ze allebei postuum worden geciteerd over Dylan. En nee, ik zeg lekker niet wat Reve en Hermans dan van Dylans winst gevonden zouden hebben.

 

#lekkertellen 38: vrouwen weggeven

Lieve lezers en lezeressen,

Afgelopen week was 63 % van de recensenten en 64% van de besproken auteurs een man. #lekkerkort

output_ltzmwc

 

schermafbeelding-2016-10-11-om-10-37-47

  • hoogte: het grote interview met Chimamanda Ngozie Adichie over haar essay ‘We should all be feminists’ in Sir Edmund (de Volkskrant). Niet in de boekenbijlage, maar omdat ik een wijntje achter de kiezen heb en in een vrijgevige bui ben, tel ik het mee. Mooi dat Ngozie Adichie kritisch blijft op Queen Bey, die haar essay gebruikte in haar nummer ‘Flawless’ en haar daarmee extra bekendheid gaf. ‘[H]et is niet mijn type feminisme, want het is een soort feminisme dat tegelijkertijd nogal veel ruimte geeft aan de noodzakelijkheid van mannen.’ de Volkskrant doet het deze week sowieso bijzonder goed, met nog een groot interview (eveneens vier pagina’s) met Margriet de Moor die vertelt over haar nieuwe roman Van vogels en mensen.
  • mannendingen: Joost de Vries is in De Groene gecharmeerd van de nieuwe roman van Ronald Giphart, die hij als volgt samenvat: ‘Kortom, mannen die hun vrouwen weggeven en daar spijt van krijgen. Het is een mooi thema, dat Ronald Giphart kalm en gecontroleerd uitwerkt.’ Misschien dat Joost daar graag mee op de bank kruipt op een donderdagavond, maar ik ga verdrietig gapen van mannen die menen dat een vrouw iets is wat je weg kunt geven.
  • Grote Drie-alarm: komt deze keer in vermomming, wederom in De Groene. In zijn bespreking van verzamelde essays van Simon Vestdijk (nummer 4?) haalt Kees ‘t Hart enthousiast het werk aan van nummer (ja, welk, 1, 2 of toch 3?): ‘Men kan Van het Reve natuurlijk afwijzen als “figuur”, het is mogelijk niet van zijn werk te houden, maar men kan geen literaire kritiek uitoefenen in de gangbare betekenis.’ Opdat we niet vergeten dat de literatuur autonoom is en Reve God.
  • Gekkigheid: Arjen Fortuin haalt me in NRC aan in zijn column over Elena Ferrante (citatiescore ^). Fortuin heeft de gave altijd alles van de zonnige kant te zien en beschouwt ‘Elena Ferrante’ als een artistieke creatie, kortom als een personage geschapen door een auteur. In De Groene las ik dat twee jaar eerder al de auteur ontmaskerd is door computationeel stilistisch onderzoek. Het verlangen aan een vaste vorm en je naam in je paspoort te ontsnappen, het is niet meer van deze tijd. De onderzoeksjournalist pint je identiteit vast via je bankrekening, de geesteswetenschapper via je schrijfstijl, de breinwetenschapper via je neuronen en de politicus via je land van geboorte. Het maakt citaten als ‘Very well, then I contradict myself, I am large, I contain multitudes’, of  ‘How dreary – to be – Somebody! How public – like a Frog’ hopeloos romantisch en achterhaald. Enfin, vooralsnog sloeg de opgewektheid van Fortuin nog niet op mij over.
  • dieptepunten: 0,0% vrouwen in Vrij Nederland en in De Morgen staan 4 van de 5 vrouwen in de ‘Signalementen’, waarbij ze alle vier mede-auteurs zijn en twee daarvan kinderboekenschrijfsters.
  • nog dieper: Het houdt niet op, niet vanzelf: Maxim Hartman is nog steeds aan zet in de Volkskrant. Wat kunnen we doen om hem te laten stoppen? Bel me.

#lekkertellen #37: Bart Smit-statistiek

Joehoe! Op de dag dat Asha ten Broeke van Twitter werd verwijderd omdat trollen haar ‘gerapporteerd’ hadden vanwege haar commentaar op de nieuwe Bart Smit-folder (guess who daarin door een miniatuur-supermarkt loopt en wie speelgoed krijgt om ontdekkingen te doen?), is het zo ver: #lekkertellen, nieuwe stijl, namelijk #lekkerkort. Hoe zag de taakverdeling in het huishouden van de boekenbijlagen van deze week eruit en wat viel er op?

ldv_lekkertellen37_bartsmitfolder

De cijfers: een Bart Smit-huishouden

Deze week voldoet aan het model: rond de 30% vrouwen en 70% mannen. Niet aan een ideaalmodel dus, maar aan het Bart Smit-model dat zich nu al maanden achter elkaar aftekent in boekenbijlagenlandschap.

schermafbeelding-2016-10-04-om-22-24-12

hoogtes, dieptes, gekkigheden

  • Hoogte: veel aandacht voor Teju Cole, die vorige week in Nederland was. Zijn verhaal over kunst, racisme en Eurocentrisme werd integraal afgedrukt in De Groene, in Vrij Nederland staat een groot interview met hem en in NRC Handelsblad staat een bespreking van zijn essaybundel.
  • Gekkigheid: In De Standaard wordt de nieuwe roman van Stefan Hertmans besproken, die het verhaal van een vrouw uit 1100 vertelt. Grootste commentaar van de mannelijke recensent:

Maar hij offert haar nooit op voor zijn verhaal. Wellicht heeft hij te veel respect voor haar historische bestaan. Als de roman één zwakte heeft, ligt ze daar: we horen haar nooit. We zien haar bewegen, we krijgen signalen van haar pijn en verlangen, we zien wat zij ziet, maar het scherm van duizend jaar blijft staan. “Ik raak de oude putrand aan. Ik raak Hamoutal aan”, schrijft hij gloedvol in Caïro. Het blijft helaas een aanraking van steen in een roman vol zelfbeheersing die het grote schrijverschap van Stefan Hertmans zo typeert.

Dat dit vrouwelijke personage niet tot leven komt, is dat een gevolg van respect voor haar historische bestaan (hoe dan?), of toch eerder onwil of onvermogen van de schrijver om zich in te leven in een vrouw? En waarom met deze afstandelijkheid het personage niet voor het verhaal opgeofferd zou worden, is mij een raadsel.

  • Diepte: Nederland gidsland en de vrouwelijke niet-minister president.
    Co Welgraven geeft een wat matige bespreking van het boek Hare Excellentie. Zestig jaar vrouwelijke ministers in Nederland van Monique Leyenaar als hij zich verliest in een staaltje male innocence over het niet-minister-presidentschap van Marga Klompé. Nederland was reuze vooruitstrevend, dus het had maar een haartje gescheeld of we hadden een vrouwelijke premier gehad, aldus Welraven. Een zelf-uitgedeelde pluim voor Nederland dus. Maar Marga Klompé zei nee, en waarom? Ze vond dat ze over onvoldoende kennis op financieel-economisch terrein beschikte en dat “de situatie psychologisch niet rijp is om een vrouw tot minister-president te maken”. [mijn nadruk]
    Hoe vooruitstrevend is een land wérkelijk als vrouwen van het kaliber Klompé zichzelf nog altijd klein maken (‘onvoldoende kennis’) én inschatten dat het land in een onheilzame staat van emancipatiekramp zou schieten bij een vrouwelijke premier? De situatie is overigens psychologisch nog steeds niet rijp in ‘vooruitstrevend’ Nederland, waar we welgeteld één vrouwelijke lijsttrekker hebben (Marianne Thieme).
  • Gekkigheid: Carel Peeters pullt een Nesciootje als openingszin en Herman Brusselmans heeft een boek over een schrijver geschreven, en die schrijver is hij zelf.